Goedemiddag.
Het zware leven is weer begonnen. Ten gevolge daarvan zit ik nu op de universiteit te niksen. Ik had twee colleges, allebei een korte inleiding, waarbij ze me voornamelijk heel erg veel leeswerk heben opgegeven. Bij de repro ligt een reader van 471 pagina's tekst te wachten op de kopiist, waarbij ik veertien exemplaren aangevraagd heb, ook voor mijn collegegenoten. Ik heb hier al een boek naast me liggen dat ik dadelijk eens even flink ga doorwrochten en ik moet nog twee vakken langs deze week. Omdat ik het merendeel van mijn leerstof pas morgen leer kennen doe ik nog eventjes rustig aan, maar ik heb al wel begrepen dat het de bedoeling is dat ik flink aan de slag ga, mocht ik nog serieus wat willen bereiken voor de zomer. Na het afsluiten van deze post verplaats ik mezelf naar mijn vaste leeshoek op de twaalfde verdieping om de maand januari te eindigen met studie.
Vanavond, redelijk vroeg op de avond al, heb ik de eerste toneelrepetitie van het jaar met mijn teerbeminde gezelschap. We gaan een Shakespeare doen, het bloederige Titus Andronicus. Er zullen verkrachting, onverdoofde amputatie en anachronismen in zitten. Ik zal op tijd bekend maken hoe kaarten gereserveerd kunnen worden, zodra ze gereserveerd kunnen worden, want ik ga ervan uit dat iedereen dol is op moorddadige tragiek in oud Engels.
Bij deze stop ik mezelf af te leiden door onzinnigheden op internet en ga ik wat doen.
Ja, echt, nu.
Ik sluit nú af.
Het boek dat ik moet lezen heeft een afbeelding op de kaft die in spiegelbeeld staat, zonder duidelijke reden. Dat is zichtbaar aan de hand van de teksten die op de daar afgebeeldde kranten staan. Ik vermoed dat de uitgever halverwege besloot dat het plaatje wel leuk was maar niet goed in de ruimtelijke verdeling van de voorkant paste. Volgens de achterkant komt het boek van iStock, dus dat helpt ook bij de verklaring-
Ja okee, ik ga studeren. Jeetje.
Hugo Maat
31.1.11
30.1.11
Esnesnon 30-1-11
Buona notte.
At the present time of writing I am quite drunk. This is because of a considerable amount of vodka which I've just consumed along with a good friend of mine. It was rather pleasant to drink in good company again, I missed it. Last evening I drank some cava with an aquaintance, but he wasn't really qualified to be a drinking companion, so it failed to 'do the trick.' It did give me a sound and deep night's sleep though, so I guess it was alright. In hindsight I think it would have been better to consume the rosé I carried on me instead, but then again not all decisions are good ones. Your premises might be true, your reasoning may be valid, but even then there is not much capable of standing in the way of simple stupidity. Ah well, woe the human race and their inability to distinguish properly between differing alcoholic beverages when the occasion calls for it.
Overigens wil ik even reclame maken voor het merk Stolichnaya. Mocht u ooit in de verleiding verkeren om het eens flink op een zuipen te zetten kan ik u dit merk van harte aanbevelen. De wodka is meer dan een doorzichtige vloeistof met een hoog alcoholpercentage, (ik wil geen namen noemen, maar ik bedoel Smirnoff), het is een smakelijke drank en een plezier om te drinken. Het bijbehorende dronkenschap is zacht en aangenaam, terwijl de smaak voortduurt. Ik en een drinkebroer hadden een fles van 70 cl voor vijftien euro, een alleraardigst prijsje, zeker als je bedenkt dat je met minder dan vier mensen een dergelijke fles niet op krijgt. We waren, beide toch stevige drinkers, niet eens halverwege gekomen en toch al flink van de kaart, en in de goede zin. Sterker nog, ik voel me nog steeds erg goed, ook al is mijn motoriek niet meer je-van-het en denk ik niet al te helder meer.
Waarschuwing: mocht u geen ervaren drinker zijn, blijf dan gewoon bij het makkelijke spul. De Stolichnaya is een goede wodka, geschikt voor iemand die de smaak kan waarderen en dronkenschap als één van de effecten beschouwt. En ja, ik ben hiermee neerbuigend, maar ik kijk nog verder neer op de volgende categorie mensen die ik zal noemen.
Mocht u overigens een idioot zijn: blijf dan bij de Johnny Walker Red Label of de Breezers. Amateurs. Drink vooral zoveel mogelijk en blijf bij me uit de buurt. Alle voorzieningen in mijn ivoren toren wordt gevoed door kristalheldere, Litouwse (geloof ik) wodka.
