31.12.11

Esnesnon 31-12-11

En in de vroegste vroegte van de ochtend van oudejaarsdag keek ik in de spiegel.

Oh my God. Zijn dat rimpels? Zijn dat echt rimpels in mijn voorhoofd?

Ik durf niet meer tegen mijn spiegelbeeld te praten sinds ik mijn spiegelbeeld vertelde dat ik wel eens tegen mijn spiegelbeeld praat. Dat was absoluut het meest zielige moment dat ik in tijden heb meegemaakt. Welnu, sindsdien kijk ik mezelf zwijgend aan. Ik ben verbaasd maar kan de verbazing niet van de vermoeide ogen van mijn spiegelbeeld lezen.

Is dat het gezicht dat ik al jaren zie? Ik zie die kop als het goed is regelmatig: in weerspiegelingen op de ramen van treinen, de spiegels in mijn kamer, toiletten op de universiteit. Het is niet alleen het haar dat anders is, dat weet ik zeker. Er is iets anders aan dat gezicht. Mijn hemel, ik weet dat het rimpels zijn, het kan haast niet anders.

Op een feestje, afgelopen woensdag, vertelde iemand die ik nog nooit eerder had gezien dat ik een bijzonder expressief gezicht had. Ze had nog nooit iemand ontmoet die zoveel gezichtsuitdrukkingen kon tonen terwijl hij iets vertelde. Dit vond ik enig om te horen. Per slot van rekening, het is best leuk om te weten dat je uitzonderlijk bent. Althans, dat is leuk om te weten zolang het je niet distantieert van andere mensen, in dat geval treedt de beruchte 'eenzaamheid aan de top' in. Ik haat dat gevoel, maar de behoefte mezelf te onderscheiden wordt er niet minder om. Ik verwar mezelf.

Er zijn mensen die me gesloten vinden. Ze vinden dat ik mijn gevoelens niet prijs geef en besluiten vervolgens dat ze zelf kunnen besluiten wat die gevoelens zijn. Met die beslissing ben ik het niet eens, maar daar heb ik het misschien ooit nog over. Niet op oudejaarsdag. Ik heb overwogen om dat eens een keer heel anders aan te pakken, daar niet van. Zo nu en dan vat ik het absurde plan op om eens een keer eerlijk tegen mensen te zijn en te recht voor hun raap te vertellen wat ergens mijn insteek over is of wat in mij opkomt. Ik zal u vertellen dat ik geen genoegen schep uit de resultaten van mijn eerlijkheid. Tot zover lijk ik mensen alleen maar af te schrikken of te verwarren. De voorgaande teksten op deze site zijn een assortiment verdwaalde gedachten waarvan ik het idee heb dat ik het maar moet laten om ze in een gewoon gesprek ten tonele te voeren. Vandaar dat ze hier terecht zijn gekomen.

Misschien heeft iedereen dingen die ze liever niet zeggen. Maar in dat geval denk ik dat ik beter dan vele anderen me bewust ben van iedere niet verwoorde wens, van iedere verworpen uitspraak, van elke verlaten droom. Ik maak ze aan in bosjes tegelijk en laat ze even goed gelijk weer vallen. Na hun dood achtervolgen ze me als spoken. Ik zie hun gezichten en ik hoor mezelf de woorden zeggen die ik had kunnen zeggen.

Even ben ik stil en dan komt de vraag bij me terug die eigenlijk meteen achter het afgrijzen en de verwondering over mijn voorhoofd opkwam. Is dit nou wat het heden is? Om naar een verleden te kijken en 'nee' te zeggen? Om bewust te worden van een afwezigheid van passerende tijd, om te bemerken dat ieder moment en iedere gebeurtenis die je je voor kan stellen in het verleden ligt? Om met groeiende verontrusting te bemerken dat die vraag niet nieuw is? Ik kom niet bepaald woorden tekort om te beschrijven wat er hier en nu is, maar er is een ander kenmerk van die tegenwoordige tijd wat onbespreekbaar aanvoelt. Elke keer dat ik probeer te schrijven wordt het schrijven mijn nieuwe heden. Elke keer dat ik het probeer te vertellen wordt de vertelling mijn nieuwe heden. Ik leef in een ondeelbare staat van zijn. Binnenkort passeert die staat van zijn het moment dat universeel (ook informeel in China) als het begin van het nieuwe jaar geldt.

2011? Er is veel gebeurd. De wereld maakte allerhande zooi mee. Interessant als de wereldtoestand moge wezen, voor mij is dit jaar het eerste jaar dat ik me oud begon te voelen. En dat terwijl ik daar eigenlijk nog veel te jong voor ben. Ik voel me oud en moe. De hele wereld is onwerkelijk geworden. Ik ben vervreemd van mijn medemens, mijn eigen gedachten en nu zelfs mijn eigen gezicht.

Ik val stil, en mijn onherkenbare spiegelbeeld met mij. De wereld maakt een hels kabaal.

Hugo Maat

22.12.11

Esnesnon 22-12-11

Goedenavond.

Nu, zo dicht bij het meest duistere deel van het jaar, wil ik iets schrijven over een dieptepunt uit mijn eigen leven. Het staat me nog helder voor de geest, hoewel het pad dat me daar geleid had me nog steeds niet helemaal duidelijk is. Ik durf niet te denken wat het verhaal achter dat moment is, omdat emotionele momenten vijandig zijn aan heldere gedachten. In een oogwenk spreek ik mezelf meermalen tegen en een verklaring lijkt altijd te verbergen of te omzeilen wat op dat moment het middelpunt was waar alle ellende zich om wentelde. Ik ben een vijand van de onherleidbare ervaring omdat ze ondeelbaar en asociaal is, omdat er geen fatsoenlijk gesprek over gehouden kan worden. De hele opzet om iets te schrijven over een bijzonder negatieve persoonlijke ervaring is strijdig met die opvatting, en deze opzet is op die manier ook strijdig met zichzelf. Dit probleem behandel ik, zoals het meestal gaat, met een overpeinzing.

Er is een opvatting over trauma en verhaal die stelt dat trauma's (in dit geval interpreteer ik mijn ervaring maar even als zodanig) door een verhaal kunnen worden opgenomen: een trauma kan worden opgenomen in de 'narrative' van iemands identiteit en zo opgelost worden. Ik weet nog niet precies waar dit idee vandaan komt, maar ik ben het er niet mee eens. Om een trauma in een verhaal te veranderen lost de ervaring niet op. Een ervaring, puur persoonsgebonden, individueel en onherleidbaar, is onverenigbaar met de per definitie gedeelde taal. Een ervaring verandert niet in taal. Taal dient als een vertaling, wat niet wil zeggen dat de bron verdwijnt. Los van het principe van 'lost in translation' of mijn favoriet 'adaptation decay' is de brug tussen ervaring en taal vooral groot omdat taal altijd een subject-object relatie aangaat, die bij een dergelijke ervaring niet bestaat omdat gevoelens zich in het subject afspelen, wat zichzelf niet goed kan objectiveren. Om dat te doen zou de mens boven zichzelf moeten kunnen staan, maar zolang de mens zichzelf is gaat zoiets niet. Dus, taal is een geborneerde vertaling van iets dat feitelijk onbespreekbaar is, en vertalingen betekenen niet het verdwijnen van hetgeen vertaald is. Ik hoop dat ik te volgen ben.

Als een mens een verhaal componeert over een ervaring blijft die ervaring bestaan, die blijft 'echt' in de Stoïsche zin (het wordt beïnvloed door andere zaken en het beïnvloedt andere zaken) terwijl het verhaal in de vorm van taal een eigen leven begint te leiden. Trauma's worden zo niet opgelost, ze worden niet verweven in de 'narrative' van een identiteit, er wordt een poging gedaan ze weg te moffelen door erover te praten of te schrijven totdat het lijkt alsof het verhaal de ervaring ís en de oude, taal-vrije versie weg kan kwijnen. En zoals bekend met onderdrukte trauma's lukt dit niet altijd. Ergens over praten is in een aantal gevallen geen oplossing, maar een vlucht uit de werkelijkheid.

Wat rest dit mij, met mijn voornemen om iets te zeggen over een eigen onherleidbare ervaring? Ik beschouw de scheiding tussen ervaring en taal als onoverkomelijk: de taal is een eigen wereld met eigen regels, wat ons mensen in staat stelt het als platform te gebruiken voor deelbare kennis en andere nuttige zaken. Ik ben een fan van taal, het idee, het principe en de uitvoering. Ervaring moet buiten al het nuttige en het zinnige worden gehouden - de poging is zinloos en zorgt voor onnodige verwarring. Mijn ervaring kan ik niet delen, ik kan alleen een gesublimeerde versie leveren die in mijn logische denktrant gebruikt wordt. Misschien doe ik dat om de ervaring te doden, misschien bij wijze van gedachte-experiment, misschien gewoon in de wens om wat te schrijven waarbij dit onderwerp gewoon het volgende is dat de revue passeert.

Om in te beelden: iemand zit met opgetrokken knieën op een tafel, bevend van de kou te huilen. Het is vergelijkbaar met iemand die probeert te stoppen met roken en op het vriespunt van de koude kalkoen zit, ware het niet dat de persoon in kwestie niet rookt. De sigaren die hij al maanden heeft zonder ze te roken zijn in handbereik, maar de persoon in kwestie ontzegt zichzelf de tabak. Hij zegt tegen zichzelf dat in eenzaamheid roken een teken van zwakte is. De fles wijn staat binnen een afstand van tweemaal handbereik. Zonder dat de tranen afnemen zegt de persoon tegen zichzelf dat in eenzaamheid drinken ook zwak is. Hij overziet de ruimte door wazige ogen en ziet alle voorwerpen: uitgetrokken schoenen, een stoel, een oude spiegel, een boek, een deur: allemaal dingen die gegooid of geslagen kunnen worden, misschien zelfs gebroken. Misschien is het een manier om jezelf te verwonden. Hij doet niets en blijft zitten huilen. Woede-uitbarstingen en geweld tegen levenloze voorwerpen is zinloos en zelfverwonding uit zelfmedelijden of frustratie is zwak. Zelfmoord valt onmiddellijk af. Zwak. Zeuren bij iemand? Slap. Heel veel eten en alles uitbraken om vervolgens ziek te melden? Laag, walgelijk, zinloos en zwak. Helpt niet. Mag niet. Hoort niet. Werkt niet. Zwak, laf, nutteloos, waardeloos. Kan niet. Wil niet. Moet niet. Zwak, zwak, zwak. "Er zat een klein zigeunermeisje, huilend op een steen. Huilend, huilend, hele dag alleen. Sta op, zigeunermeisje, droog je traantjes af, en kies een kindje uit de kring waarmee je dansen mag." Stop met dat zelfmedelijden, nergens voor nodig. Mag niet, hoort niet. Volgens mij overdrijf je best wel heel erg. Zwak.

En je zit daar, wachtend tot de storm in een glas water overwaait. De dag erna zijn er weer mensen die een glimlach willen zien.

Hugo Maat

14.12.11

Esnesnon 14-12-11

Good lord.

Zoals ik ooit ins blaue hinein tegen iemand zei, tijdens een Turks ontbijt: 'Terwijl je even voor je uit staarde zijn er drie maanden voorbij gegaan.' De amusementswaarde was gelegen in verrassing, niet in een oordeel over de lengte van het staren. Nu, echter, krijg ik de neiging om het over mezelf te denken, of te verwachten dat het over me gezegd wordt. Die ettelijke uren die ineens vervlogen zijn met niets anders dan half bewustzijn en gedachten die nooit helderheid bereiken: ik heb het dit jaar nog niet vaak zo erg gehad. Het is alsof ik probeer een huis te bouwen zonder te weten hoeveel mensen erin moeten wonen, waar de materialen zijn, om vervolgens een plan op te zetten voor de bouw van een kantoorpand om dat vervolgens weg te gooien. Ik heb wat ik al dacht en in eerdere tijden geformuleerd heb, maar de volgende stap ligt buiten mijn bereik. Zou ik op een tweesprong staan, dan viel het nog mee. In dit geval weet ik niet waar de wegen lopen - deels omdat ik hun bestaan betwijfel. Maar ik dwaal af. Mijn gedachten staren evenzeer als mijn gezicht dat alleen maar die gedachten volgt.

Moet ik dan in de wereld leven, en voor de wereld? Ik voel er niet zoveel voor. We hebben zo weinig gemeen, de wereld en ik. De wereld is een plek van actie: handeling en gebaar. Ik ben steeds meer een denker, steeds passiever en ook steeds besluitelozer. De wereld heeft haar werkelijkheid, ik heb mijn constructies en bewuste aannames. En waar in de wereld besluiten worden genomen en conflicten ontstaan door botsende interesses of verlangens slaat mijn objectivering door: ik begin mijzelf als denkend mens buiten mijn opvattingen te rekenen. Ik kan niet meer iets vinden of iets denken of ik ontmantel dat gevoel of die gedachte tot analyses: 'ik denk dit want en dit persoon vindt dit want' in plaats van de zoveel helderdere mening. "You gotta have an opinion," zegt Vincent Vega tot de man op de achterbank. Helaas ben ik niet in staat om hem van repliek te dienen. Ik heb zoveel gedaan om mijn opvattingen bij te snoeien en te verwerpen omdat ze niet zuiver genoeg waren dat ik niet veel meer over heb om te vinden. Ik vind vrijwel niets meer. De wereld van mijn gedachten is geordend en leeg. Ik heb niets meer te vertellen, lijkt het wel. Een leven vol gedachten die zichzelf in de staart bijten en geen actie. Ik staar in de leegte. Het is de enige sublieme ervaring die ik heb. Ik staar en het wordt stil.

