31.3.11

Esnesnon 31-3-11

Ik ben niet van de gewone gezelschapspelletjes. Mijn naaste familie betreurt dit gegeven maar heeft zich er bij neergelegd. Morgenavond is een ander verhaal: waarschijnlijk zit ik dan twee en een half uur vast aan een spel dat ik niet bijster leuk vind met mensen die mij steeds minder interessant voorkomen. Ik heb nu drie zinnen geschreven en ik weet gelijk zeker dat vandaag een hele duistere en langzame dag gaat worden. Het is nog niet eens negen uur. De overgang van middelbare school naar universiteit heeft in mijn sociale leven een belangrijke verschuiving opgeleverd: ik ben meer gaan kiezen met wie ik optrok. Voordien was mijn kennissenkring vooral bepaald door de school waar ik op zat, wat feitelijk betekent dat je als groep mensen elkaar kent omdat je in een bepaalde omgeving woont, van ongeveer gelijke leeftijd bent en een bepaald opleidingsniveau doet. Niets kwaads over die mensen, ik heb ze allemaal leren waarderen om wie ze zijn, maar tegenwoordig onderhou ik nagenoeg geen contact meer met ze. Ik kom ze niet meer tegen op basis van de onderwijsgemeenschap en doe er zelf niet echt moeite voor. Morgen zit ik samen met een groep mensen, je zou de term vrienden kunnen gebruiken, die ik niet zozeer voor het kiezen had. Ik moet tijd met ze doorbrengen, en dat kweekt vaak sympathie. Maar als ik kon kiezen? Wat zou ik dan doen? Zou ik liever elders zijn? Goed, technisch gezien kan ik altijd kiezen. Hiermee bedoel ik dus eerder dat er geen aantrekkelijke alternatieven zijn en dat ik onwillig ben om me asociaal op te stellen. Ik ga er dus wel heen, maar ik heb zoveel te klagen. Ik word er niet vrolijk van omdat ik me dood kan ergeren aan de banaliteit; ik slaap slecht; het mist zowel de hippie-achtige ambiance van de mensen met wie ik op de middelbare mee omging die ik erg kon waarderen; als de extravagante waanzin van mijn toneelgroep; de mix van spanning en brallerige schaamteloosheid van een andere kring; de gedeelde interesse voor geschiedenis van, verrassing, de mensen die ik via de studie ken; kortom, het heeft geen echte ambiance en is meer moeite dan profijt. Als ik werkelijk autonoom zou handelen zou ik niet gaan. Ik hoef niet te vrezen voor eenzaamheid of voor schuld. Ik weet niet waarom ik me mee laat nemen in iets waar ik werkelijk geen voorstander van ben. Ik verwacht van mezelf dat ik, welja, autonomer ben, maar ik ben ook nogal goeiig bij tijd en wijlen. Ik weet het niet. Dat gebeurt me niet zo vaak.

27.3.11

Esnesnon 27-3-11

Disclaimer: Ik overdrijf om een punt over te brengen. Tevens raakte ik al snel in de stemming en liet ik me een beetje gaan. Daarnaast past het aanpassen van mijn eigen tirades, zeker die over mijn stokpaardjes, niet binnen mijn idioom. Met alle plezier wijs ik u op het feit dat degene die van plan is om dit blog of haar inhoud serieus te nemen de titel niet goed gelezen heeft.
Hugo Maat

Ps: Come on, hatemail!

22.3.11

Esnesnon 22-3-11

Goedenavond.

Ik vierde zojuist het begin van de lente. Dat had ik eigenlijk gisteren moeten doen, maar het was me even ontschoten in alle commotie. Ik zocht een stil plaatsje op en stak iets in brand, louter om het te zien branden. Via het magische proces van gelijkenis nodigde ik door het vuur de warmte en het licht van de lentemaanden uit in deze wereld. Het voelt voor een rationele, ascetische en cynische nihilist goed om magie te bedrijven. Het is een omkering van de gewone orde der dingen, zodat het leven dat ik normaal vind sterker wordt.

...

Het is ook alweer zover met dit blog dat ik niet meer vind te kunnen zeggen wat ik misschien zou willen zeggen. Dat is jammer. Net terwijl ik beter word in bepaalde mensen bepaalde dingen te vertellen, lukt het me op mijn eigen blog niet meer.

Hugo Maat.

17.3.11

Esnesnon 17-3-11

Well, well, well.