Hugo Maat
26.1.11
Esnesnon 26-1-11
Goedemiddag.
Waarschuwing: het volgende is de eerste versie van mijn essay voor filosofie over een stelling van professor Peter van Inwagen (een Yank) en is daardoor mogelijk redelijk vreemde stof. Het staat hier grotendeels bij wijze van online archief van mijn eigen gebrabbel, maar ook omdat ik dit ding vrijwel in één zit uitgeschreven heb zonder significante correcties. De titel is tot dusver 'Mind-dependent truth' maar ik heb nog anderhalve dag om die naam te veranderen voor mensen die heel erg snel suggesties kunnen leveren. Leukste suggestie krijgt een koekje.
-Filosofie vanaf hier.-
Het ontkennen van het bestaan van een objectieve waarheid stuit snel op weerzin. Zowel vanuit de ‘common sense’ benadering en veel metafysische opvattingen wordt het bestaan van een objectieve waarheid ondersteund. Sommige waarheden zijn immers evident, andere waarheden zijn gebaseerd op de realistische opvatting van een aan de mens onafhankelijke wereld. Van Inwagen geeft hier als argument de waarheid van de hoogte van de Mount Everest, die zonder mensen nog altijd dezelfde hoogte behoudt. Hij beweert aan de hand van het onafhankelijke bestaan van de Mount Everest en haar aan de mens onafhankelijke eigenschappen zoals ruimtelijke omvang, dat de waarheid over deze berg objectief is. Ik ben het hiermee oneens.
Ik wil in dit essay niet aantonen dat de waarheid geen objectief fundament heeft of dat de mens zelf waarheid maakt. Deze punten behoren tot een andere discussie dan degene die ik aan wil gaan. Mijn doel is aan te tonen dat waarheid niet objectief is in de zin van onafhankelijk aan de mens; om aan te tonen dat waarheid niet objectief in de zin van mind-independent is.
Mijn argument, in overzicht, is als volgt:
Waarheid is uitsluitend een eigenschap van uitspraken.
Uitspraken bestaan niet onafhankelijk van de mens.
Waarheid bestaat niet onafhankelijk van de mens.
Voor premisse A is het onderscheid tussen uitspraken en werkelijkheid belangrijk. Volgens de algemeen gehanteerde correspondentietheorie van waarheid is een uitspraak waar zodra deze correspondeert met de werkelijkheid. Deze definitie geeft weer dat waarheid niet aanwezig is in de werkelijkheid maar in uitspraken. Op zijn meest wordt de waarheid van een uitspraak ontleend of gebaseerd op de werkelijkheid. Als de uitspraak ‘de Mount Everest is meer dan acht kilometer hoog’ waar is, door te corresponderen op de werkelijkheid van de ruimtelijke omvang van de berg in kwestie, is die waarheid gelegen in de uitspraak zelf en de manier waarop deze naar de werkelijkheid verwijst.
Waarheid is geen eigenschap van individuele dingen (of van personen, organismen of substanties wat dat betreft): een tafel heeft bijvoorbeeld een aantal poten, een materiaal waar het van gemaakt is, een bepaalde omvang en een kleur, maar in het lijstje met eigenschappen is ‘waarheid’ niet opgenomen. Een mens is ook niet ‘waar’ (buiten de spreekwoordelijke ‘ware Jacob’). Dit wil niet zeggen dat deze dingen onwaar zijn. Dingen zijn simpelweg niet onderhevig aan het criterium van waarheid en zijn noch waar, noch onwaar. Uitspraken hebben wel de potentie waar of onwaar te zijn, de optie van onduidelijkheid daar gelaten. Onder uitspraken vallen in dit geval ook geschreven beweringen en gedachten.
Mijn tweede premisse stelt dat uitspraken niet zonder de mens bestaan. Een uitspraak is een talig fenomeen. In gesproken vorm bestaat de uitspraak niet zonder de taal om hem in de formuleren, in geschreven vorm bestaat deze niet zonder het vermogen te schrijven en de taal waarin het opgesteld wordt en in vorm van gedachte is de gedachte niet-bestaand zonder een geest die deze gedachte vasthoudt. Het is onmogelijk om een uitspraak in de werkelijkheid aan te treffen op dezelfde manier dat men een voorwerp of een organisme aantreft. Alleen de uitdrukking in geluid, beeld of schrift van een uitspraak is aan te treffen in de werkelijkheid, maar daarmee niet de uitspraak in kwestie. Voordat een serie klanken of tekens een uitspraak voorstelt moeten er betekenissen worden verbonden aan de klanken of tekens in kwestie, door het middel van taal. Uitspraken vereisen dus bewuste communicatie, wat weer een mensachtig denkvermogen vereist. Het begrip ‘mens’ hier kan, indien nodig, worden verbreed tot ‘wezen met vermogen tot taal; voor het argument zou bijvoorbeeld een buitenaards wezen met gelijksoortige communicatieve vaardigheden als mens gelden.