Hugo Maat

11.12.11

Esnesnon 11-12-11

Goedenavond.

Ik schrijf niet altijd om het zelf te lezen. Het op schrift stellen is voor mij een bijproduct van een specifiek type denkproces waarbij er afbakeningen en vorm moeten worden aangebracht in wat daarvoor een idee van zuiverder aard is. Schrijven nodigt uit tot reflectie, verfijning en concretisering van de gedachte. Reflectie omdat ik veel sneller denk dan ik schrijf (of praat, maar daar spelen andere factoren nog meer een rol), waardoor mijn gedachten ver genoeg op de tekst vooruitlopen om alvast te denken aan wat komen gaat en hoe dat erin past; verfijning omdat een tekst veel meer mogelijkheden heeft tot structuur dan een ongebonden gedachte, die niet gedwongen is van een begin tot een eind te lopen of samenhang te vertonen; concretisering omdat een tekst een communicatiemiddel is en net als alle vormen van communicatie in staat moet zijn begrepen te worden door andere mensen. Ondanks dat laatste schrijf ik niet altijd om daadwerkelijk te communiceren. Meestal schrijf ik om communicabiliteit aan te brengen in een idee dat vervolgens een idee blijft, maar wel helderder en beter geïntegreerd in andere ideeën zal zijn.

Deze toepassing van schrijven heeft me een aantal stukken tekst opgeleverd, onder andere een behoorlijk aantal van de teksten binnen dit blog. Onlangs stuitte ik nog op een stuk dat ik in dezelfde geest neerpende, ongeveer drie jaar geleden. Het was op de eerste bladzijde van een (toen al) oud schrift dat vrijwel niet gebruikt was. Ik ben er onlangs weer in gaan schrijven voor andere doeleinden, maar deze eerste bladzijde kom ik elke keer weer tegen. Het verontrust me hoezeer ik nog begrijp wat er staat, hoezeer ik het er nog mee eens ben, en dat de problemen die ik voor mezelf uiteenzette nog steeds gelden. Als een idee over een spanne van jaren nog steeds opgeld doet en even begrijpelijk is vind ik dat ik mag concluderen dat het een serieuze gedachte is. Voor mij is het nieuw: een constante tendens in mijn denken. Voor mij toont het aan dat ik dit soort dingen vooral schrijf voor mezelf. En al lees ik zelden wat ik zelf geschreven heb, al deze teksten zijn waardevol materiaal voor de sporadische zoektocht naar wie ik ben - in plaats van wie ik kies te zijn. Maar ik betrap mezelf al op schandalige vaagheid. Ik moet ook toegeven dat zoiets een dwaze onderneming is.

De eerste zin blijft me verbazen omdat ze multi-interpretabel is: "Nietzsche had een punt, hij ging alleen niet ver genoeg." Ergens in 2008 schrijf ik deze woorden op en ik kan me goed voorstellen dat de rest van de tekst minuten op zich heeft laten wachten. En daar is de tekst onvolkomen en inferieur aan de gedachte. Toen ik het schreef moet ik alles begrepen hebben, stel ik me voor. Nu ik het lees kan ik alleen datgene vinden dat ik nagelaten heb: de concrete versie van die gedachte. Wat er staat is taal, geen persoon. Dat onderdeel kan ik alleen construeren, inbeelden, maar niet ervaren. Net zoals ik nu de storm der gedachten voel razen in mijn hoofd om de schamele woorden heen en ooit op een dag terug zal kijken en als spoor alleen gesublimeerde overdenking heb.
Er is zoveel dat ik niet zeg maar wel weet. Ik begin er niet aan. Ik raad het iedereen ook ten zeerste af.

Hugo Maat

7.12.11

Esnesnon 7-12-11

Gegroet.

Ik wil enkele dingen zeggen over het onderwerp ervaringen. Dit is niet bedoeld in de zin van 'dingen die ik heb ervaren' - het tegendeel zelfs, maar daar kom ik zo op, of 'dingen die anderen hebben ervaren' maar meer in de brede, abstracte zin. Ik ben tot deze mijmeringen gekomen door een filosofische discussie enkele dagen terug. Als ik mijmer is dat niet in de vorm van een twijfel. Ik twijfel immers nooit. Mijn mijmeringen zijn een zoektocht, of een bouwproject. Er zijn zaken die ik voor waar aanneem, zaken die ik niet voor waar houd en dingen die nog onbepaald zijn, en van die drie zaken bouw ik een opvatting. Een discussie, zoals die van enkele dagen terug, is een startpunt; het dient als het kavel waar ik op kan bouwen. Het proces kost tijd en in veel gevallen vind ik een lange tijd na het begin van de bouw nog nuttige bouwstenen - om de basis mee te versterken of om de muren hoger te maken.

De discussie ging over een specifiek soort ervaringen: niet die van het zintuiglijke soort waar we allemaal bekend mee zijn, maar 'historische' en 'sublieme' ervaringen. Om alvast op de zaken vooruit te lopen: ik geloofde er geen snars van. Een historische ervaring is een direct contact met het verleden dat iemand onverwachts overkomt en bovenal authentiek is. Een sublieme ervaring is een ervaring van het zelf gelijk aan de ervaring van de wereld, voortgebracht door een paradox van cognitieve vermogens en heeft een overweldigende uitwerking. Ik heb nog nooit één van beiden meegemaakt, waarop mijn opponent met een licht lachje opmerkte dat het een zekere Romantische instelling vereist. Dat ik het nooit heb meegemaakt is natuurlijk een uitstekende reden om me ervan te betichten dat ik niet weet waar ik het over heb, maar ik meen het tegenovergestelde. Ik beschouw een 'historische ervaring' simpelweg als een illusie van iemand met een Romantische instelling die niet in staat is om zijn fantasieën te onderscheiden van de werkelijkheid - twee zaken die geen direct contact met elkaar hebben.

Mijn vooronderstellingen, oftewel de fundamenten van mijn opgebouwde opvatting: er bestaat een werkelijkheid onafhankelijk aan ons denken. Ervaringen zijn subjectief, ondeelbaar, feilbaar, en vereisen een zintuiglijk verband met hetgeen ervaren wordt. (Dat wil zeggen dat een natuurwetenschapper geen elektron ervaart, dat Sherlock Holmes bij een plaats delict geen misdaad ervaart, en dat een toerist in Brugge niet de Middeleeuwen ervaart.) De eerste laag van het bouwsel is de 'historische ervaring' onmiddellijk vijandig gezind. In de eerste plaats omdat het verleden niet ervaren wordt. We treffen sporen en restanten en bouwen daaruit een beeld op. We deduceren informatie uit zintuiglijke gegevens: teksten over of uit het verleden, een potscherf hier en een oud kasteel daar, om het maar even makkelijk te stellen. Dit moet omdat er tussen de observant en het verleden een barrière staat, de zogeheten spatio-temporele context. Makkelijk gezegd: historische toestanden en gebeurtenissen zijn op een andere plek en in een andere tijd en daarom niet te observeren. We kunnen Caesar niet ervaren, ten eerste omdat hij al lang dood is en ten tweede omdat hij vooral rond de Middellandse Zee hing. We ervaren zaken zoals tafels, buikpijn en telefoontjes omdat ze bij ons in de buurt gebeuren (zonder de Alpen ertussen, bijvoorbeeld) en omdat ze erg kort geleden of in het heden plaatsvinden (rekening houdend met de tijd die het kost voor de zintuigen om de afgeketste fotonen of veroorzaakte trillingen waar te nemen). Als 'ervaringen' die niet uitgaan van zintuiglijke waarnemingen geen ervaringen zijn, wat zijn ze dan wel? Ik heb het deels al gezegd: illusies. Het zijn Romantische fabricaties die voor ervaring worden gehouden.

Mijn 'fundamentele opvatting' heeft een tweede probleem met met het idee van 'sublieme' of 'historische' ervaringen: het feit dat deze incommunicabel en onkenbaar zijn. Ze leveren geen bijdrage aan kennis. Nou hoeft dit geen probleem te zijn - tenzij je toevallig een opleiding volgt tot historicus en kennis over het verleden te krijgen, te maken en te presenteren het doel van je toekomstige vak is. In dat geval is het belangrijk om alle 'historische ervaringen', al waren ze echt te verwerpen als schadelijk voor het wetenschappelijk proces. Het geweldige en nuttige aan bijvoorbeeld een Middeleeuwse oorkonde of een potscherf is dat ze niet voorbehouden zijn aan één persoon (ervaringen zijn niet deelbaar en volkomen subjectief) en dat iedere uitspraak die op basis van observatie van deze bronnen wordt gedaan gecontroleerd kan worden door een ander die hetzelfde voorwerp kan 'ervaren'. De feilbaarheid van menselijke kennis en ervaringen (oh boy, ga me niet vertellen dat ik hier voorbeelden bij moet geven) maakt het communiceren en controleren van bevindingen een voorwaarde voor het proces van wetenschap. 'Peer control' heet dat met de meest gangbare term. Het feit dat wetenschappers elkaars onderzoek kunnen bevestigen of ontkrachten geeft meerwaarde aan hun werk. Dit is ook precies waarom wetenschappelijke teksten annotaties hebben. Ervaringen, hoe authentiek ze ook zijn, kunnen niet geannoteerd worden, niet gecontroleerd, en zijn anti-wetenschappelijk. [1]

Ook nog even iets over sublieme ervaringen. Onder andere Kant heeft hier iets over geschreven, wat ik ten zeerste betreur. Het wordt beschreven als een paradoxale ervaring, van de strijdigheid van cognitieve vermogens. Kant geeft als voorbeelden het plein van de Sint-Pieter, de Piramiden, de rollende donder of de kolkende zee. Helaas voor mijn grote waardering voor Immanuel Kant, maar dit is onzin. (Zoals ik enigszins gestoken tijdens de discussie uitriep: "Ik ben nog bij de Sint-Pieter geweest. Niks gemerkt!") Een paradox in een ervaring staat bij mij te boek als een cognitieve dissonantie. Het wordt veroorzaakt door de neiging van ons verstand om complete plaatjes te maken uit gedeeltelijke waarnemingen. Die neiging is volkomen noodzakelijk als je beseft hoe weinig het menselijk oog alleen al eigenlijk opneemt: probeer de volgende keer dat je met iemand praat eens je ogen dicht te doen en dan te kijken of je verschillende onderdelen van het gezicht nog voor de geest kan halen: hoe zag de mond eruit, hoe de ogen, hoe de oren? Je hersenen geven maar een klein deel echt aan je mee, de rest is constructie. Zo gaat het ook met totaalplaatjes: als we een dobbelsteen in onze hand houden verwachten we de vierkante vorm ook te kunnen zien zodra we deze voor ons houden. Als we cola proeven verwachten we dat deze vloeistof ook zwart is. Cognitieve dissonantie treedt op wanneer twee onverenigbare verwachtingen betrekking hebben op hetzelfde. Een hap patat nemen terwijl iemand onopgemerkt het zout heeft vervangen door suiker: dissonantie. Een beer van een vent die een hoog vrouwelijk stemmetje heeft: dissonantie. Geen sublieme ervaring, gewoon een verwachting die bij de neus genomen wordt en even schrikken. Ten grondslag daarvan ligt een hele normale en verklaarbare werkelijkheid. Misschien dat je ergens de blauwdrukken van de Sint-Pieter kunt vinden zodat je kan zien dat het alleen maar een heel erg groot en (vind ik) indrukwekkend gebouw is. Niet een onoplosbare paradox.

Ik denk dat ik op dit punt van bouw (eerste verdieping staat) wel even kan stoppen voor een bredere blik. De uitspraak die ik eerder noemde, dat historische of sublieme ervaringen een zekere Romantische instelling vereisen en dat ik er daarom ongevoelig voor ben snijdt hout. Ik ben bereid om me daarbij neer te leggen, maar niet voordat ik duidelijk gesteld heb dat ik best wel een gevoelig mens kan zijn maar dat ik me bij voorkeur laat leiden door logica. En het wonderlijke, het geweldige en het fantastische daaraan is dat ik kan vertellen waarom ik dat denk. Ik kan verantwoording afleggen en verklaren wat ik bedoel, omdat we taal delen. Het maakt het mogelijk het niet alleen met me eens of oneens te zijn, maar ook om dit onderbouwd te doen. Ik vind logisch denken meer dan wetenschappelijk. Ik vind het sociaal.

Hugo Maat

[1]: Dit stuk tekst is onwetenschappelijk, vandaar dat dit geen echte annotatie is.

26.9.11

Esnesnon 26-9-11

'even een vraagje tussen door, hoe zou iemand dat ooit mogelijkerwijs kunnen dan, aangezien vrouwen en mannen een ander denkpatroon hebben?'

'Wat, wél begrijpen of niet begrijpen maar toch een relatie volhouden?'

'"even een vraagje tussen door, hoe zou iemand dat ooit mogelijkerwijs kunnen dan" - Ik ben benieuwd naar het 'dat' hier.
Wat is dat dat, bedoel je wél begrijpen of niet begrijpen en toch communiceren en zo.'