Vanavond heb ik me kostelijk geamuseerd. Blijkbaar heb ik anderen ook geamuseerd, want ik ben uitgenodigd om volgende week vrijdag te komen feesten in Amsterdam. Als Almeerder en non-feestbeest is dit een interessante uitnodiging, maar dat is niet precies waar ik het over wilde hebben.

Waar ik zelf mee zit op het moment is mijn cynische afbouw van mijn zelf (dit vond ik erg logisch toen ik het schreef, maar dit is mogelijk mede te wijten aan het uur waarop ik dit schrijf en de kronkels in mijn gedachten). Onlangs heeft het geleid tot het interessante gevolg dat ik slechts ten dele nog in staat ben om esthetische waardeoordelen toe te kennen aan menselijke lichamen. Ik kan ze aanschouwen, man of vrouw, naakt of aangekleed, dansend of in pose, maar het doet me nogal weinig. Ik kan zelfs niet meer over mijn eigen lichaam of gezicht zeggen of ik het mooi vind of niet. Mijn lichaam is voor mij niets meer dan een verbeelding, een pictogram of icoon van wat ik als mijn persoon beschouw. Ik weet dat het mij voorstelt op dezelfde manier dat ik de symbolen die mijn naam vormen in het westerse alfabet herken als iets dat 'mij' uitdrukt. Als ik mijn gezicht zie in een reflectie zie ik een hoop, maar ik zie niet iets dat ik mooi of lelijk vind. Het is er gewoon, en het is mij. Dit fenomeen strekt zich uit naar feitelijk alle mensen. Als mensen mij vragen of ik persoon X fysiek aantrekkelijk vind, of niet eens een suggestie doen maar gewoon willen weten wat mijn algemene voorkeur in het uiterlijk van mijn medemensen is, weet ik niet goed wat ik moet antwoorden. Al mijn lichamelijk-esthetische meningen zijn niet langer gebaseerd op uiterlijk.

In plaats daarvan ga ik uit van emotionele betrekkingen. Ik vind, om het op neutraal, enigszins anoniem en gemakkelijk gebied te houden, de gezichten van mijn ouders mooi. Maar dat komt omdat ik in hun gezichten bepaalde mensen herken en ik die mensen 'mooi' vind op een ander vlak dan het esthetische. Ik kan me moeilijk een menselijk lichaam voor de geest halen dat mooi is. Ik zie alleen maar biologische dan wel evolutionaire voorkeuren, maatschappij-gebonden schoonheidsidealen. Ik ben té blasé om in dat verschrompelde walnootje dat ik tot mijn 'zelf' gebombardeerd heb nog een beeld te vormen van wie ík mooi vind, op basis van niets anders dan uiterlijke kenmerken. Ik zie alleen fitness, modetrends, of wat mijn emotionele zelfrechtvaardiging mijn oordeelsvermogen oplegt. (0f eventueel het speciale gezichtsvermogen dat optreedt bij genoeg hersenschade door alcohol.) Voor de cynicus en de rationalist is er in het menselijk lichaam weinig schoonheid te vinden, vrees ik.

Over dat laatste ben ik bezig met een stappenplan, van alle fases die een mens kan doorlopen om zich los te maken van de wereld van gevoel en oppervlakkigheid. Het zijn allemaal niet bepaald aan te raden ontwikkelingen, maar goed. Stap één is het onder controle krijgen van de lach. Als een mens eenmaal in staat is om lach, al dan niet slappe lach, te bedwingen, is de grootste strijd al gestreden. Het is een kwestie van het zelf vertellen dat er niets grappig is aan wat er gebeurt, en die stem alle geluiden van buiten doen overstemmen. Daarna kunnen allerlei andere emoties eraan geloven, maar alleen in termen van presentatie. Dieper liggende emoties zoals liefde, haat, depressie of geluk kunnen niet goed worden vernietigd door ze te negeren, maar oppervlakkige uitingen als woede, meligheid, angst, kunnen worden vernietigd door een innerlijke stem de wereld te doen overschreeuwen. Zo lang er maar een spoortje helderheid en kalmte in de geest aanwezig blijft kan dit kleine beetje zich over het gehele brein verspreiden en het overnemen. Ik ben nu aan het trainen om ervoor te zorgen dat het kleine beetje daar altijd is en blijft... die controle bevalt me.

Voorlopig moet ik eigenlijk stoppen met drinken voor ik iets over controle wil zeggen, maar dat is een ander verhaal. AFK.