Hieruit volgt de conclusie dat waarheid verbonden is met het vermogen uitspraken te doen, een vermogen dat voor zover bekend alleen mensen hebben. En zoals uitspraken in bestaan afhankelijk zijn van talige wezens, mensen, is ook waarheid, dat als criterium alleen van toepassing is op uitspraken, afhankelijk in bestaan van mensen. Hieruit volgt dat waarheid niet mind-independent is en ook niet objectief is. Ik wil niet ontkennen dat de Mount Everest een bepaalde ruimtelijke omvang heeft en de berg zal deze omvang ook hebben zonder dat er mensen bestaan om uitspraken over te doen. Dit maakt de omvang van deze berg echter niet waar, noch een feit (een type uitspraak, immers), het is enkel en alleen een stand van zaken in de werkelijkheid.
Er is voldoende kritiek te leveren op deze opvatting. Ten eerste: is het wel een geldige redenering om de afwezigheid van de verschijningsvormen of tokens op te vatten als een afwezigheid van de eigenschap of type in kwestie? Als er geen rode voorwerpen meer zouden zijn, mogen we dan concluderen dat de kleur rood niet bestaat? Mutatis mutandis, als er geen uitspraken worden gedaan, wil dat dan wel zeggen dat er op dat moment ook geen eigenschap waarheid bestaat? Ten tweede wordt waarheid een criterium genoemd, maar wordt er geen rekening gehouden met waar dat criterium op gebaseerd is. Dit criterium voor waarheid, volgens Van Inwagen, wiens stelling ik aanvecht, is de mind-independent werkelijkheid. Omdat het criterium nog steeds objectief is, is de waarheid dat ook. Ten derde rekent deze argumentatie buiten het bestaan van proposities om. Een propositie drukt een stand van zaken uit zonder uitspraak en kan ook waar of niet waar zijn.# Ten vierde, als antwoord op dit antirealistische standpunt, is de status van de afwijzing van een waarheid onafhankelijk van de mens onduidelijk, omdat de waarheid van deze stelling ook in zijn bestaan afhankelijk aan de mens zou moeten zijn. Als deze stelling niet langer waar is zonder het bestaan van mensen kan er alsnog een voor mensen objectieve waarheid zijn. Ten vijfde: als waarheid van mensen afhankelijk is, zou een driehoek ineens niet meer drie hoeken hebben als er geen mensen meer zouden zijn?
De tegenargumenten zijn niet allemaal even geldig. Naar mijn mening zijn het tweede en het derde argument beide gebaseerd op een andere verhouding tussen waarheid en werkelijkheid. De werkelijkheid is inderdaad in zijn bestaan onafhankelijk van de mens, maar in die werkelijkheid bestaat waarheid niet. Zelfs als men de correspondentietheorie van waarheid volgt, dan blijft de scheiding tussen werkelijkheid en waarheid bestaan, door middel van taal. De waarheid bestaat alleen binnen het kader van de taal: zonder taal zijn er niet eens feiten, er is dan alleen een stand van zaken. Die stand van zaken is niet gelijk aan een propositie: een propositie is een uitdrukking van de stand van zaken, iets dat niet bestaat zolang niemand hier een uitspraak mee doet. Een stand van zaken is vervolgens weer niet waar of onwaar, alleen de uitspraken erover. Het heeft geen zin om te beweren dat twee stoelen in een kamer waar zijn, of dat de ruimtelijke relatie waarin ze staan waar is. Waarheid heeft als eigenschap geen betekenis voor deze zaken en is er niet op van toepassing.
Het vierde argument is ongeldig omdat de afwezigheid van waarheid niet meteen onwaarheid betekent. Dat is niet bedoeld in de zin dat het waarheidsgehalte van sommige uitspraken onduidelijk is. Het betekent dat er dingen zijn waar het criterium van waarheid niet op van toepassing is, waardoor de begrippen ‘waar’ en ‘onwaar’ niet passen. Dit soort dingen zijn ‘niet waar’. Tegen het vierde argument heb ik daarom in te brengen dat de afwezigheid van waarheid in het geval van de afwezigheid van de mens een stand van zaken is, geen uitspraak. Helemaal zeker over dit argument ben ik niet.
