Zucht.
Gisteravond was ik aan het denken. Ik verkeerde in een staat van meditatie en contemplatie terwijl ik door de regen liep, om een uur of acht. Ik besloot dat de straat waar ik over liep feitelijk een temporeel deel van het geheel van het 'ding' straat was, zoals een plak asfalt een ruimtelijk deel is van die straat. De straat in de regen in juli voelde namelijk niet hetzelfde voor me als de straat in juni, op dezelfde manier dat ik niet hetzelfde voelde. Alles wat we hebben van de wereld zijn plakjes observaties, fases in de tijd die samengesteld worden tot het geheel van een voorwerp. Zoals ieder voorwerp wordt gezien als een geheel van zijn ruimtelijke delen, of dat nou lichaamsdelen of technische onderdelen of de blaadjes van een boom zijn kunnen we ook ieder ding beschouwen als een samenstelling van de temporele delen.
Maar heel erg veel ruimte kan ik daar niet voor maken in mijn gedachten.
Hugo Maat
13.7.11
4.7.11
Esnesnon 4-7-11
Goedenavond.
Het is weer een vlog. Misschien was het verstandig geweest als ik van tevoren had bedacht of opgeschreven wat ik ging zeggen. Dat heb ik niet gedaan, dus ik ben halverwege hardop aan het denken. Al is hierdoor de boodschap verwaterd, het lijkt me leuk om het er toch tussen te zetten, zeker gezien de dubbele functie van dit blog als archief van mijn eigen denken. Ik vermoed dat ik dit over twee jaar erg leuk vind om te zien.
Het is niet waarschijnlijk dat ik heel veel over Anma ga vertellen op Esnesnon. Ik moet eerst even de kunst onder de knie krijgen, veel oefenen, en daarna verplaats ik het hele gebruik naar de categorie 'vanzelfsprekendheden' zoals dat hoort bij deze traditionele methode. Ik ben wel van plan nog iets te gaan schrijven over het 'spook' van contingentie om te kijken of ik mijn gedachte ermee weer in harmonie kan krijgen.
Ik heb nog een paar boeken liggen, voor geïnteresseerden, die in principe worden opgeborgen om nooit meer te worden gezien (met uitzondering van een toekomstige opruiming, 2020 of iets in die richting). Ik zoek vanaf nu naar proefpersonen voor het oefenen van Anma, overigens. Volgens zen shiatsu zou ik mijn hara moeten ontwikkelen.
Hugo Maat
Ps: Ik word geen Oriëntalisme-fanaat hierdoor. Het Westen is nog steeds superieur in geneeskunde, kunst, wetenschap, filosofie, krijgskunst etc. Knipoog.
3.7.11
Esnesnon 3-7-11
Mijn hersenen zijn er nog niet van bewust dat het vakantie is.
Van het weekend Siddharta van Hesse gelezen, even snel, en me weer kortstondig begraven in Metaphysics van P. van Inwagen. (Ik ben tevens wat bladeren in een stuk over Gaudí, een boek over Inquisitie en een inleiding in Zen Shiatsu.) Dat leidde eerst tot een stapel overpeinzingen naar aanleiding van mijn enorme weerzin tegen de denkbeelden in Siddharta - voornamelijk over de vraag waarom ik me er tegen verzet- kortstondig tot een hoogtepunt gekomen in een steekspel over moraal, waarbij ik in de val van het cultuurrelativisme liep en nu genoodzaakt ben mijn wonden te likken en af te wachten.
Voor de dag goed en wel om was liep ik tegen een tweede op: hetzelfde probleem dat me in januari dwars begon te zitten gedurende de cursus Inleiding Ontologie van de faculteit der Wijsbegeerte. Het behelst het idee (ik moet mijn best doen het niet een 'dogma' te noemen omdat ik dan mijn rationele grip op het verhaal verlies) van contingentie. In de Metafysica bestaat de redelijk gecompliceerde kwestie (de vreemdste van alle vragen van deze discipline vind ik) van de vraag naar de reden van het bestaan. Dat is niet de vraag wat wij mensen op aarde doen, of ook maar de zin van het leven, wat een bekendere vraag is. Het is een veel hoger probleem, hoger in de zin van de orde van kennis. Waarom bestaat er namelijk überhaupt iets? Het antwoord is niet 'God heeft de wereld geschapen' of 'de oerknal' of 'a wizard did it', want dat laat nog de vraag naar God, de oerknal en de tovenaar over: die bestaan in die verklaring namelijk ook en moeten ook nog verklaard worden. Het bestaan op zich wordt bevraagd.