'denk begrijpen'

'Of ben je nu aan het testen of ik je al dan niet begrijp? Ik doe werkelijk mijn best het te volgen, maar ik wil geen verkeerde antwoorden geven.
'...Het begrijpen! Ja, dat kunnen de leden van de verschillende geslachten heus wel, maar het kost gewoon wat moeite, een goede conditionering, en soms talent.
Het is slechts ten dele biologisch bepaald - en zelfs daar kan men een beetje omheen werken. Het is ook een kwestie van sociale factoren. Denk ik.
Mind you, niets hiervan is een wetenschappelijk onderbouwde these, alleen mijn eigen speculatie.
Ik geloof dat het nuttig is als mensen een zekere mate van variatie in hun sociale leven hebben als het om de geslachten gaat. Wegens mijn CnM achtergrond heb ik drie jaar een hechte vriend(inn)enkring gehad die vrijwel uitsluitend vrouwelijk was.
Om even mijn bescheidenheid te onderstrepen denk ik dat het heel goed is geweest voor mijn persoonlijke vorming.
Er zijn namelijk grote verschillen in hoe de beide geslachten omgaan met stress, conflicten, of gewoon casual conversaties.
Groepen mensen vormen collectieve beelden over de buitenwereld en als één geslacht domineert of exclusief aanwezig is versterken de gelijke opvattingen elkaar - zeker als er polarisatie in het spel is. Een groep mannen bouwt gezamelijk erg interessante opvattingen over vrouwen en het juiste gedrag tegen deze andere mensen op.
Zodra groepen wat gemengder zijn - met name wat sekse betreft, hoewel andere voorbeelden me nu ook te binnen beginnen te schieten - wordt dit beeld, een beeld dat ieder lid van de groep beïnvloedt, genuanceerder.
In de simpelste vorm gebeurt dit omdat een man of een vrouw aan respectievelijk een groep vrouwen of mannen kan uitleggen hoe volgens hén de vork in de steel zit.
Ik ken mannen die veel te weinig gecommuniceerd hebben met leden van het vrouwelijk geslacht en vice versa... die hebben een soort blinde vlek in hun ooghoek die soms optreedt.
Ik zeg dan altijd dat het niet zo moeilijk is. Maar goed, vinden dat sociale interactie heel makkelijk kan: dat is ook weer een typisch mannenstandpunt.'

Dat wordt slecht slapen. Ook dankzij de docente die volhoudt dat alles in de dialogen van Plato opzettelijk en goed doordacht is - tegenover een docente die meent dat het heel gewoon is om "met Plato de draad kwijt te raken." Drie weken. De eerste Matrix-quote is al gevallen... het leek nog zo'n degelijk filosofie-vak.

Hugo Maat

13.7.11

Esnesnon 13-7-11

Zucht.

Gisteravond was ik aan het denken. Ik verkeerde in een staat van meditatie en contemplatie terwijl ik door de regen liep, om een uur of acht. Ik besloot dat de straat waar ik over liep feitelijk een temporeel deel van het geheel van het 'ding' straat was, zoals een plak asfalt een ruimtelijk deel is van die straat. De straat in de regen in juli voelde namelijk niet hetzelfde voor me als de straat in juni, op dezelfde manier dat ik niet hetzelfde voelde. Alles wat we hebben van de wereld zijn plakjes observaties, fases in de tijd die samengesteld worden tot het geheel van een voorwerp. Zoals ieder voorwerp wordt gezien als een geheel van zijn ruimtelijke delen, of dat nou lichaamsdelen of technische onderdelen of de blaadjes van een boom zijn kunnen we ook ieder ding beschouwen als een samenstelling van de temporele delen.

Maar heel erg veel ruimte kan ik daar niet voor maken in mijn gedachten.

Hugo Maat

4.7.11

Esnesnon 4-7-11

Goedenavond.

Het is weer een vlog. Misschien was het verstandig geweest als ik van tevoren had bedacht of opgeschreven wat ik ging zeggen. Dat heb ik niet gedaan, dus ik ben halverwege hardop aan het denken. Al is hierdoor de boodschap verwaterd, het lijkt me leuk om het er toch tussen te zetten, zeker gezien de dubbele functie van dit blog als archief van mijn eigen denken. Ik vermoed dat ik dit over twee jaar erg leuk vind om te zien.


Het is niet waarschijnlijk dat ik heel veel over Anma ga vertellen op Esnesnon. Ik moet eerst even de kunst onder de knie krijgen, veel oefenen, en daarna verplaats ik het hele gebruik naar de categorie 'vanzelfsprekendheden' zoals dat hoort bij deze traditionele methode. Ik ben wel van plan nog iets te gaan schrijven over het 'spook' van contingentie om te kijken of ik mijn gedachte ermee weer in harmonie kan krijgen.

Ik heb nog een paar boeken liggen, voor geïnteresseerden, die in principe worden opgeborgen om nooit meer te worden gezien (met uitzondering van een toekomstige opruiming, 2020 of iets in die richting). Ik zoek vanaf nu naar proefpersonen voor het oefenen van Anma, overigens. Volgens zen shiatsu zou ik mijn hara moeten ontwikkelen.

Hugo Maat

Ps: Ik word geen Oriëntalisme-fanaat hierdoor. Het Westen is nog steeds superieur in geneeskunde, kunst, wetenschap, filosofie, krijgskunst etc. Knipoog.

3.7.11

Esnesnon 3-7-11

Mijn hersenen zijn er nog niet van bewust dat het vakantie is.

Van het weekend Siddharta van Hesse gelezen, even snel, en me weer kortstondig begraven in Metaphysics van P. van Inwagen. (Ik ben tevens wat bladeren in een stuk over Gaudí, een boek over Inquisitie en een inleiding in Zen Shiatsu.) Dat leidde eerst tot een stapel overpeinzingen naar aanleiding van mijn enorme weerzin tegen de denkbeelden in Siddharta - voornamelijk over de vraag waarom ik me er tegen verzet- kortstondig tot een hoogtepunt gekomen in een steekspel over moraal, waarbij ik in de val van het cultuurrelativisme liep en nu genoodzaakt ben mijn wonden te likken en af te wachten.

Voor de dag goed en wel om was liep ik tegen een tweede op: hetzelfde probleem dat me in januari dwars begon te zitten gedurende de cursus Inleiding Ontologie van de faculteit der Wijsbegeerte. Het behelst het idee (ik moet mijn best doen het niet een 'dogma' te noemen omdat ik dan mijn rationele grip op het verhaal verlies) van contingentie. In de Metafysica bestaat de redelijk gecompliceerde kwestie (de vreemdste van alle vragen van deze discipline vind ik) van de vraag naar de reden van het bestaan. Dat is niet de vraag wat wij mensen op aarde doen, of ook maar de zin van het leven, wat een bekendere vraag is. Het is een veel hoger probleem, hoger in de zin van de orde van kennis. Waarom bestaat er namelijk überhaupt iets? Het antwoord is niet 'God heeft de wereld geschapen' of 'de oerknal' of 'a wizard did it', want dat laat nog de vraag naar God, de oerknal en de tovenaar over: die bestaan in die verklaring namelijk ook en moeten ook nog verklaard worden. Het bestaan op zich wordt bevraagd.

Contingentie, in ontologische zin, betekent de niet-noodzakelijkheid van een ding, eigenschap of gebeurtenis. Iets dat contingent is 'zou er net zo goed niet kunnen zijn.' Even zo kort mogelijk: Van Inwagen wendt dit principe aan om aan te geven dat je op die manier meerdere werelden zou kunnen voorstellen, de mogelijke of 'modale' werelden. Als in één van deze werelden iets is dat noodzakelijk bestaat, in zijn boek de Necessary Being genoemd om het neutraal te houden, volgt daaruit dat het in alle werelden moet bestaan omdat iets dat noodzakelijk bestaat onmogelijk niet zou kunnen bestaan op het moment dat je een variant aanbrengt. Dit is de verkorte weergave van het Minimale Modale Argument, misschien doe ik ooit een goede uiteenzetting.

Dit hele argument, wat ik niet verder wil bespreken in deze context omdat ik nog een aflevering Monty Python wilde kijken vanavond, valt of staat bij het contingentiebegrip. Voor mij is dit begrip iets wat Robert Pirsig misschien een 'ghost' zou noemen. Ik heb het namelijk in college ter discussie gesteld tegenover Professor R. van Woudenberg. Mijn poging een serieuze bespreking van het contingentiebegrip te beginnen werd in de kiem gesmoord: de professor beschouwde het begrip als evident en een veilige bouwsteen. Hetzelfde geldt voor Van Inwagen, die links en rechts smijt met het contingentiebegrip maar vrijwel geen woord besteedt aan haar rechtvaardiging. Gisteravond idem dito: ik trok het in twijfel en het werd van de hand gewezen omdat contingentie evident was. Het eerste échte argument viel gisteren wel, met de vooralsnog redelijk instabiele kwestie van kwantummechanica, bouwsteen van de Theorie van de Rekkelijkheid.

Ik merk onder het schrijven dat mijn gedachten nog verre van gestold zijn en dat ik me hier nog uitvoerig dwars mee ga zitten, zeker omdat ik het gevoel heb dat er voorlopig niemand is die bereid of in staat is om met mij serieus het gevecht aan te gaan hierover; om niet uit te gaan van een wat mij betreft onterechte claim tot evidentie maar te redeneren vanuit Socratische onwetendheid. Mijn vraagstuk is het volgende: er staat een boom voor dit huis, op 3 juli 2011. Als het bestaan van deze boom contingent is zou deze boom er ook niet kunnen zijn. Als dit niet zo is zou het bestaan van deze boom noodzakelijk en onvermijdelijk zijn. Afgezien van de kwestie van de kwantummechanica voel ik me op logische gronden aangetrokken tot het tweede en ben ik bereid de consequenties van die keuze te aanvaarden.

Het is een gedachte die tegenstand oproept, heb ik gemerkt. Ik vind ook dat het die tegenstand verdient en nodig eenieder uit om de geestelijke degens te kruisen.

Hugo Maat

30.6.11

Esnesnon 30-6-11

Goedenavond.

Zo. Mijn stemming is gemengd en gecompliceerd. Niets nieuws onder de zon. Niet dat ik inhoudelijke uitleg zal leveren hierover, dat kunt u met mijn vriendelijke groeten op uw buik schrijven. (Ik zal niet ontkennen dat ik erg benieuwd ben of u dat zo zal doen dat u het kunt lezen, oftewel ondersteboven, of dat u rekening zou houden met een eventuele lezer. Een spiegel zou u in het laatste geval natuurlijk niet helpen.)

Welnu. Kunst. Ik vind het een naar onderwerp, voornamelijk omdat ik mijn persoonlijke liefhebberijen aan de kant moet zetten voor een grimmige realiteitszin; een realisme waar vervolgens een dwaas en onbereikbaar verlangen uit voortkomt: alle symptomen van een crisis van middelbare leeftijd met uitzondering van het beginnende buikje en het vreemdgaan. Ik ontdek mijn eigen voorkeur, intuïtie en gevoel in de aanvallen die ik van anderen ontvang; ik zie het ongemakkelijke realisme in het standpunt, in mijn standpunt, dat zij aanvallen; en mijn werkelijke wensdroom blijft verborgen in mijn hoofd, met uitzondering van een terloopse uitspatting of eventueel dit.

Het begon allemaal bij de actuele problematiek van het afschaffen van de cultuursubsidie in Nederland. De politiek heeft zich afgewend van kunst en cultuur, de 'linkse hobby's', en ik vermoed dat ik weinig achtergrondinformatie hoef te leveren als u in Nederland woonachtig bent en een keer een krant gelezen heeft in het afgelopen jaar. Ik verkeer regelmatig in culturele kringen, voornamelijk die van de muziek, en ik word daardoor ook vaak geconfronteerd met de bezuinigingen. Niet dat ik merk dat er bezuinigd wordt omdat ik er last van heb, mijn hinder ontvang ik van de klachten die mijn lotgenoten uiten over de bezuinigingen en de problemen die zij denken te ontvangen als het zover is. Ik bevond mezelf ineens in een staat van beschuldiging toen ik niet bleek te hebben geparticipeerd aan een protestactie tegen de bezuinigingen. Dat doe ik namelijk nooit. Ik had volgens mijn aanklager niets over voor de kunsten. Mijn verdediging werd mij niet in dank afgenomen en werd terzijde geworpen. Ik werd niet rationeel bestreden maar alleen met een emotioneel salvo afgeschoten.

Mijn verdediging is als volgt: Kunst hoort niet door de overheid gesubsidieerd te worden. (Meestal word ik hier onderbroken, maar ik denk dat ik hier voordeel heb aan het medium.) Kunst is een luxe; het is geen levensbehoefte. Het is niet nodig. Ik ontken niet dat het iets moois is. Sterker nog, ik ben dol op kunst. Ik maak zelf een hoop muziek, ik doe aan amateurtoneel, hou van Nederlandse meesters en ben verliefd geworden op de barokke kerken in Rome. Meestal ben ik minder dol op moderne kunst, maar zo nu en dan kan ik dat ook waarderen. Ik wil echter wel dat men erkent dat het gewoon onnodig is. Alle functie van kunst valt onder het kopje 'Extra' en de kosten van al dit moois valt ook onvermijdelijk onder 'Extra kosten.' Wie niet vermogend genoeg is om aan kunst te komen: jammer. Werkelijk waar. Iedereen wil graag een zwembad in de tuin, maar niet iedereen kan dat veroorloven, hoe leuk dat ook is. Ja, ik vergelijk kunst voor dit doel met een zwembad in de tuin. Kunst is ongetwijfeld oneindig veel malen waardevoller en bijzonderder en onvergelijkbaar, het verrijkt ons leven, maar de populisten hebben wel gelijk: het is een hobby. Het is een liefhebberij en kwaliteit is duur. Is het alleen voor rijke mensen? Eigenlijk: ja. Kunst is cultureel kapitaal en om het te hebben moet je het kopen. Dat is erg en niet wenselijk maar het is wel waar.