Het vijfde argument beschouw ik als een misleidende aanpak, omdat de eigenschap ‘driehoekig’ nog steeds bestaat, als vorm, in de werkelijkheid waar er immers voorwerpen bestaan die driehoekig zijn. De driehoeken in de werkelijkheid zijn echter ‘werkelijk,’ en niet waar. Ook de ideale driehoek heeft als eigenschap slechts een vorm, maar niet de eigenschap ‘waarheid.’ Het feit dat een driehoek drie hoeken heeft is een vorm van uitspraak, en is waar.
Het eerste argument, dat de afwezigheid van de tokens van het type waarheid nog niet de afwezigheid van waarheid betekent vind ik het sterkste van de tegenargumenten en ik moet toegeven dat de redenering dat zonder uitspraken die al dan niet waar kunnen zijn er geen waarheid zou zijn niet waterdicht is. Ik weet niet of een type ophoudt te bestaan als er geen enkel token van is, maar dat komt omdat ik me niet voor kan stellen dat een type door iets anders kenbaar is dan haar tokens. Hoewel ik niet overtuigd ben door dit argument weet ik het ook niet goed te verwerpen.
Het is in dit essay niet mijn bedoeling geweest om uitspraken te doen over waarheidstheorieën en ik heb ook niet willen betogen dat, hoewel ik meen dat waarheid niet objectief is zoals Van Inwagen dat stelt, mensen zelf hun eigen waarheid zouden maken. Ik meen echter wel dat mijn argumentatie geldig is en dat ik hiermee voldoende heb aangetoond dat waarheid niet mind-independent is en dat hierdoor mensen degenen zijn die dingen waar maken.
-Geen filosofie meer vanaf hier.-
Ik hoef vanaf nu alleen nog maar te wachten tot maandag, dan begint het echte studeren weer, in plaats van die massa gebakken lucht waar ik nu al bijna vier weken in hang (ik bedoel de studie filosofie). Ik krijg het weergaloos druk. Naast studie krijg ik twee repetities met toneel per week, om in minder dan een half jaar een Shakespeare uit te werken; heb ik een weekend apart met orkest, de week daarop een weekend vol met concerten, waaronder de finale van het concours voor jeugdorkesten, wish me luck; heb ik ergens in diezelfde maand een schnabbel waar ik nog geld voor vang ook; en het zou me niet onaardig lijken ook nog een beetje sociaal te zijn in die tijd, met de een iets meer dan met de ander. Dat betekent more work, less play voor arme, arme ik. Er zijn zoveel leuke dingen die ik nog moet doen dat ik geen leven meer overhoud. Ik verdien overduidelijk het medelijden van de hele wereld.
-Geen sarcasme meer vanaf hier.-
Hugo Maat
23.1.11
Esnesnon 23-1-11
-Consider this analogy. We are amazed to see a human figure hurtling through the sky like Superman. "It's a woman!" someone shouts. "Why a woman?" we ask. "Well, it's either a man or a woman, and it's impossible for a man to fly." (P. Van Inwagen, Metafysics, (Boulder, 2009) 223.Dus dat. Al lerende voor mijn geheel facultatieve tentamen voor het vak over Ontologie heb ik hernieuwde bewondering voor professor Van Inwagen opgevat. Het is overigens een Yank, wat verklaart waarom het citaat in het Engels is terwijl zijn naam zo bedrieglijk Nederlands klinkt. Zijn regelmatige verwijzing naar sciencefiction of andere pop-culture, zoals hierboven, maakt zijn boek vermakelijk. Ik heb een kleine lachbui ongeveer elke vijf pagina's. Dat ligt deels aan mij, maar goed. Hij schrijft onderhoudend, werkt zorgvuldig en stapsgewijs en waar nodig neemt hij zijn hoed af voor de passerende scepticus of degenen die geen 'vriend van de these' zijn, zoals professor Van Woudenberg zou zeggen.
'Hernieuwde bewondering' impliceert echter dat ik ook anders over deze man heb gedacht in de drie weken dat ik me over het onderwerp gebogen heb met zijn boek als leidraad. Ik heb nog steeds twee grote bezwaren bij het werk van Van Inwagen. Ten eerste gaat hij niet altijd de discussie aan waar dat bevorderlijk zou zijn: over de vrije wil of het idee van 'contingency' heeft hij geen echte argumenten over als het erop aankomt, tot op het punt waar hij de vrije wil een 'deep mystery' noemt, wat ik een beetje slap vind voor een boek dat over de poging tot het verklaren van de meest fundamentele vragen van onze kennis gaat. Soms lijkt hij een rotsvaste overtuiging te hebben die hij niet met zijn lezers wil delen. Ten tweede, min of meer in dezelfde geest, laat hij na om bepaalde divergente opvattingen te bespreken omdat hij de gedachte achter bepaalde theorieën 'niet begrijpt.' En daar laat hij het vervolgens bij. Ik heb het al en plein public een zwaktebod genoemd, maar een ander zou natuurlijk kunnen zeggen dat Van Inwagen zich juist sterk toont door toe te geven dat hij een standpunt heeft en bepaalde opvattingen daardoor nooit zal begrijpen, in plaats van een halfslachtige poging te verrichten die argumentaties weer te geven.