Contingentie, in ontologische zin, betekent de niet-noodzakelijkheid van een ding, eigenschap of gebeurtenis. Iets dat contingent is 'zou er net zo goed niet kunnen zijn.' Even zo kort mogelijk: Van Inwagen wendt dit principe aan om aan te geven dat je op die manier meerdere werelden zou kunnen voorstellen, de mogelijke of 'modale' werelden. Als in één van deze werelden iets is dat noodzakelijk bestaat, in zijn boek de Necessary Being genoemd om het neutraal te houden, volgt daaruit dat het in alle werelden moet bestaan omdat iets dat noodzakelijk bestaat onmogelijk niet zou kunnen bestaan op het moment dat je een variant aanbrengt. Dit is de verkorte weergave van het Minimale Modale Argument, misschien doe ik ooit een goede uiteenzetting.
Dit hele argument, wat ik niet verder wil bespreken in deze context omdat ik nog een aflevering Monty Python wilde kijken vanavond, valt of staat bij het contingentiebegrip. Voor mij is dit begrip iets wat Robert Pirsig misschien een 'ghost' zou noemen. Ik heb het namelijk in college ter discussie gesteld tegenover Professor R. van Woudenberg. Mijn poging een serieuze bespreking van het contingentiebegrip te beginnen werd in de kiem gesmoord: de professor beschouwde het begrip als evident en een veilige bouwsteen. Hetzelfde geldt voor Van Inwagen, die links en rechts smijt met het contingentiebegrip maar vrijwel geen woord besteedt aan haar rechtvaardiging. Gisteravond idem dito: ik trok het in twijfel en het werd van de hand gewezen omdat contingentie evident was. Het eerste échte argument viel gisteren wel, met de vooralsnog redelijk instabiele kwestie van kwantummechanica, bouwsteen van de Theorie van de Rekkelijkheid.
Ik merk onder het schrijven dat mijn gedachten nog verre van gestold zijn en dat ik me hier nog uitvoerig dwars mee ga zitten, zeker omdat ik het gevoel heb dat er voorlopig niemand is die bereid of in staat is om met mij serieus het gevecht aan te gaan hierover; om niet uit te gaan van een wat mij betreft onterechte claim tot evidentie maar te redeneren vanuit Socratische onwetendheid. Mijn vraagstuk is het volgende: er staat een boom voor dit huis, op 3 juli 2011. Als het bestaan van deze boom contingent is zou deze boom er ook niet kunnen zijn. Als dit niet zo is zou het bestaan van deze boom noodzakelijk en onvermijdelijk zijn. Afgezien van de kwestie van de kwantummechanica voel ik me op logische gronden aangetrokken tot het tweede en ben ik bereid de consequenties van die keuze te aanvaarden.
Het is een gedachte die tegenstand oproept, heb ik gemerkt. Ik vind ook dat het die tegenstand verdient en nodig eenieder uit om de geestelijke degens te kruisen.
Hugo Maat
Van het weekend Siddharta van Hesse gelezen, even snel, en me weer kortstondig begraven in Metaphysics van P. van Inwagen. (Ik ben tevens wat bladeren in een stuk over Gaudí, een boek over Inquisitie en een inleiding in Zen Shiatsu.) Dat leidde eerst tot een stapel overpeinzingen naar aanleiding van mijn enorme weerzin tegen de denkbeelden in Siddharta - voornamelijk over de vraag waarom ik me er tegen verzet- kortstondig tot een hoogtepunt gekomen in een steekspel over moraal, waarbij ik in de val van het cultuurrelativisme liep en nu genoodzaakt ben mijn wonden te likken en af te wachten.