De cultuursector staat op het punt zware schade op te lopen wegens twee zeer krachtige systemen die aan de basis liggen van onze maatschappij – en dit is waarom het probleem zo diep ligt. Het ene probleem is de democratie. Kunst wordt namelijk maar door een klein onderdeel van de maatschappij wordt gewaardeerd terwijl cultuursubsidie uiteindelijk wordt betaald door een regering die namens alle Nederlanders handelt. Dat maakt het steunen van kunst door de overheid in essentie moeilijk te verdedigden. Het klinkt populistisch, maar het alternatief is het bevoorrechten van een bevolkingsgroep omdat ze cultureel meer ontwikkeld zijn (en waarschijnlijk hoger opgeleid, en in vrijwel alle gevallen ook een stuk welvarender.) De tweede oorzaak is het kapitalisme. Ik zal het zo kort en eenvoudig zeggen als ik maar kan: de kunstensector is in gevaar omdat het teveel kost en te weinig verdient. Er is teveel aanbod voor te weinig vraag, dus een aantal aanbieders zullen gewoon failliet gaan. Als tien fabrikanten honderdduizend koelkasten produceren en er worden maar tienduizend gekocht gaan er gewoon fabrikanten over de kop. En ja, dat is een geldige vergelijking voor kunstenaars. Kunstenaar is een beroep en de kunst is een product, de kunstliefhebber een klant. Dit heeft de mens al eeuwen geweten, sinds de uitvinding van het professioneel artiestenbestaan in een ver en schimmig verleden. Commercieel? Ja. Dat is geen zonde. Tschaikovsky schreef muziekstukken waar hij een hekel aan had, die hem heel veel geld opleverden, die algemeen bejubeld worden vandaag de dag. Alle grote kunstenaars van de Klassieken, Middeleeuwen, de Renaissance, de barok, de Verlichting, de Romantiek, tot aan redelijk kort geleden deden het ófwel om geld te verdienen óf omdat ze al mensonterend rijk waren en het voor hun hobby deden. Het is een probleem van hedendaagse normen en waarden dat men vindt dat kunst daar boven hoort te staan. Dat is namelijk helemaal niet per se waar. Als u kunst wilt hebben of beleven, trek dan de portemonnee, is mijn devies. Een verstandig kunstenaar (het ideale hedendaagse voorbeeld is André Rieu, met zijn walgelijke stronthappende grijns) doet wat hij kan om zoveel mogelijk geld binnen te halen, of door de grootste menigte te behagen (de popmuziek-approach) of door een publiek te vinden dat er erg veel voor betaalt (het principe dat bijvoorbeeld de kunstveilingen in leven houdt.)

Maar zoals ik al zei: ik vind het een grimmige realiteit. Idealiter schaffen we de democratie af en laten we het gepeupel niet langer beslissen over belangrijke dingen. Ik behoor tot de groep van de kunstenaars. Ik zit in de culturele en intellectuele elite, mij zal niets ontbreken. In plaats daarvan probeer ik een zakcentje bij te verdienen door voor mensen met geld cultureel kapitaal te leveren. Daar ligt de toekomst in. In het beste (niet-realistische en alleen gedroomde) scenario wordt het land gedomineerd (niet alleen geregeerd) door de mensen met het meeste geld die intellectueel en cultureel ontwikkeld zijn of op zijn minst daar geld in steken.

Ik word hier naar van. Ik word er heel naar van.

Hugo Maat

17.6.11

Esnesnon 17-6-11

Moment, sms.


Ja. Nee, ik denk dat ik hem heb. Even kijken.


Afgelopen dinsdag verzeilde ik in de banale conversatie over welke Hollywood-actrice het aantrekkelijkst was. Dat kwam na mijn bewering dat Megan Fox, de dame van de nieuwe Transformers-films en de tiener-slasher-thriller Jennifer's Body, niet aantrekkelijk was. Dat is onconventioneel, een omvangrijk deel van de testosteronisten, vooral rond mijn leeftijdscategorie, is dol op haar en ik meen dat ze een soort van sekssymbool is. Daar heb ik geen last van. Ik kan me eventueel laten overtuigen door anderen dat een bepaalde actrice een leuk smoeltje heeft, maar dat fenomeen heeft ook grenzen. Een korte evalutatie van de walk of fame vertelt me dat ik absoluut ongeïnteresseerd ben in de parade aan oh zo knappe of sexy acteurs en actrices. Ik heb altijd een lijst met klachten klaar, tot aan het subversieve 'te onmenselijk in perfectie dus eng' maar zelfs zonder kritiek te hoeven uiten heb ik ook gewoon een algemeen 'meh.' Het is niet eens uit overtuiging of uit ratio: de verschijning van een actrice (of acteur, for that matter) op een scherm maakt niets in me los, noch in mijn Vitruviaanse venustas-zintuig, noch in mijn fysieke of mentale lendenen, excuses dat ik ter sprake breng.


Mijn verklaring: ik vind het stupide, kortzichtig, oppervlakkig, smakeloos en ronduit zonde om mensen op hun fysieke verschijning te beoordelen. En nee, dat is niet omdat ik vind dat het alleen om het karakter gaat. Ik heb wild aantrekkelijke mensen gekend met een gruwelijk rotkarakter en mensen die absoluut geweldige personen zijn maar met wie ik nooit een intiem moment zou willen delen. Mijn oppervlakkigheid gaat erg diep. Wat ik daarmee bedoel is dat er aan een mens als esthetische entiteit veel meer te beleven valt dan alleen zichtbaar uiterlijk. Stel je voor dat je naar een klassiek orkest gaat en een uur lang naar een symfonie gaat luisteren, om dan dat hele uur alleen naar de tweede violen te luisteren! Misschien zijn het hele mooie violen en kunnen ze het allemaal heel goed, maar is er niet veel meer te beleven? Zou een recensie van die voorstelling op basis van dezelfde observatie niet ontzettend suf zijn? Ander voorbeeld: stel je krijgt een gigantisch toetje, een soort hypothetisch superdessert dat absoluut om te kwijlen is, met vuurwerk, glimmend bestek en uren om het stukje bij beetje op te snoepen, het culinaire hoogtepunt in je leven bereikend tot de tranen in je sokken lopen, (excuses voor de excursie naar de superlatieven) en je eet de slagroom. Alleen de slagroom. Met een plastic lepeltje. Waarna je tegen de verbijsterde kok zegt dat de slagroom echt heel erg lekker was. Kom op nou!


De mens is toebedeeld met een hele set zintuigen en een menselijk lichaam kan worden waargenomen met elk van hen. De hartslag en ademhaling is hoorbaar. Een kus is een smaaksensatie. Elk mens heeft een lichaamsgeur met een compleet palet en melange, rijker in diversiteit dan de wereld van de wijnproeverij ons levert. Daarbij zijn de menselijke feromonen ook nog onbewust waarneembaar, met een ander zintuig dan andere geuren. De warmte van een blos is meer dan een verkleuring van de wangen. Wie zijn ogen sluit kan bovendien ook zijn handen laten kijken, naar het eindeloze wonder van een levend wezen, bewegend, groeiend, kloppende aderen en rillingen over de rug... Ook zonder gelijk in allerlei onbetamelijkheden te vervallen is het mogelijk om een mens waar te nemen als meer dan een plaatje. Is het vreemd dat ik ontevreden ben met een oordeel over aantrekkelijkheid van een mens terwijl ik maar een klein aspect kan zien? Dus nee, ik vind geen van de celebs (BN of import, man of vrouw, jong of oud, zwart of wit, groot of klein en meer tegenstellingen) aantrekkelijk. Ik schort mijn oordeel over Megan 'Boring Fanservice' Fox op tot ik haar vastgehouden heb.

Heh.

Hugo Maat

Esnesnon 16-6-11

Goedenavond.


Ik ga zitten op een klapstoeltje dat harder aanvoelt dan het betonnen perron waar ik net aan begon te wennen. In mijn hoofd klinkt het gejeremieer van een week terug, dat zelfs de stoelen van de eerste klas in een sprinter zitten als houten planken. Het gezeur in mijn geheugen voegt zich in een samenzang met het gezeur in mijn achterste, een hoge en een lage stem, met een enkele dissonant als de trein zich weer in beweging zet en ik het tempo van het typen doorbreek.


Het is op momenten als dit dat ik me pijnlijk bewust word van de kracht van het onderbewuste, aan alle invloeden waar het deel van de hersenen dat we collectief hebben geïdentificeerd als een persoon, een bewustzijn geen grip op heeft. Of zoals het voor mij voelt, opgevoed als ik ben, invloeden waar ík geen controle over kan uitoefenen. Het is evengoed onderdeel van mij, op dezelfde manier waarop mijn teen van mij is als ik 'mijn' teen stoot. Het is correct om te beweren dat ik me stoot, alsof het mijn gehele lichaam en hoedanigheid betreft, hoewel het alleen mijn teen is die contact legt. Het is ook mijn pijn, als deze botsing hard genoeg is. Zo is honger en vermoeidheid, uitputting en ergernis van een dag vol eenzaamheid en moeizame studie allemaal mij. Ik ben die dingen, het is niet iets dat me overkomt zoals een virus dat zich als vreemdeling in me nestelt. Al die toestanden zijn wezenlijke wijzigingen in mij, die ook datgene beïnvloeden wat de klassieke filosofie en gezond verstand maar al te graag als rationeel en onafhankelijk zouden willen zien.


Als ik honger heb of moe ben, zoals nu absoluut het geval is, word ik snel boos. Ik merk het onmiddellijk en mijn meer rationele en mijn rustige kanten zijn verrast omdat ik uit mijn doen ben en niet handel zoals ik zou moeten handelen of gewoon ben te doen. De kleinste dingen, zoals iets te lang wachten op een sms-je als ik om een antwoord gevraagd heb, of een onderhuidse belediging, al dan niet gemeend of al dan niet bestaand: ik voel ze allemaal voorbij komen in het tijdsbestek van een uur en ik reageer in alle gevallen buitenproportioneel. Als het veertien uur eerder was gebeurd, voordat ik begonnen was aan mijn lange zit, mijn wake in het heilige der heiligen van de geschiedvorsers op de Vrije Universiteit, was ik waarschijnlijk een stuk schappelijker geweest. Ik veronderstel dat ik in een normale toestand (normaal zijnde goed gevoed en uitgerust, voorzien van alle basale levensbehoeften die wij verwende Europeanen zo als vanzelfsprekend beschouwen) mijn schouders op zou kunnen halen. Ik zou mijn zinnen kunnen verzetten.


Welnu, ik beschouw het verlies van mijn zelfbeheersing op een dergelijke wijze als iets zeer kwalijks. Ik heb het vast eerder gezegd, vele malen zelfs, ook (of vooral) binnen dit blog, maar toch: ik hecht veel waarde aan zelfbeheersing. Achteloos, koel en laconiek (vernoemd naar de Spartanen oftewel Laconiërs, die desnoods wel in de schaduw vechten of die avond dineren in het gezelschap der doden) zijn waardevolle eigenschappen voor me. Het is een ideaal dat ik nastreef – en dat nastreven lukt heel aardig, kan ik u met een gerust verzekeren. Maar er zijn uitzonderingen, en die uitzonderingen vallen onbehaaglijk dikwijls samen met tekort aan lichamelijke voeding of slaap. Ik kan niet zeggen dat ik in zulke gevallen mijzelf niet ben, wat een comfortabele aanname zou zijn voor mijn over het algemeen rustige ideaaltype; ik ben zoals eerder gezegd evengoed die hysterische waanzinnige, ik ben ook de onrust die over mij komt als een myriade van een myriade aan generaties vol Darwiniaans erfgoed aan de binnen kant van mijn schedel beginnen te krabben, als ze met bezemstelen tegen het plafond stoten dat de vloer van mijn geest is.


Dat brengt mij tot de vreemde notie dat ik eet en slaap om een deel van mijzelf de mond te snoeren: Ik, Ratio, ben de welwillende regent van mijzelf: mijn onderdanen zullen niets tekort komen, en ze zullen hun mond houden. En arresteer hem die ook maar denkt aan een referendum!


Hugo Maat


Ps: Dit werd geschreven in een trein. Alle voorbeelden zijn ontleend aan de werkelijkheid.

6.6.11

Esnesnon 6-6-11

Pre scriptum: Ik herinnerde me net weer mijn eerste dag binnen de muren van de Vrije Universiteit. Als weifelende middelbare scholier en blaaskaak vroeg ik een voorlichter ten overstaan van een zaal waarom ik specifiek voor de VU zou kiezen, hopend op een keurig verkooppraatje. In plaats daarvan vroeg de voorlichter aan mij waarom ik voor de VU zou kiezen (dat nog niet gedaan hebbende). Hij bracht me van mijn stuk en ik had geen goed antwoord klaar. Het antwoord dat ik wel klaar had was 'Ik hoorde dat de koffie hier erg goed was.' Hij verzekerde me ervan dat hij daar nog niet zo zeker van was. En toch ben ik hier.

Goedemiddag.