Het is een goed boek. Ik heb weinig vergelijkingsmateriaal buiten de Kritik, en dat is gewoon niet helemaal eerlijk, dus ik zal het boek op zichzelf moeten beoordelen. Het draagt een serie opvattingen uit maar laat je vrij het ermee oneens te zijn. Bovenal maakt het een heel schimmig onderwerp vatbaar, wat bij metafysica een geweldige prestatie is. Al met al een goede inleiding, hoewel de kritiekpunten staan. Waar hij een redenering levert op basis van klakkeloos aangenomen stellingen heb ik moeite te blijven lezen, maar zodra ik eenmaal doorzet is het uiteindelijk goede stof tot nadenken.
Geïnteresseerd en in staat om taaie filosofie te verwerken? Probeer de boekhandel bij de VU of leen mijn exemplaar, beschikbaar vanaf overmorgen, na mijn tentamen.
Hugo Maat
19.1.11
Esnesnon 19-1-11
Transcript voor mensen die het filmpje niet kunnen zien:
Goedenavond.
Ik wil een paar dingen zeggen over een vaag onderwerp met weinig feitelijke inhoud of zinnige argumenten. Het gaat over liefde en wat het betekent, voor mij althans. Als ietsje jonger en ietsje dwazer persoon dan ik nu ben maakte ik voor mezelf een tweetal aan definities, één voor liefde en één voor haat. Het werkt altijd lekker om in tegenpolen te denken. Mijn begrip van liefde, als dertien- of veertienjarige was aldus: een instelling waarbij het geluk van een ander belangrijker is dan dat van jezelf. Mutatis mutandis is haat een instelling waarbij het veroorzaken van ellende bij een ander belangrijker is dan je eigen welzijn. Wat ik goed vond, en nog steeds vind, aan deze definities is dat ze naar mijn mening verrekte extreem zijn. Ik ben van mening dat mensen te snel geneigd zijn om van iets of iemand te houden of iets of iemand te haten. Je kan ook gewoon iets of iemand leuk vinden, of iemand niet zo aardig vinden, ergens dol op zijn, een afkeer ergens van hebben, gek op iemand zijn, van iemand walgen, boos op iemand zijn of gewoon iets fijn vinden. Haat en liefde zijn extreme dingen, ze zijn de uiterste punten en ik vind dat ze ook zo moeten worden gehanteerd. Bovendien vond ik het onderdeel ‘belangrijker dan jezelf,’ een soort ‘ten koste van je eigen geluk’-clausule charmant, dat wekte bij mij het idee op van allesverschroeiende liefde of allesverterende haat.
Maar goed, het was een beetje té extreem. Weinig verwonderlijk dat ik in die tijd van niemand hield en niemand haatte, de definitie was te streng. Enige verandering was nodig, en dat gebeurde gelijktijdig met mijn tweede grote omslag in ethisch bewustzijn, dat van het radicaal, sceptisch egoïsme. Ik stelde de definitie van liefde bij tot: ‘er is sprake van liefde als het welzijn van een ander een significant onderdeel uitmaakt van je eigen welzijn,’ met een gelijksoortige variant voor ‘haat.’ Dit is al vager, wat ik goed vond omdat het veel eigen invulling toestaat en liefde toch niet te reduceren valt tot percentages of duidelijk afgebakende begrippen. Dit was in de tijd dat ik qua denken bijna op mijn meest cynisch was, tot vorig jaar. “But I digress.”
Ik heb kortgeleden besloten mijn definitie wederom bij te stellen. In plaats van een abstract idee te scheppen en te kijken of de werkelijkheid eraan voldoet koos ik er voor om vanuit mijn eigen ervaring op te maken wanneer ik persoonlijk vond wanneer ik van iemand hield en wat het voor mij betekende. Ik kwam uit op ongeveer het volgende: ‘zorg en affectie over hebben voor een ander en gelijktijdig toestaan dat diegene zorg en affectie teruggeeft.’ Vaag. Hartstikke vaag. Ter verduidelijking, ik bedoel met zorg hier niet ‘ontbijt maken’ e.d., hoewel dat altijd welkom is en één van de snelste manieren om mijn liefde te winnen. Ik bedoel zorg in de zin dat je begaan bent met iemands welzijn. Affectie duidt hier op het waarderen van de ander en dit kenbaar te maken.