Hugo Maat

Esnesnon 17-3-11

8.3.11

Esnesnon 8-3-11

Goedemorgen.

Drie observaties op de vroege ochtend: op de keukentafel ligt een NRC-magazine van afgelopen weekend, met een prominent artikel over de 'Bieber-fever'; de krant op de mat gaat over de tactiek achter de succesvolle PVV en op station Zuid (20.000 betalen) liepen drie kleine kinderen rondjes over de stenen zitplaatsen, met gemaakt-bekakte stemmen zich beklagend over 'de jeugd van tegenwoordig,' zodat mijn eigen mijmeringen over 'de jeugd van tegenwoordig' een scherp parodiërend trekje oppakten en ik vervuld raakte van zelfspot, geconfronteerd zijnde met deze onbedoelde kritiek van een stel minderjarigen. Wat deze drie dingen met elkaar verenigt is dat ze allemaal bijdragen in mijn idee dat ik de samenleving niet begrijp.

Dat wil niet zeggen dat ik alles wat er vandaag de dag gebeurt onverklaarbaar vind. Ik vind zelfs dat ik het uitstekend kan verklaren, arrogant als ik ben. Mijn gebrek is dat ik, om filosofisch genuanceerd te spreken, het niet kan verstehen. De wereld van vandaag de dag is voor mij zo afstandelijk geworden dat ik alleen nog in een cynische, spottende en hooghartige toon erover kan praten. Ik liep een paar dagen terug voor de verandering van het station een andere route door het bruisende winkelcentrum van de wereldstad Almere, en dan niet de nieuw aangelegde terp met alle nieuwe modezaken, maar door een minder modern deel, en ik snapte de mensen op straat niet. Ik had in mijn dagelijkse belevenis niet eens voor ogen dat ze bestonden. Hier staat dan een groepje tieners in hun bontkraagjes te converseren en daar lopen twee huisvrouwen over straat, plenty allochtonen overal, alleen uiterlijk te onderscheiden van de mensen met Duitse wortels, en daar verderop is een kroeg en nog een kroeg, een winkel voor erg goedkope kleding of zaken met onduidelijke verzamelingen... dingen? Ik hoor ze met elkaar praten, maar mijn cultuurfilter verandert ieder woord in grijze ruis. Ik weet op dat moment zeker dat ze het nergens over hebben, dat niemand het ergens over heeft, en dat ik mijn visie van de wereld als zo oneindig veel breder en scherper beschouw dat het geen zin heeft om het ze uit te leggen.

Ik kan al hun sociale handelingen op een afstandje, als een soort vogelspotter, verklaren in termen van lage cultuur, een poging erbij te horen en het erkennen van hiërarchieën in de betreffende groepen. Het heeft alleen geen zin, want ik kom er niet écht in. Ik ben voor hen verpest door de filosofie, de literatuur en de Hochkultur. Ik heb meegemaakt dat mensen met een 'deficiënte vooropleiding' geweldig tegen mij opkijken om vervolgens tegen mij te zeggen dat ik ontzettend veel slimmer ben, wie zou er niet arrogant worden? Als men zich zodanig aan je intellectuele voeten werpt? Wat is er mis met mij dat ik zo anders ben, dat ik wél oh zo intelligent ben? Heb ik een superieur gen? Nee, dat is taboe. Ik heb wel een verklaring maar die werkt alleen voor mij en is ook alleen zinnig voor mij want ik ben de enige die de vraag stelt.

Resultaat: ik voel me alleen. Ik kijk teveel op afstand naar mensen. Ik krijg het niet voor elkaar mensen te respecteren die zichzelf positioneren, bewust of onbewust, als beperkt in horizon of simpelweg dom. En dit is geen kwestie van hoge tegen lage cultuur, hoewel ik het tot zover over mensen uit lagere sociale en (misschien wel dus) intellectuele milieus heb gehad. Ik snap niet alleen de Bieber-fever en de PVV niet, maar ik veracht tevens hipsters en hippies; beschouw de hedendaagse studentencultuur als verdorven; keer me tegen het consumentisme zonder om de natuur of de klassenstrijd te denken; ik hou noch van mainstream noch van underground. Ik vermag IEDEREEN op een afstandje te bekijken, inclusief mezelf. Zelfs mijn ivoren toren bezie ik door een verrekijker of op een schilderij aan de muur.

Soms wil ik me om precies die reden opkrullen, tegen een warme hartslag aannestelen en hopen dat de zon nooit opkomt. Nooit meer.

Excuseer.