Voor de dag goed en wel om was liep ik tegen een tweede op: hetzelfde probleem dat me in januari dwars begon te zitten gedurende de cursus Inleiding Ontologie van de faculteit der Wijsbegeerte. Het behelst het idee (ik moet mijn best doen het niet een 'dogma' te noemen omdat ik dan mijn rationele grip op het verhaal verlies) van contingentie. In de Metafysica bestaat de redelijk gecompliceerde kwestie (de vreemdste van alle vragen van deze discipline vind ik) van de vraag naar de reden van het bestaan. Dat is niet de vraag wat wij mensen op aarde doen, of ook maar de zin van het leven, wat een bekendere vraag is. Het is een veel hoger probleem, hoger in de zin van de orde van kennis. Waarom bestaat er namelijk überhaupt iets? Het antwoord is niet 'God heeft de wereld geschapen' of 'de oerknal' of 'a wizard did it', want dat laat nog de vraag naar God, de oerknal en de tovenaar over: die bestaan in die verklaring namelijk ook en moeten ook nog verklaard worden. Het bestaan op zich wordt bevraagd.
Contingentie, in ontologische zin, betekent de niet-noodzakelijkheid van een ding, eigenschap of gebeurtenis. Iets dat contingent is 'zou er net zo goed niet kunnen zijn.' Even zo kort mogelijk: Van Inwagen wendt dit principe aan om aan te geven dat je op die manier meerdere werelden zou kunnen voorstellen, de mogelijke of 'modale' werelden. Als in één van deze werelden iets is dat noodzakelijk bestaat, in zijn boek de Necessary Being genoemd om het neutraal te houden, volgt daaruit dat het in alle werelden moet bestaan omdat iets dat noodzakelijk bestaat onmogelijk niet zou kunnen bestaan op het moment dat je een variant aanbrengt. Dit is de verkorte weergave van het Minimale Modale Argument, misschien doe ik ooit een goede uiteenzetting.
Dit hele argument, wat ik niet verder wil bespreken in deze context omdat ik nog een aflevering Monty Python wilde kijken vanavond, valt of staat bij het contingentiebegrip. Voor mij is dit begrip iets wat Robert Pirsig misschien een 'ghost' zou noemen. Ik heb het namelijk in college ter discussie gesteld tegenover Professor R. van Woudenberg. Mijn poging een serieuze bespreking van het contingentiebegrip te beginnen werd in de kiem gesmoord: de professor beschouwde het begrip als evident en een veilige bouwsteen. Hetzelfde geldt voor Van Inwagen, die links en rechts smijt met het contingentiebegrip maar vrijwel geen woord besteedt aan haar rechtvaardiging. Gisteravond idem dito: ik trok het in twijfel en het werd van de hand gewezen omdat contingentie evident was. Het eerste échte argument viel gisteren wel, met de vooralsnog redelijk instabiele kwestie van kwantummechanica, bouwsteen van de Theorie van de Rekkelijkheid.
Ik merk onder het schrijven dat mijn gedachten nog verre van gestold zijn en dat ik me hier nog uitvoerig dwars mee ga zitten, zeker omdat ik het gevoel heb dat er voorlopig niemand is die bereid of in staat is om met mij serieus het gevecht aan te gaan hierover; om niet uit te gaan van een wat mij betreft onterechte claim tot evidentie maar te redeneren vanuit Socratische onwetendheid. Mijn vraagstuk is het volgende: er staat een boom voor dit huis, op 3 juli 2011. Als het bestaan van deze boom contingent is zou deze boom er ook niet kunnen zijn. Als dit niet zo is zou het bestaan van deze boom noodzakelijk en onvermijdelijk zijn. Afgezien van de kwestie van de kwantummechanica voel ik me op logische gronden aangetrokken tot het tweede en ben ik bereid de consequenties van die keuze te aanvaarden.
Het is een gedachte die tegenstand oproept, heb ik gemerkt. Ik vind ook dat het die tegenstand verdient en nodig eenieder uit om de geestelijke degens te kruisen.
Hugo Maat
Abonneren op:
Posts (Atom)