Deze laatste definitie is in ieder geval voor mij geldig. Ik vind een hoop goed, maar ik kan het niet hebben als iemand zich om mijn welzijn bekommert, die paar speciale uitzonderingen daar gelaten. Op het moment, sinds het bijstellen van mijn begrip voor liefde, heb ik ook daadwerkelijk iemand van wie ik hou. En dat maakt me blij.
Overigens merk ik een positieve ontwikkeling in mijn denken: ik heb me niet bekommerd om een nieuwe definitie voor haat. Wat een fijn idee.
Hugo Maat.
10.1.11
Esnesnon 10-1-11
Goedenavond.
Terwijl vruchteloze spinsels van loze zelfreflectie wervelen door mijn geest, nu mijn hoofd en maag zich weer in het lauwe water van het zwembad in Pfaffenhoven bevinden, terwijl mijn nachten zich vullen met trage vertekeningen van het alledaagse als rap smeltende kaarsen... mijn voorstellingsvermogen op het moment geremd door lege dofheid en loomheid en mijn ledematen gevoed door zachte klei in plaats van bloed; terwijl mijn hele wezen wegkwijnt onder de absentie van zijn beheerder blijft er één gedachte overeind. Ik weet dat ik mijzelf kan genezen, en ik weet hoe: een confrontatie met de Thalys.
Ik kan mijzelf niet aan mijn eigen schoenveters uit het moeras trekken, ik heb hulp nodig. Waar zou ik die hulp moeten vinden? Stilaan begin ik in de impressie te verkeren dat mijn medemensen er minstens even hulpeloos voorstaan als ik en dat ik meer kans heb om kracht te vinden binnen in mijzelf. Maar buiten mijn natuurlijke driften is geen enkele kracht in mijzelf gelegen die niet al van anderen komt en die driften zijn noch goed bestuurbaar, noch toepasselijk, noch gemakkelijk op te wekken. Moet ik me dan wenden tot het bovenmenselijke en het bovennatuurlijke? Ik weet niet of ik mezelf kan helpen door het christelijk aan te pakken, of door een beroep te doen op de duivel, of wie weet van voor een entiteiten er allemaal in het metafysische ronddwalen. Ik maak een uitzondering voor één bovennatuurlijk wezen.
Donderdag ga ik even wat contact leggen met het bovennatuurlijke in mij. Misschien dat ik de Thalys weer kan vinden, in al zijn majesteit, kracht en roodheid. Als ik dat wezen aantref, binnenin me of ergens anders, weet ik dat ik weer mijzelf zal zijn en meer. Elke keer dat ik het beest aanschouw groeit mijn wezen. Dat is precies wat ik nodig heb.
Hugo Maat
9.1.11
Esnesnon 9-1-11
Ik trof vorig jaar in een college een jonge man die verkondigde dat vrijheid van meningsuiting totaal niet beknot hoefde te worden: hij was zelf van mening dat er niets bestond waar hij zich werkelijk beledigd door zou voelen. Hij zei het zelf niet, maar hij was blijkbaar de vleesgeworden vorm van het gezegde 'Schelden doet geen zeer.' Zijn gesprekspartner was het pertinent met hem oneens zonder op zijn persoon in te gaan en hield het als algemeen geldig punt dat niemand immuun was voor de woorden van een ander. Ik had meteen mijn bedenkingen bij zijn bewering, maar daarachter ging een soort bewondering schuil. Ik vond die ongenaakbaarheid bijzonder.
5.1.11
Esnesnon 5-1-11
Wie gelooft er eigenlijk eerlijk in de 'circle of life?'
Ik weet dat Pocahontas en Simba erin geloven, maar die figuren zijn inmiddels voor mij hun autoriteit verloren. Het is een prachtig romantisch ideaal, dat de natuur een doorlopende keten maakt, waarin ieder deel thuishoort en iedereen, net als bij een ronde tafel, gelijk is. Herbivoren eten planten, carnivoren eten herbivoren, carnivoren worden na hun dood voedsel voor planten en zo voorts, en zo verder. De mens hoort in die kringloop een gelijke plaats in te nemen en te beseffen dat men eet en gegeten wordt, dat de natuur in harmonie is.