Nog twee of drie van dit soort dagen, van volledige onderdompeling in de stof met geen ander gezelschap dan Whitehead, Krentz, Osborne, Tod, Raubitschek, Rhodes en Burckhardt en ik heb één van mijn werkstukken voor deze periode af. Daar komt nog één dag onderdompeling in de archieven in Den Haag (mooie stad) bij en een onbepaalde hoeveelheid gestuntel met communicatiegeschiedenis en ik heb vakantie. Het enige wat ik feitelijk moet doen is 's ochtends mijn bed uit komen en het openbaar vervoer in kukelen, dan is de rest niet zo bijster moeilijk meer. Niet op studiegebied, althans.

Moeilijker is het om, als ik hard aan het nadenken ben, niet mijn nagels af te kluiven zodat mijn handen op die van Elijah Woods beginnen te lijken (kijk The Lord of the Rings en let er maar eens op). Moeilijker is het om niet tot twee uur 's nachts op te blijven elke dag. Het is ook moeilijk om geduld te hebben met mensen die zich naar mijn mening dom gedragen. Het is een uitdaging niet alvast te beginnen met mijn vakantie, naar de fles of de peuk te grijpen. Maar die problemen zijn weg te werken door vol te houden dat uiteindelijk muziek en studie betere en duurzamere ervaringen opleveren.

Uiteindelijk zijn al die dingen niet eens zo taai. Ik maak me niet zo gek veel zorgen om mezelf. Daarbuiten zijn pas de dingen waar ik me echt om bekommer.

Hugo Maat

20.5.11

Esnesnon 20-5-11

Hello. How do you do?

Let's talk books for a moment. I've been reading like a maniac recently, in a frantic attempt to repair the damage done by a half year's worth of book deprivation. Last week it was Vol de Nuit, which clumsily translates to something like Night Flight, by the late Antoine de St.-Exupéry. It's about the pioneers of the aerial post service in Argentina (no crying, if you please), attempting to co-ordinate nocturnal flights with propellor-planes before the invention of the radar and similar technologies which just might be crucial when flying over a rugged country through utter darkness, at least every night. It's a book about madness (or courage, I'll leave that to personal judgement) and sacrifice. The main character, surprisingly, does not spend even a heartbeat in a plane, but still manages to be a very heroical person, showing that you can be courageous and inspirational even without risking your life in the utter blackness that is stubborn stupidity (i.e. flying at night with literally no way of detecting a mountain apart from hitting it). The book is short, unsettling, dramatic and absolutely recommendable. If you can, try reading it in French. It's quite ridiculously easy reading for a French book.

I'd like to make a sidestep. In Vol de Nuit I believe to have detected a reference or just a similarity to the Weberian notion of Verwaltung; bureaucracy. Bureaucracy is, according to Weber, the ultimate expression of rationality in human affairs. It expands itself to cover all aspects of life in an attempt to rationalize and organize everything we humans do. In the Vol there is a scene in which the worried wife of a missing pilot goes to the office of the flight company to find out why her dearest husband, whom she had expected home four hours earlier (I can guess what she hoped to be doing at that time instead of showing up, distraught, at the office). She quickly finds herself in a hostile environment, especially because the boss man is a hard-liner who refuses to bow for her irrational and female nonsense. (One might say it's a real Christopher Nolan theme.) Having dragged myself through Marcuse (by which I mean that I've read a number of his essays) for some time I concluded that the bureaucratization-theme in De St.-Exupéry was about the conflict between Weberian rationality and, well... being human, being real, being small. The aforementioned Mr. Boss Man person puts it as a contrast between greatness and love.

Of course I'm taking the thought the wrong way, and a long way along that wrong way too. It's all Marcuses fault. His hyper-critisism got me back in my structuralist thinking. It's probably going to take weeks to get over this. And then again, since I'm in my 'sensitive period' it might just find a permanent spot in my heart. I can see myself being a cynical structuralist in thirty years, actually. Current book is a goat-buster by the Dutch Thomas Rosenboom. Probably done before June, although I might just switch to something less dreary.

That's all from me for today. Happy reading, or whatever.

Hugo Maat

19.5.11

Esnesnon 19-5-11

Goedenavond.

De datum van vandaag begint mij steeds helderder voor de geest te staan. Niet alleen omdat ik in mijn kortgeleden verstuurde epistel het als inside-joke opschreef in zestiende-eeuwse stijl, maar ook omdat ik veel notities heb geschreven. Ik ben namelijk bezig de eerste stappen te zetten richting een aantal geschreven werken die ik komende maand van plan ben af te leveren. Het eerste begin is altijd makkelijk, dus dat doe ik zo snel mogelijk. Vandaag heb ik etterlijke uren gespendeerd aan oriëntatie op mijn werkstuk over de democratische contrarevolutie in Athene, 403 voor Christus. Ik schrijf een beschouwing over de participatie van niet-Atheners in deze strijd, met name de rol van de welbespraakte en fascinerende persoon van Lysias, de Syracusaanse redenaar die wel eens de belangrijkste protagonist van deze revolte zou kunnen zijn, als men de algemeen erkende aanvoerder Thrasyboulos even buiten beschouwing laat.

Ik heb voldoende uit de hoogte gedaan naar mijn zin. Hier volgt mijn poging om een korte en heldere beschrijving te geven van de gebeurtenissen in Athene rond 403 v.Chr., gebaseerd op een vluchtige studie van wetenschappelijke literatuur, enkele weken college en close-reading van de overgeleverde bronteksten over deze periode. In de vijfde eeuw voor Christus woedt in Griekenland (nog geen politieke eenheid) een oorlog tussen twee sterke stadstaten, Sparta en Athene. Ze hebben beiden een hele schare aan bondgenoten (onderdrukte gebieden die ze als rijpe olijven uitpersen voor hun beider oorlogsmachines) en er zit weinig schot in. Long story short: in 405 wordt Athene geweldig ingemaakt in een zeeslag voor de kust van het huidige Turkije en de Spartaanse generaal Lysander (erg vol van zichzelf, een machtswellusteling, haantje) dwingt na een belegering Athene tot overgave. Als onderdeel van de overgave moet Athene o.a. een Spartaanse 'bondgenoot' worden en in een proces dat niet in alle bronnen gelijk omschreven wordt komen er dertig mannen (feitelijk altijd mannen) aan de macht. Geen van hen heeft een PR-manager of een fatsoenlijke spindoctor, vandaar dat ze op de weinig originele naam van 'De Dertig' uitkomen, een term die door iedereen wordt gehanteerd, van toen tot nu.

Noem het een oligarchie, noem het een clubje tirannen, maar de Dertig laat weinig tijd verloren gaan om er een aardig schrikbewind van te maken. Ze beperken de burgerrechten (die in Athene redelijk ver verspreid waren) tot een clique van drieduizend man, de (zucht) Drieduizend genaamd. Zij zijn onder andere de enigen die wapens mogen dragen. Een flinke club Atheners met democratische sympathieën wordt de stad uit geknikkerd of vlucht stukje bij beetje. De Dertig schakelen ook politieke tegenstanders uit (of ze vermoorden onschuldigen om ze vervolgens te beroven, kies zelf maar), voornamelijk onder de Atheense 'allochtonen', de metoiken. Lysias is één van de benadeelden. Zijn broer wordt ter dood veroordeeld (volgebs Lysias zelf zonder proces), zijn bezit voor een aanzienlijk deel ingenomen maar hij weet te ontsnappen naar Megara. Rond januari 404 is de maat vol voor een aantal bannelingen. Onder leiding van de strateeg Thrasyboulos, een democraat, neemt een detachement van slechts zeventig man de versterkte heuvel van Phyle, ten noordwesten van Athene in. Ze hebben eventueel in het geheim steun van de stadstaat Thebe. Lysias verschaft ongeveer 300 (eventueel 500) soldaten, het merendeel met volledige uitrusting, en met nog wat meer steun, mogelijk van metoiken, groeit het aantal tot 700 man.

Thrasyboulos en zijn mensen houden het een maandje goed uit; de Dertig weten ze niet te verslaan. In Athene worden de maatregelen allemaal wat aangescherpt door het inschakelen van een Spartaans garnizoen om de akropolis (where the Parthenon is) te bezetten, wat de Dertig betaald zouden hebben door wat rijke burgers van kant te maken en tempelschatten om te smelten. Ergens tussendoor is er nog wat gekibbel binnen de Dertig en wordt er nog eentje omgebracht, ben ik vergeten te vertellen, en zo belangrijk is het niet. Goed. Iedereen die niet bij de Drieduizend hoort wordt de stad uit gegooid en de Dertig moorden de nabij gelegen stad Eleusis uit om er een eventueel toevluchtsoord van te maken. Thrasy neemt de havenstad (Piraeus) van Athene in na een veldslag tegen de troepen van de Dertig, vecht nog wat, krijgt steeds meer mensen achter zich en begint de eerste stappen richting Athene zelf te maken. In de laatste fase van het conflict mengen de Spartanen zich er vol in: Lysander keert terug met een vloot, maar één van de Spartaanse koningen, Pausanias, wint de race en gaat met een standard-issue leger naar Athene waar hij slag levert met de democratische bannelingen. Het is niet meer dan een schermutseling en kans voor Pausanias om zijn spierballen te tonen tegenover Lysander (het is niet allemaal pais en vree tussen deze knapen) waarna de Spartanen een verzoening eisen. De Dertig wordt door een revolte binnen de stad afgezet en de oligarchen/tirannen vluchten naar Eleusis, zoals gepland. Een nieuwe club oligarchen, de Tien (headdesks) neemt tijdelijk de honneurs waar maar binnen afzienbare tijd is het weer min of meer terug bij het oude met een herstelde democratie. Happy, happy ending, willen de meeste bronnen doen geloven. Daarna volgt er een gigantische stapel aan rechtzaken en nog wat knokpartijen om de losse eindjes aan elkaar te knopen. (En de knopen door te hakken.)

Tot zover deze episode uit de Atheense geschiedenis en mijn dagelijkse bezigheid, evenals mijn stoutmoedige poging het verhaal kort te houden. Slaap lekker.

Hugo Maat

Ps: Alle onnauwkeurigheden zijn aan mij te wijten, omdat ik uit mijn hoofd en zoals gebruikelijk zonder correcties aan het schrijven ben.

12.5.11

Esnesnon 12-5-11

Goedemiddag.

Ik ben in Turkije op vakantie geweest. Het volgende, korte verslag laat geheel na te vermelden hoe wonderlijk de ruines waren, hoe het eten was, hoe de reis verliep enzovoorts, want die details zijn ofwel goed te vinden in andere reisverslagen, of niet belangrijk genoeg, of beter zelf te beleven. Ik zal zeer summier een bespreking geven van drie onderwerpen die mij aan het hart gaan.

Nummer 1: Op weg naar Efese (Efesus, Efesos, Efes) vond ik een Ray-Ban zonnebril in de berm. Ik was gaan lopen, verwaand en Romantisch als ik ben, en zag deze zonnebril aan de andere kant van een deels verwoeste prikkeldraadversperring liggen. Ik heb mijzelf hierlangs bewogen en heb zo deze verloren of opzettelijk verworpen oogbescherming toegeeigend. Hij is erg licht beschadigd, maar ik vind het prachtig om zoiets te vinden: ik zou naar ik meen nooit zelf een zonnebril van een prestigieus merk gekocht hebben, dus toeval is de enige manier voor mij om toch met het fenomeen kennis te maken. Ik heb dit modieuze artikel nog, het is mijn souvenir.

Nummer 2: Ik heb mij op de laatste dag in Seljuk laten scheren bij een authentieke Turkse kapper. Het was enigszins eng om me het mes op de keel te laten zetten, daar deze methode van scheren mij voornamelijk doet denken aan Sweeney Todd, door mijn moderne referentiekader. Ik ben echter geheel niet gesneden en de behandeling was aangenaam en professioneel. Naast het welbekende schrapen met een vlijmscherp mes over het met scheerschuim bedekte gezicht werd er ook gebruik gemaakt van een erg wonderlijke methode voor het verwijderen van haartjes bij de jukbeenderen en orgen: het in alcohol drenken van een met stof omwonden stokje, om dit vervolgens in brand te steken, waarna het vlammende uiteinde gebruikt wordt om me, zoals een vriendin van me laatst stelde, te swaffelen. Vermoedelijk is het gebruik van dat woord in mijn blog een precedent. Hoe dan ook, voortreffelijke scheerbeurt.

Nummer 3: Uit het raampje van de Dolmuz (excuses voor de eventueel rammelende spelling) naar Kusadasi (Kushadasuh) zag ik een perk vol bloeiende Spaanse margrieten, met witte bladeren en een paarse knop. Op het vliegveld van Izmir, een dag later, zag ik dezelfde bloemen weer. Ze deden me denken aan een pot soortgelijke flora die ik aan een dierbare cadeau had gedaan. De dag dat ik vertrok naar Turkije vernam ik dat ze de bloemen had omgebracht door ze te verdrinken. Ze was bang dat ze uit zouden drogen. Ze schreef me dat ik, indien ik erop zou staan een souvenir mee te nemen, maar beter "geen plant" kon geven. Hariem, mrie of mar? De laatste, denk ik. Niet dat ik nu een wrok koester. Het was voor mij alleen maar een poetisch moment. Dat koester ik wel.

Hugo Maat

19.4.11

Esnesnon 19-4-11

Goedenavond.

Geheel conform Esnesnon-protocol onbewerkt gepubliceerd. Een beetje een rommel om die reden, geheel niet geholpen door het feit dat ik verkouden en moe ben.
Note: Sommige mensen zeggen dat je tegen het licht in moet kijken -omdat je dan zou moeten niezen, iets dat ik probeerde te doen omdat ik nu continu met een kriebel in m'n neus rondloop, wat een beetje onaangenaam is. Ik spuwde een soort halfslachtige anekdote uit betreft deze volkswijsheid, maar het kwam niet geheel tot zijn recht omdat ik meer op mijn neus lette dan op mijn verhaal.