Erg mooi, maar ook onzin. Er is geen kringloop, maar een voedselketen. Ieder levend wezen vergaat en voedt uiteindelijk in zekere zin de planten, maar dat maakt de sterkste carnivoor nog niet tot een onderdeel van de cirkel. In de natuur moeten carnivoren doden en de herbivoren vooral doodgaan, maar niet volledig uitgeroeid worden. En aan de top wordt er nog verbeten gevochten tussen de mens en de mier. Ondanks de wens om een mooi plaatje te maken van een harmonieuze natuur is het een kwestie van dood en verderf. Iedere dag zouden er hele diersoorten uit kunnen sterven en de mens, die meestal niet verder komt dan de walvis en de panda, zou het niet merken. Zolang er meer haaien in de soep verdwijnen dan mensen in haaien is er nog geen kringloop in de natuur, beste mensen.
Simba is de leeuwenkoning. Ik begrijp in dat opzicht wel zijn 'circle of life'-campagne. Het houdt natuurlijk het antilope-gepeupel koest.
Hugo Maat
3.1.11
Esnesnon 3-1-10
Goedemorgen, vanaf de universiteit. 's Ochtends. Vrijwillig.
Mijn meest voorkomende persoonlijke ethische dilemma is dat van discriminatie. Ik verdenk mijzelf er namelijk van om racistisch en homofoob te zijn, maar tegelijkertijd verdenk ik die verdenking ervan om een ongegronde zelfbeschuldiging te zijn, gevoed door een cultuur van schuldgevoel. Ik wissel tussen de opvatting dat ik een slecht mens ben, de opvatting dat ik vrij ben om alles te denken en dat de samenleving mij onterecht een schuldgevoel probeert op te dringen, de opvatting dat ik helemaal niet discrimineer maar instinctief mezelf verdedig tegen dat idee en de opvatting dat iedereen discrimineert.
Ik kan al mijn opvattingen die voor discriminatie aan kunnen worden gezien rationaliseren. Ik heb erg weinig geduld voor mensen die dwepen met hun homoseksualiteit en het niet kunnen wachten om aan iedereen duidelijk te maken, maar ik kan daar heel goed tegenover zetten dat ik ook afkeurend ben tegenover mensen die hun heteroseksualiteit continu proclameren. Het feit dat ik tegen de acties van de Israelische staat gekant ben betekent nog niet dat ik anti-semitisch ben. Ik word licht nerveus van groepen jongeren van Marokkaanse of Antilliaanse afkomst op straat als ik dicht langs ze moet lopen, maar even veel van het blanke tuig, met hun bontkragen en bleke neanderthalerkoppen. Waarom voel ik me in al die gevallen dan toch schuldig over die gedachtes? Het voelt altijd alsof ik bij dit soort situaties een beschuldigende vinger in mijn richting krijg, die mijn verdediging als loze excuses ziet. Ik zie mijzelf dan ineens als karikatuur, lijkend op een Amerikaanse politicus die met opgeheven handen claimt dat een paar van zijn beste vrienden zwart of homoseksueel zijn, en dat die het niet erg vinden.
Misschien dat ik de klachten van mij af moet richten, dat ik tegen de denkbeeldige of eventueel werkelijke minderheden die zich door mij gekwetst voelen moet zeggen dat ze zich niet aan moeten stellen. Ik denk graag dat we in een vrijdenkend land leven en dat mijn afkeer voor bepaalde mensen te maken heeft met hun gedrag en niet hun huidskleur, afkomst of geaardheid. Die mening is niet iedereen toegedaan, vooral, naar ik meen, deze minderheden. Mijn relativerende opvatting ze ook wel niet bevallen.
Pech gehad. Ik heb geen zin meer om me te verdedigen. Als iemand me per se discriminerend wil vinden, beschouw ik dat bij deze een persoonlijke mening en voor mij niet relevant.
Hugo Maat
Mijn meest voorkomende persoonlijke ethische dilemma is dat van discriminatie. Ik verdenk mijzelf er namelijk van om racistisch en homofoob te zijn, maar tegelijkertijd verdenk ik die verdenking ervan om een ongegronde zelfbeschuldiging te zijn, gevoed door een cultuur van schuldgevoel. Ik wissel tussen de opvatting dat ik een slecht mens ben, de opvatting dat ik vrij ben om alles te denken en dat de samenleving mij onterecht een schuldgevoel probeert op te dringen, de opvatting dat ik helemaal niet discrimineer maar instinctief mezelf verdedig tegen dat idee en de opvatting dat iedereen discrimineert.