Ik hoop tegen het weekend iets zinnigs over Marcuse te kunnen zeggen. Misschien is er niets zinnigs, misschien kan ik het niet vinden, misschien heb ik over een paar dagen geen zin meer om er iets over te schrijven. Ik ga hoe dan ook even lezen. En mijn neus snuiten. Excuses voor de informatie.

Hugo Maat

15.4.11

Esnesnon 15-4-11

Goedemorgen.

Vandaag is een heugelijke dag in meerdere opzichten. Mijn wekkerradio deelde mij mee dat het de verjaardag van de McDonalds is, hoezee, het weer is uiterst aangenaam, ik ben in een onstuitbaar goed humeur op de universiteit en er is nog een reden die voor slechts drie of vier mensen bestemd is: de rest van de wereld mag naar mijn gefluit luisteren en krijgt een zeer aangename dag toegewenst.

Geïnspireerd door een paar mensen die hun leven proberen aan te passen (iemand die koppig weigert ooit nog alcohol te drinken na een keer in mijn bijzijn er erg ziek van de te zijn geworden, grote scepsis van mijn kant, maar goed; iemand die besloten heeft de komende maand niets meer aan school uit te voeren; iemand die dat juist wél doet; iemand die op dieet is; iemand die minder wil gaan werken; iemand die besloten heeft niet zoals haar moeder te worden, etc.) ben ik nu ook bezig met een soortgelijke verandering in gedrag. Ik ben namelijk eindelijk weer gaan lezen. Dat vind ik zelf een tikkeltje apart als ik het als een verandering zie, want ik ben mijzelf gewend als een verslinder van boeken. Zeker als kind heb ik heel wat gelezen. De afgelopen twee jaren liep dit sterk terug, door de studie. Ik had zoveel non-fictie te lezen dat ik het moeilijk vond om ook andere boeken ter hand te nemen. Dit had doorwerking tot in de zomervakantie. Ik heb wel boeken gelezen, voor vermaak, maar aanzienlijk veel minder en in de periode tussen de jaarwisseling en begin april liep dit terug tot één boek, eigenlijk belachelijk weinig. Goed, het was een Eco, een joekel van een boek, maar ik heb boeken van gelijke dikte ook wel in een weekend of twee erdoor gejaagd.

Mijn conclusie is dat ik, vooral het afgelopen half jaar, teveel tijd verspeeld heb. Die tijd zit vrijwel in zijn geheel op internet. Het is geestelijk lege, redelijk saaie tijd. Uiteindelijk hebben schrijvers en boeken veel meer te bieden. Er is daar meer creativiteit, meer verhalen en meer vertelkracht. Ik merkte tegen het einde van De Speler van Dostojevki dat ik het echt gemist had. Ik vind het bijna onvoorstelbaar dat ik ooit leestijd voor iets anders ingeruild heb. Het zal wel een beetje een overdreven reactie zijn, de terugval is vaak iets krachtiger en extremer dan de originele staat, denk: jojo-effect. Dus ik lees weer. Vorige week Primo Levi, deze week Dostojevski en een kerel genaamd Rufin, en volgens mijn huidige planning minstens een boek per week. In ruil daarvoor: minder internet.

En ik moet als de wiedeweerga mijn nachtlampje gaan repareren, zodat ik wat meer uren met een boek op mijn kussen kan doorbrengen, gelijk die goeie ouwe tijd.

Hugo Maat

11.4.11

Esnesnon 11-4-11

Mercurial: letterlijk vertaald 'kwikachtig,' een term die in het Nederlands voor zover ik weet niet wordt gehanteerd, behalve misschien in gesprekken over scheikunde waar ik me in principe niet aan waag. Een auteur gebruikte het om een plotselinge verandering in aandacht aan te geven van een personage met een erg geborneerde spanningsboog.

Goedenavond.

Ik betrad gisteren mijn kamer, laat in de avond, denkend aan seks. Het was een overpeinzing en ik overwoog er iets over te schrijven. Mijn gedachten werden echter gestopt en wentelden zich -in a mercurial fashion- door een enkele aanblik van een vanitas-voorstelling in mijn kamer die me nooit op die manier was verschenen. Bij mijn raam hangt een witte corsage, ik vermoed al anderhalf jaar lang, ondersteboven te drogen. Dat heb ik destijds op aanraden van mijn oudste neef gedaan, die een zelfde soort corsage droeg. Het is nu pas dat dit dode bloempje me werkelijk voorkomt als meer dan decoratie, als een symbool.

Mijn neef stelde voor dat ik me in een oud, vergeeld pak zou steken, een beetje gebogen zou lopen, met de volkomen uitgedroogde corsage in mijn hand, om op een feestje mensen zich ongemakkelijk te laten voelen door hen te tonen hoe de corsage tot stof zou vergaan in mijn hand bij de minste aanraking. Het zou het beeld oproepen van een vampier, of een gedaante van magere Hein (een rol die mij, gezien mijn lichaamsbouw, enigszins op het lijf geschreven is). Ik weet niet precies hoe mijn neef op dit briljante idee gekomen is, noch weet ik of hij het ooit uitgevoerd heeft. Wat ik wel weet is dat ik, het moment dat ik thuis was, de corsage ondersteboven gehangen heb, op mijn kamer, teneinde op zijn minst een volkomen verdroogde corsage te hebben, misschien zelfs om er iets vreemds en angstaanjagends mee te doen. Het was een feestje, waar ik de corsage van kreeg. Het is nu pas, ruim een jaar later, dat ik zonder enige specifieke aanleiding besef hoe pijnlijk toepasselijk het symbool van de verdroogde corsage is. Al mijn gedachten verzetten zich ogenblikkelijk naar een korte contemplatie van de dood.

Ik heb besloten de corsage te houden waar hij is, zodat ik in mijn onbewaakte ogenblikken herinnerd kan worden aan de vergankelijkheid van het leven. De dag dat het dode bloempje daadwerkelijk mag verkruimelen komt nog. Maar dat is een gezwegen belofte die in stilte vervuld zal worden.

Hugo Maat

9.4.11

Esnesnon 9-4-11

Het is kwart over één, midden in de nacht, als ik op de drempel sta van die vreemde plaats: de plek waar mijn sleutel op de deur past, de plek die ik tot op de centimeter ken alsof ik door een droom wandel die ik al duizend keer meegemaakt heb. Het is de plaats waar ik mijn dromen laat als ik ze niet aan het bouwen ben, waar ik ze ook altijd terug vind. De alcohol benevelt mijn zintuigen en de chocola wakkert de dierlijke drang tot jagen aan, tot op de drempel. Op de drempel weet ik dat er een plek is waar ik rust en dat het hier is. Ik weet dat er een plaats is waar mijn ego is als ik me klein voel, er is een plaats waar mijn orde is als ik in paniek ben, er is een plaats van stilte wanneer ik overschreeuwd word.

Om half één trof ik mezelf op een station, met de pregnante vraag of ik mijn afspraak zou nakomen om bij iemand op de bank te crashen of dat ik naar huis zou gaan. Soms laat ik mijn trots varen voor een basale impuls: de hang naar veiligheid. Aan het einde van de dag wil ik niet meer beleven: ik wil naar de plek waar alles duidelijk is en ik kan slapen.

Op een dag, misschien niet eens zo ver van nu, woon ik op een andere plaats. Hoe lang zal het duren voordat die plek niet langer voelt als een vakantie, of als tijdelijk verblijf, maar als thuis?

7.4.11

Esnesnon 7-4-11

Goedemorgen.

Het voordeel van op eigen initiatief naar de universiteit gaan is de grenzeloze rust. Ik had geen college waar ik op een bepaald tijdstip aanwezig zou moeten zijn als ik het wilde volgen, geen afspraak op een vast tijdstip. Dientengevolge kon ik ervoor kiezen om een trein later te nemen en zit ik nu op de vroege ochtend op de computerzaal. Ik vind het een nuttige besteding van de dag: een treinreis geeft gelijk een zekere orde, het onderscheidt voor mij de ruimte van slaap en wakker worden van de ruimte van activiteit. In de eerste plaats komt dat omdat ik een zekere randvoorwaarde moet behalen voor ik met de trein kan: ik moet ten eerste uit bed zijn, en daarnaast moet ik wakker genoeg zijn om op het juiste perron te komen. Met andere woorden is het voor mij een reden om uit bed te komen. Ten tweede verwijder ik mezelf van de verleiding die bij mij thuis zo ver doorgesijpeld is dat ik bij wijze van spreken geen regel kan typen zonder een nieuwe webpagina te openen. Misschien kan ik mezelf ook wel concentreren thuis als ik mijn best doe, maar op de universiteit, waar die zekere sobere en kalme sfeer hangt van het scriptorium en de collegezaal, is het vele malen gemakkelijker.

Wat dan wel weer tekenend is, is het feit dat ik niet gelijk met zaken als de Atheense Politeia ben begonnen, zoals ik kortgeleden van plan was, maar in een boek dat ik afgelopen vrijdag geleend heb. 'I summersi e i salvati,' vertaald als ' De verdronkenen en de geredden' van Primo Levi, is een boek dat ik min of meer op aanraden van een studiegenoot lees. Ik heb vorig jaar er bewust voor gekozen niet verder te gaan met de studie van de contemporaine geschiedenis, voor een aanzienlijk deel precies om de onderwerpen waar Levi over schrijft te vermijden. Maar om mijn eigen horizon breed te houden en me te kunnen mengen in de filosofische en literaire discussies van de voornoemde studiegenoot besloot ik dat het wel zinnig was om, hoewel ik geen volledige studie eraan zou wijden, toch dit boek te hebben gelezen. Wat het natuurlijk ook voor me verkocht is de mededeling dat het in één adem uit te lezen was, temidden van alle taaiere materie leek me een vlug boek een welkome afwisseling. Wat het in de tweede plaats aantrekkelijk maakte was het feit dat de titel van het boek de spil is voor allerlei interpretaties en discussies: en het gebeurt me zo zelden dat het idee van een gesprek over literatuur me aanspreekt dat ik het niet kon laten mijn eigen poging tot begrijpen van de titel te wagen.

Het boek komt uit 1986 en is bij mijn weten ook het laatste boek van Levi. Het is een boek over de concentratiekampen. Dat is in de eerste plaats wat mij betreft een nadeel. Als ik heel eerlijk ben zou ik het liefst die hele kwestie vergeten en het er nooit meer over hebben. Dat is niet omdat het zo verschrikkelijk is of omdat ik er zelf problemen mee heb. Ik kan er heel slecht tegen dat ik alleen als onwetende toeschouwer kan functioneren, alleen maar verkeerde dingen kan zeggen en geen recht van spreken heb. Het ergste vind ik het automatische schuldgevoel dat de slachtoffers of mensen die zich anderszins aan de Holocaust verbonden voelen bij anderen lijken op te willen roepen. Ik word geacht ontzag te hebben voor hun lijden en nederig te zijn. Ik begrijp dat het gaat om iets dat ik nooit zal kunnen omvatten, maar ik voel me er uitzonderlijk ongemakkelijk bij en volkomen hulpeloos. Soms, zoals op dit moment, heb ik visioenen waarin ik fragiele, getraumatiseerde overlevenden door elkaar schud en zeg: "Ik wéét dat het onvoorstelbaar erg is, kunt u er alstublieft over ophouden? Zal ik een bloem ergens leggen en een minuut stilte houden? Mag ik íéts doen om me niet ongemakkelijk hierover te voelen?" Tot zover mijn visie de herdenkingscultuur.

Het mooie aan het boek is daar gelijk in opgesloten: Levi richt zijn pijlen op iedereen. Hij geeft geen mooi, overzichtelijk zwart-wit plaatje, het is zwart-antraciet. Ik geloof dat de salvati een select groepje zijn. De schaamte en de schuld voor wat er gebeurt is deelt hij uit. Ik ben nog niet eens over de helft van het boek, dus misschien heb ik nog een vertekend beeld. De charme van Levi's werk is dat hij weigert zijn blik af te wenden, niet verbloemt en een dappere poging doet om de werkelijkheid aan het licht te brengen in plaats van het geheel te versimpelen. Volgens mij is dit een symptoom van werkelijke verwerking van het fenomeen. De verdronkenen en de geredden ligt op de grens tussen het vertekenen van de feiten omdat we er nog gevoelig voor zijn en het vergeten van iets dat voor latere generaties, onvermijdelijk en al zovaak gezegd, niet te begrijpen is. Ik denk dat ik het boek lees op dezelfde manier dat iemand naar een herdenking zou gaan. Ik probeer eer te bewijzen aan de herinnering, wat vergeleken met mijn gebruikelijke doen heel vreemd voelt. Welnu, als ik me niet ongemakkelijk zou voelen bij dit alles zou het een onwaardige herdenking zijn.

Hugo Maat

4.4.11

Esnesnon 4-4-11

Realiseren: een idee tot werkelijkheid maken.
Zich realiseren: werkelijkheid in een idee aanschouwelijk maken aan zichzelf.

Hallo.