Ik kan al mijn opvattingen die voor discriminatie aan kunnen worden gezien rationaliseren. Ik heb erg weinig geduld voor mensen die dwepen met hun homoseksualiteit en het niet kunnen wachten om aan iedereen duidelijk te maken, maar ik kan daar heel goed tegenover zetten dat ik ook afkeurend ben tegenover mensen die hun heteroseksualiteit continu proclameren. Het feit dat ik tegen de acties van de Israelische staat gekant ben betekent nog niet dat ik anti-semitisch ben. Ik word licht nerveus van groepen jongeren van Marokkaanse of Antilliaanse afkomst op straat als ik dicht langs ze moet lopen, maar even veel van het blanke tuig, met hun bontkragen en bleke neanderthalerkoppen. Waarom voel ik me in al die gevallen dan toch schuldig over die gedachtes? Het voelt altijd alsof ik bij dit soort situaties een beschuldigende vinger in mijn richting krijg, die mijn verdediging als loze excuses ziet. Ik zie mijzelf dan ineens als karikatuur, lijkend op een Amerikaanse politicus die met opgeheven handen claimt dat een paar van zijn beste vrienden zwart of homoseksueel zijn, en dat die het niet erg vinden.
Misschien dat ik de klachten van mij af moet richten, dat ik tegen de denkbeeldige of eventueel werkelijke minderheden die zich door mij gekwetst voelen moet zeggen dat ze zich niet aan moeten stellen. Ik denk graag dat we in een vrijdenkend land leven en dat mijn afkeer voor bepaalde mensen te maken heeft met hun gedrag en niet hun huidskleur, afkomst of geaardheid. Die mening is niet iedereen toegedaan, vooral, naar ik meen, deze minderheden. Mijn relativerende opvatting ze ook wel niet bevallen.
Pech gehad. Ik heb geen zin meer om me te verdedigen. Als iemand me per se discriminerend wil vinden, beschouw ik dat bij deze een persoonlijke mening en voor mij niet relevant.
Hugo Maat
2.1.11
Esnesnon 2-1-11
Het is weer een vlog!
Tekstuele toelichting:
Op middelbare scholen probeert men zo nu en dan leerlingen te leren plannen. Ze moeten logboeken bijhouden, krijgen 'plannen' als magisch weerwoord als ze klagen dat teveel deadlines in dezelfde week vallen. Ik heb twee bezwaren.
Een biologisch bezwaar is de langzame ontwikkeling van de prefrontale cortex, een deel van de hersenen dat pas tegen de leeftijd van 21 fatsoenlijk ontwikkeld is. Dit deel van de hersenen regelt onder andere het vermogen om over lange termijn te plannen. De leerlingen op een middelbare school kunnen moeite hebben om te plannen simpelweg omdat hun hersenen daar niet klaar voor zijn.
Een ander bezwaar, dat ik maar al te goed zelf ken, voor de rest wil ik geen namen noemen, is dat veel middelbare scholieren überhaupt niet weten hoe ze moeten werken uit zichzelf. Ze moeten aan het werk gezet worden door middel van deadlines met dreiging van lage cijfers, straf of beschamende momenten bij docenten. Ik ben van mening dat een leerling niet moet worden geacht te leren plannen zonder eerst te weten hoe hij zelfstandig werkt.
Het enige constructieve dat ik toe te voegen heb op het moment is het idee dat lerarensalarissen moeten worden verhoogd. Het vak van docent heeft een slecht imago, terwijl het een belangrijke positie is. De kwaliteit van docenten maakt erg veel verschil voor leerlingen, in motivatie en prestatie. Met hogere salarissen worden de banen populairder, ontstaat er meer keuze en dat draagt bij aan de kwaliteit van het onderwijs.
Hugo Maat
1.1.11
Esnesnon 1-1-11
Oh, malle Duitsers toch.
Die gekke Duitsers met hun fijnzinnige terminologie. Zo ook het woord Verzeitlichung: "De anachronistische neiging om moderne concepten in historische processen in te passen." Enig idee hoe lang ik daar een goed woordje voor zocht?
Jammer van de oorlog, de dikke mannen en de punktlichkeit, anders zou ik jullie geweldig vinden.
Vanaf overmorgen: Immanuel Kant en de Kritik der reinen Vernunft.
Hugo Maat
(Gelukkig nieuwjaar)
Die gekke Duitsers met hun fijnzinnige terminologie. Zo ook het woord Verzeitlichung: "De anachronistische neiging om moderne concepten in historische processen in te passen." Enig idee hoe lang ik daar een goed woordje voor zocht?
Jammer van de oorlog, de dikke mannen en de punktlichkeit, anders zou ik jullie geweldig vinden.
Vanaf overmorgen: Immanuel Kant en de Kritik der reinen Vernunft.
Hugo Maat
(Gelukkig nieuwjaar)
Abonneren op:
Posts (Atom)