Twee jaar terug, toen mijn wereld en mijn hoofd ietsje kleiner waren, werd ik geëxamineerd over het onderwerp wijsbegerige ethiek. De toets zelf staat mij nog maar weinig van bij. Wat ik wel goed herinner is dat veel van de leerlingen die ook deelgenomen hadden achteraf elkaar bevroegen over een vraag waar ze het antwoord niet op wisten. Natuurlijk was hierbij ook de onmiddellijke conclusie dat het een onrechtvaardige vraag was omdat niemand het antwoord had kunnen weten. De vraag informeerde naar de stelling van de Schotse filosoof David Hume over het verschil tussen 'is and ought'. Ik kende deze stelling als 'zijn en behoren', dus een vertaling voelde op zijn plaats. Misschien komt het omdat mijn ego zich danig gestreeld voelde door mijn schijnbaar exclusieve kennis dat ik het nog zo helder voor de geest heb. Ik ben ook maar een mens, en ijdelheid is mijn favoriete zonde.

Hoe dan ook: het verschil tussen zijn en behoren. Dit is een stelling over ethiek en ondanks zijn eenvoud en het feit dat veel mensen het als onweersprekelijke en nutteloze uitspraak zien is het een belangrijke observatie. Alleen omdat iets zo is, betekent het niet dat het zo hoort te zijn. Met andere woorden, de realiteit vertelt ons niets over het goede. Voor Hume (en ik vermoed ook na hem) zijn er filosofen geweest die meenden dat het geheim van het goede leven besloten lag in de wetten der natuur, of dat het feit dat mensen iets al aan het doen zijn bewijst dat het goed is. Zal ik even extrapoleren? Het zou gebruikt kunnen worden om het populaire argument 'het is een andere cultuur' aan te vallen, door te stellen dat: 'enkel omdat mensen iets doen, het nog niet betekent dat het goed is; het betekent alleen dat het werkelijk is.' Het is ook een feit dat er mensen zijn die moorden plegen. Het is werkelijk zo dat in veel diersoorten de ouders de kinderen verlaten. Daar is niets 'moreel' aan, het is alleen echt.

Dat gezegd hebbende wil ik een lans breken voor twee zaken die ik in persoonlijke kring zelden verdedigd hoor worden. Het gaat me in de eerste plaats om het socialisme. Ik bedoel niet dat de Sovjet-Unie een heilstaat was. Ik bedoel niet dat de arbeidersklasse door de bourgeoisie onderdrukt wordt. Ik wil niet impliceren dat ik geloof dat de mens vervreemdt van zijn arbeid in de industriële maatschappij. Ik wil geen steun betuigen aan de SP of iets dergelijks. Liever wil ik zeggen dat ik het begrijp. Ik geloof althans dat ik het begrijp. In het socialisme is een kracht gelegen, de kracht die over de hele wereld mensen mobiliseerde, levens en hele landen veranderde. Die kracht was niet gebonden aan een persoon. Soms concentreerde het fenomeen zich rond een grote leider of inspirator, maar de hamer en sikkel, de rode vlag, de Internationale maar vooral het ideaal steeg boven dat alles uit en wist elke keer weer nieuwe voedingsbodem te vinden, waar het vaak met zout, zweet, olie en staal bestreden werd. Ik denk dat ik begrijp waarom socialisme niet dood te krijgen is. Het socialisme leeft op onrechtvaardigheid. Het kost niet veel moeite om te zien dat 'some are blessed, some not,' dat er 'have' en 'have-nots' zijn. Sommige mensen hebben geld, grotere huizen en auto's, meer vrije tijd en bovenal minder zorgen. Tegenover elk van hen is een groter aantal dat die dingen niet heeft, en het ergste van alles: waarschijnlijk nooit zal krijgen. "Als je voor een dubbeltje geboren bent," luidde ooit de tekst. Veel mensen zullen nooit een kwartje krijgen. 'Daarboven' zitten mensen met onvoorstelbaar veel meer geld. Ik heb er een klein beetje van meegekregen, door mijn bezoekjes in het Gooi. Ik heb genoeg gezien om te weten dat er rijkdom is die ik nooit zal kennen en vrijwel iedereen die ik ken zal daar ook nooit aan komen.

Wat is het antwoord? De vraag is niet zozeer waarom daarboven zoveel geld verdiend wordt, dat zijn allemaal verdere versieringen van het socialisme. Een veel oprechtere vraag is 'waarom zij?' Zijn er daarboven daadwerkelijk mensen die harder werken, mensen die het verdienen te verdienen omdat ze 'betere mensen' zijn? Een populaire en gemakkelijke reactie is om te stellen dat het allemaal misdadig is, dat het een gesloten ons-kent-ons is dat de armere mensen uitbuit. Ze zouden daar aan de top zijn omdat het slechtere mensen zijn. In werkelijkheid is het allemaal serendipiteit. "I don't know if there's a reason, why some are blessed, some not." Die reden is er ook niet. Dit is hoe de wereld is. Er is een wetmatigheid in grote menselijke samenlevingen dat er op een bepaalt punt een soort hiërarchie ontstaat. De kracht van het socialisme is dat de wijze waarop de wereld is niet de wijze is waarop de wereld behoort te zijn. Die onrechtvaardigheid te herkennen is er een tegenstander van zijn. Socialisme is een dwaze hoop, een vlam die nooit geheel gedoofd kan worden: het concept van een rechtvaardige wereld.

De tweede zaak waar ik iets over wil zeggen heeft voor mij een interessante geschiedenis. Ik ben er zelf ook niet helemaal uit wat mijn standpunt erin is, hoewel mijn eigen ideeën overal doorsijpelen. Het gaat me om het christendom. Hieronder versta ik het volgen van de leer van Jezus van Nazareth, zoals we die kennen uit een aantal geschreven werken uit de eerste drie eeuwen van onze jaartelling. Ondanks de bewering in het Nieuwe Testament (verder NT) dat hij geen jota of tittel zou veranderen aan de oude geschriften, een bewering waar ik vraagtekens bij stel, vind ik niet dat het Oude Testament daar strikt genomen onder hoeft te vallen. Anyway.

Het christendom is op een belangrijk punt verwant met het socialisme: ze zijn universeel. De gehele mensheid wordt erdoor aangesproken. Het christendom stelt dat je welkom bent ook als je arm bent, ook als je uit een ander land komt, jong en oud, scherpzinnig of eigenlijk een beetje dom, man of vrouw; of je nou een leven lang vergokt en verdrinkt of hard werkt, of je nou gezond geboren bent of niet. Aan het eind van de reis keert de verloren zoon terug en is er een plaats voor hem. Volgens sommigen is dit niet rechtvaardig, dat iedereen evenveel recht heeft op evenveel van die ongrijpbare liefde, (de grootste van de drie) maar volgens mij is het iets anders: het is ethisch goed. Het is een abstract idee, het is in de saeculum onmogelijk en bewijs zul je niet vinden. Het zou alleen eindelijk, eindelijk eens een keer weer goed zijn. Het is een belofte die zoveel mensen geloven omdat we zouden willen dat het waar is. Het is hoe de wereld behoort te zijn, dat iedereen een plaats heeft, dat niemand er buiten valt. De wereld behoort geen plek van toeval of blinde 'rechtvaardigheid' te zijn. We zouden niet jaloers moeten hoeven zijn. Ik kan zo nog een heel eind doorgaan.

Ik denk dat er geen plan is voor ons. Ik denk niet dat de samenleving bedacht is, of dat zoiets überhaupt kan. Om het allegorisch te zeggen: op de zesde dag was de mens geschapen en daarna vond de schepper het goed. Hij stopte en liet de mens zonder gereedschap, zonder taal, zonder godsdienst, zonder kunst of wetenschap, zonder rollenpatroon, zonder geld, zonder goed of kwaad, zonder huizen of auto's, zonder kleding en eigenlijk ook zonder geboden achter. Alles wat de mens aan 'nurture' heeft stamt uit de lange periode daarna. En niet omdat een persoon op een dag besloot om het uit te vinden. De menselijke cultuur is laag na laag van gestolde materie. De mens bouwde muren: de bakstenen zijn symbolen, en het vervliegen van de tijd is de specie. Kinderen werden geboren tussen die muren en zagen het als huis.

Besluit: Ik zeg niet dat het socialisme of het christendom de waarheid verkondigen. Ik weet niet of een dergelijke uitspraak wel mogelijk of zinnig is. Ik weet niet of er zin schuilt in een revolutie tegen de wijze waarop de wereld is. Ik weet niet of zoiets mogelijk of zinnig is. Ik durf de wereld niet te vertellen wie ze moet zijn. Niet alleen omdat ze niet naar me luistert, maar ook omdat ik het recht niet heb. Ik ben haar baas niet. Mij ontbreekt het recht om anderen te vertellen hoe de wereld behoort te zijn. Ik heb de gave om mijn mening te uiten, maar daar houdt het op. Dat is iets waarin ik me dan toch aansluit bij de ideeën van het christendom. "Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt?" Ik mag besluiten wie ik ben. Er is één behoren dat ik werkelijkheid mag laten worden.

Ik ben te cynisch geworden om hoop te zien in de wereld. Deze wereld kan namelijk helemaal niet goed zijn. Over iedereen die zegt de wereld te verbeteren denk ik: ze weten niet wat ze doen.

Hugo Maat

31.3.11

Esnesnon 31-3-11

Ik ben niet van de gewone gezelschapspelletjes. Mijn naaste familie betreurt dit gegeven maar heeft zich er bij neergelegd. Morgenavond is een ander verhaal: waarschijnlijk zit ik dan twee en een half uur vast aan een spel dat ik niet bijster leuk vind met mensen die mij steeds minder interessant voorkomen. Ik heb nu drie zinnen geschreven en ik weet gelijk zeker dat vandaag een hele duistere en langzame dag gaat worden. Het is nog niet eens negen uur. De overgang van middelbare school naar universiteit heeft in mijn sociale leven een belangrijke verschuiving opgeleverd: ik ben meer gaan kiezen met wie ik optrok. Voordien was mijn kennissenkring vooral bepaald door de school waar ik op zat, wat feitelijk betekent dat je als groep mensen elkaar kent omdat je in een bepaalde omgeving woont, van ongeveer gelijke leeftijd bent en een bepaald opleidingsniveau doet. Niets kwaads over die mensen, ik heb ze allemaal leren waarderen om wie ze zijn, maar tegenwoordig onderhou ik nagenoeg geen contact meer met ze. Ik kom ze niet meer tegen op basis van de onderwijsgemeenschap en doe er zelf niet echt moeite voor. Morgen zit ik samen met een groep mensen, je zou de term vrienden kunnen gebruiken, die ik niet zozeer voor het kiezen had. Ik moet tijd met ze doorbrengen, en dat kweekt vaak sympathie. Maar als ik kon kiezen? Wat zou ik dan doen? Zou ik liever elders zijn? Goed, technisch gezien kan ik altijd kiezen. Hiermee bedoel ik dus eerder dat er geen aantrekkelijke alternatieven zijn en dat ik onwillig ben om me asociaal op te stellen. Ik ga er dus wel heen, maar ik heb zoveel te klagen. Ik word er niet vrolijk van omdat ik me dood kan ergeren aan de banaliteit; ik slaap slecht; het mist zowel de hippie-achtige ambiance van de mensen met wie ik op de middelbare mee omging die ik erg kon waarderen; als de extravagante waanzin van mijn toneelgroep; de mix van spanning en brallerige schaamteloosheid van een andere kring; de gedeelde interesse voor geschiedenis van, verrassing, de mensen die ik via de studie ken; kortom, het heeft geen echte ambiance en is meer moeite dan profijt. Als ik werkelijk autonoom zou handelen zou ik niet gaan. Ik hoef niet te vrezen voor eenzaamheid of voor schuld. Ik weet niet waarom ik me mee laat nemen in iets waar ik werkelijk geen voorstander van ben. Ik verwacht van mezelf dat ik, welja, autonomer ben, maar ik ben ook nogal goeiig bij tijd en wijlen. Ik weet het niet. Dat gebeurt me niet zo vaak.

27.3.11

Esnesnon 27-3-11

Disclaimer: Ik overdrijf om een punt over te brengen. Tevens raakte ik al snel in de stemming en liet ik me een beetje gaan. Daarnaast past het aanpassen van mijn eigen tirades, zeker die over mijn stokpaardjes, niet binnen mijn idioom. Met alle plezier wijs ik u op het feit dat degene die van plan is om dit blog of haar inhoud serieus te nemen de titel niet goed gelezen heeft.
Hugo Maat

Ps: Come on, hatemail!

22.3.11

Esnesnon 22-3-11

Goedenavond.

Ik vierde zojuist het begin van de lente. Dat had ik eigenlijk gisteren moeten doen, maar het was me even ontschoten in alle commotie. Ik zocht een stil plaatsje op en stak iets in brand, louter om het te zien branden. Via het magische proces van gelijkenis nodigde ik door het vuur de warmte en het licht van de lentemaanden uit in deze wereld. Het voelt voor een rationele, ascetische en cynische nihilist goed om magie te bedrijven. Het is een omkering van de gewone orde der dingen, zodat het leven dat ik normaal vind sterker wordt.

...

Het is ook alweer zover met dit blog dat ik niet meer vind te kunnen zeggen wat ik misschien zou willen zeggen. Dat is jammer. Net terwijl ik beter word in bepaalde mensen bepaalde dingen te vertellen, lukt het me op mijn eigen blog niet meer.

Hugo Maat.

17.3.11

Esnesnon 17-3-11

Well, well, well.

Vanavond heb ik me kostelijk geamuseerd. Blijkbaar heb ik anderen ook geamuseerd, want ik ben uitgenodigd om volgende week vrijdag te komen feesten in Amsterdam. Als Almeerder en non-feestbeest is dit een interessante uitnodiging, maar dat is niet precies waar ik het over wilde hebben.

Waar ik zelf mee zit op het moment is mijn cynische afbouw van mijn zelf (dit vond ik erg logisch toen ik het schreef, maar dit is mogelijk mede te wijten aan het uur waarop ik dit schrijf en de kronkels in mijn gedachten). Onlangs heeft het geleid tot het interessante gevolg dat ik slechts ten dele nog in staat ben om esthetische waardeoordelen toe te kennen aan menselijke lichamen. Ik kan ze aanschouwen, man of vrouw, naakt of aangekleed, dansend of in pose, maar het doet me nogal weinig. Ik kan zelfs niet meer over mijn eigen lichaam of gezicht zeggen of ik het mooi vind of niet. Mijn lichaam is voor mij niets meer dan een verbeelding, een pictogram of icoon van wat ik als mijn persoon beschouw. Ik weet dat het mij voorstelt op dezelfde manier dat ik de symbolen die mijn naam vormen in het westerse alfabet herken als iets dat 'mij' uitdrukt. Als ik mijn gezicht zie in een reflectie zie ik een hoop, maar ik zie niet iets dat ik mooi of lelijk vind. Het is er gewoon, en het is mij. Dit fenomeen strekt zich uit naar feitelijk alle mensen. Als mensen mij vragen of ik persoon X fysiek aantrekkelijk vind, of niet eens een suggestie doen maar gewoon willen weten wat mijn algemene voorkeur in het uiterlijk van mijn medemensen is, weet ik niet goed wat ik moet antwoorden. Al mijn lichamelijk-esthetische meningen zijn niet langer gebaseerd op uiterlijk.

In plaats daarvan ga ik uit van emotionele betrekkingen. Ik vind, om het op neutraal, enigszins anoniem en gemakkelijk gebied te houden, de gezichten van mijn ouders mooi. Maar dat komt omdat ik in hun gezichten bepaalde mensen herken en ik die mensen 'mooi' vind op een ander vlak dan het esthetische. Ik kan me moeilijk een menselijk lichaam voor de geest halen dat mooi is. Ik zie alleen maar biologische dan wel evolutionaire voorkeuren, maatschappij-gebonden schoonheidsidealen. Ik ben té blasé om in dat verschrompelde walnootje dat ik tot mijn 'zelf' gebombardeerd heb nog een beeld te vormen van wie ík mooi vind, op basis van niets anders dan uiterlijke kenmerken. Ik zie alleen fitness, modetrends, of wat mijn emotionele zelfrechtvaardiging mijn oordeelsvermogen oplegt. (0f eventueel het speciale gezichtsvermogen dat optreedt bij genoeg hersenschade door alcohol.) Voor de cynicus en de rationalist is er in het menselijk lichaam weinig schoonheid te vinden, vrees ik.

Over dat laatste ben ik bezig met een stappenplan, van alle fases die een mens kan doorlopen om zich los te maken van de wereld van gevoel en oppervlakkigheid. Het zijn allemaal niet bepaald aan te raden ontwikkelingen, maar goed. Stap één is het onder controle krijgen van de lach. Als een mens eenmaal in staat is om lach, al dan niet slappe lach, te bedwingen, is de grootste strijd al gestreden. Het is een kwestie van het zelf vertellen dat er niets grappig is aan wat er gebeurt, en die stem alle geluiden van buiten doen overstemmen. Daarna kunnen allerlei andere emoties eraan geloven, maar alleen in termen van presentatie. Dieper liggende emoties zoals liefde, haat, depressie of geluk kunnen niet goed worden vernietigd door ze te negeren, maar oppervlakkige uitingen als woede, meligheid, angst, kunnen worden vernietigd door een innerlijke stem de wereld te doen overschreeuwen. Zo lang er maar een spoortje helderheid en kalmte in de geest aanwezig blijft kan dit kleine beetje zich over het gehele brein verspreiden en het overnemen. Ik ben nu aan het trainen om ervoor te zorgen dat het kleine beetje daar altijd is en blijft... die controle bevalt me.

Voorlopig moet ik eigenlijk stoppen met drinken voor ik iets over controle wil zeggen, maar dat is een ander verhaal. AFK.

Hugo Maat

Esnesnon 17-3-11

8.3.11

Esnesnon 8-3-11

Goedemorgen.

Drie observaties op de vroege ochtend: op de keukentafel ligt een NRC-magazine van afgelopen weekend, met een prominent artikel over de 'Bieber-fever'; de krant op de mat gaat over de tactiek achter de succesvolle PVV en op station Zuid (20.000 betalen) liepen drie kleine kinderen rondjes over de stenen zitplaatsen, met gemaakt-bekakte stemmen zich beklagend over 'de jeugd van tegenwoordig,' zodat mijn eigen mijmeringen over 'de jeugd van tegenwoordig' een scherp parodiërend trekje oppakten en ik vervuld raakte van zelfspot, geconfronteerd zijnde met deze onbedoelde kritiek van een stel minderjarigen. Wat deze drie dingen met elkaar verenigt is dat ze allemaal bijdragen in mijn idee dat ik de samenleving niet begrijp.

Dat wil niet zeggen dat ik alles wat er vandaag de dag gebeurt onverklaarbaar vind. Ik vind zelfs dat ik het uitstekend kan verklaren, arrogant als ik ben. Mijn gebrek is dat ik, om filosofisch genuanceerd te spreken, het niet kan verstehen. De wereld van vandaag de dag is voor mij zo afstandelijk geworden dat ik alleen nog in een cynische, spottende en hooghartige toon erover kan praten. Ik liep een paar dagen terug voor de verandering van het station een andere route door het bruisende winkelcentrum van de wereldstad Almere, en dan niet de nieuw aangelegde terp met alle nieuwe modezaken, maar door een minder modern deel, en ik snapte de mensen op straat niet. Ik had in mijn dagelijkse belevenis niet eens voor ogen dat ze bestonden. Hier staat dan een groepje tieners in hun bontkraagjes te converseren en daar lopen twee huisvrouwen over straat, plenty allochtonen overal, alleen uiterlijk te onderscheiden van de mensen met Duitse wortels, en daar verderop is een kroeg en nog een kroeg, een winkel voor erg goedkope kleding of zaken met onduidelijke verzamelingen... dingen? Ik hoor ze met elkaar praten, maar mijn cultuurfilter verandert ieder woord in grijze ruis. Ik weet op dat moment zeker dat ze het nergens over hebben, dat niemand het ergens over heeft, en dat ik mijn visie van de wereld als zo oneindig veel breder en scherper beschouw dat het geen zin heeft om het ze uit te leggen.

Ik kan al hun sociale handelingen op een afstandje, als een soort vogelspotter, verklaren in termen van lage cultuur, een poging erbij te horen en het erkennen van hiërarchieën in de betreffende groepen. Het heeft alleen geen zin, want ik kom er niet écht in. Ik ben voor hen verpest door de filosofie, de literatuur en de Hochkultur. Ik heb meegemaakt dat mensen met een 'deficiënte vooropleiding' geweldig tegen mij opkijken om vervolgens tegen mij te zeggen dat ik ontzettend veel slimmer ben, wie zou er niet arrogant worden? Als men zich zodanig aan je intellectuele voeten werpt? Wat is er mis met mij dat ik zo anders ben, dat ik wél oh zo intelligent ben? Heb ik een superieur gen? Nee, dat is taboe. Ik heb wel een verklaring maar die werkt alleen voor mij en is ook alleen zinnig voor mij want ik ben de enige die de vraag stelt.

Resultaat: ik voel me alleen. Ik kijk teveel op afstand naar mensen. Ik krijg het niet voor elkaar mensen te respecteren die zichzelf positioneren, bewust of onbewust, als beperkt in horizon of simpelweg dom. En dit is geen kwestie van hoge tegen lage cultuur, hoewel ik het tot zover over mensen uit lagere sociale en (misschien wel dus) intellectuele milieus heb gehad. Ik snap niet alleen de Bieber-fever en de PVV niet, maar ik veracht tevens hipsters en hippies; beschouw de hedendaagse studentencultuur als verdorven; keer me tegen het consumentisme zonder om de natuur of de klassenstrijd te denken; ik hou noch van mainstream noch van underground. Ik vermag IEDEREEN op een afstandje te bekijken, inclusief mezelf. Zelfs mijn ivoren toren bezie ik door een verrekijker of op een schilderij aan de muur.

Soms wil ik me om precies die reden opkrullen, tegen een warme hartslag aannestelen en hopen dat de zon nooit opkomt. Nooit meer.

Excuseer.

21.2.11

Esnesnon 21-2-11

Zucht.

Ik word zo giftig van verkiezingen. Het wordt een wanhopige keuze, wie er mijn stem krijgt in de verkiezingen voor de Provinciale Staten op twee maart. Op provinciaal niveau ben ik niet geïnteresseerd genoeg om een goede keuze te maken, maar daar schijnt niemand zich ook echt om te bekommeren: het gaat alleen maar om de Eerste Kamer in de media en de campagne. Als ik het daar op moet kiezen wordt de keuze alleen maar ingewikkelder gezien het feit dat ik aan iedere partij een hekel heb, in meerdere of in mindere mate. Wegens mijn persoonlijke affiliatie met kunst en onderwijs zit ik al snel aan de linkerkant, maar wegens een aantal redenen, niet allemaal even rationeel, heb ik moeite met die keuze.

SP: Brabo's en Limbo's. Ik ben niet echt een racist, maar de lieden van bezuiden de rivieren en ten noorden van Vlaanderen zijn over het algemeen een object van mijn walging. Ik zou nooit steun kunnen betuigen aan Roemer in welke vorm dan ook, gewoon omdat het een zuiderling is. Geldt overigens ook voor het CDA wegens die rat van een Verhagen.

GroenLinks: Ze steunen de 'politiemissie' in Afghanistan. Hiermee tonen ze zich een stel dwazen, zowel jegens de menselijke geschiedenis (moraal van alle militaire geschiedenis van het Midden-Oosten: blijf uit Afghanistan) en hun eigen geschiedenis (pacifisten, communisten, hippies). Dit soort slap gedrag, ofwel een verraad aan hun principes of gewoon kortzichtigheid, leidt mij ertoe dat ze mijn stem niet krijgen. Mijn haat jegens iedereen die de 'politiemissie' steunt strekt zich ook uit om D66 buiten het plaatje te houden.

PvdA: Laat me niet lachen. Ik weet niet eens waar die partij nog voor is. Ik zie alleen maar een praatje, een keurig opgedreund mantra van eerlijkheid, de liturgie van gelijkheid, het evangelie van de solidariteit, enzovoorts enzoverder.

Ik kan even niet bedenken wie er nog meer links zouden zijn, dus ik ga even verder met het haten van alle andere partijen in Nederland:
VVD: Ik begrijp dat het leuk is voor iedereen die al een inkomen en een huis heeft om te blijven zitten waar ze zitten om de toekomst af te wachten, ofwel gelovend in de Dutch Dream van 'als we onze broekriem maar aanhalen komt het vanzelf allemaal goed' of deze propagerend om het gepeupel blij te houden, maar er is nog een generatie Nederlanders hierna, en daarna. De Chinezen, Indiërs, Brazilianen en vele anderen hebben begrepen dat de toekomst op niemand wacht en ik vrees dat de vaart der volkeren dit land wederom achter zich zal laten. Een beetje meer werken aan de toekomst en grootsheid van dit land.

PVV: Ik heb hier haast geen woorden voor. Deze partij is in contradictie met zich zelf in meer opzichten dan er partijpunten zijn. Het is een frontje dat een massa lege retoriek, machtswil en stupiditeit herbergt.

SGP: Dankzij jullie zijn we in de emancipatiemeter van de EU gedaald tot onder Polen. Dank u wel.

50+: Ik ben er ook nog, verdorie. En een generatie met mij. Als jullie het openbaar vervoer gaan opeisen en mij er geen privileges in geven op basis van mijn leeftijd, (alsof ik zoveel geld heb) is er straks niemand meer die voor jullie opstaat in de bus.

Partij van de Dieren: Stel je voor, ik begin een partij waarin ik de gewone arbeider vertegenwoordig. Ik hou een leuk praatje over het beschermen van de hardwerkende Nederlander en hoeveel we aan hem te danken hebben, maar thuis eet ik geregeld een stuk arbeider. Ik kannibaliseer erop los en eet ongeveer drie Hermans of Ingrids per jaar. Goed, ik vind dat de arbeiders meer leefruimte moeten hebben, en ik ze laat vermoorden zorg ik ervoor dat het pijnloos gebeurt en dat er geen gek ritueel van gemaakt wordt. Ik weet dat deze vergelijking vreselijk karikaturaal, onrealistisch en krom is, maar mijn mening staat vast: deze partij is stom.

ChristenUnie: Nu komt de schok. Suf als ik deze partij vind moet ik toegeven dat ik geloof dat van alle poppenkastpoppen in de huidige politieke arena (ik vind dat overigens een leuk beeld, poppenkastpoppen in een arena) alleen Rouvoet een persoon schijnt te zijn. Hij lijkt een geweten te hebben. Dat geweten is niet helemaal goed afgesteld, en zijn partij correspondeert niet helemaal met mijn eigen visie, maar hij komt zelf als enige over als... nou ja, goed. Arete.

Kortom, ik haat de huidige politiek zoveel dat nota bene de ChristenUnie goed voor de dag komt. Net kreeg ik de suggestie om helemaal niet te gaan stemmen, wat ineens veel zinniger begint te klinken.

Hugo Maat.