31.12.11
Esnesnon 31-12-11
22.12.11
Esnesnon 22-12-11
14.12.11
Esnesnon 14-12-11
11.12.11
Esnesnon 11-12-11
7.12.11
Esnesnon 7-12-11
26.9.11
Esnesnon 26-9-11
13.7.11
Esnesnon 13-7-11
Gisteravond was ik aan het denken. Ik verkeerde in een staat van meditatie en contemplatie terwijl ik door de regen liep, om een uur of acht. Ik besloot dat de straat waar ik over liep feitelijk een temporeel deel van het geheel van het 'ding' straat was, zoals een plak asfalt een ruimtelijk deel is van die straat. De straat in de regen in juli voelde namelijk niet hetzelfde voor me als de straat in juni, op dezelfde manier dat ik niet hetzelfde voelde. Alles wat we hebben van de wereld zijn plakjes observaties, fases in de tijd die samengesteld worden tot het geheel van een voorwerp. Zoals ieder voorwerp wordt gezien als een geheel van zijn ruimtelijke delen, of dat nou lichaamsdelen of technische onderdelen of de blaadjes van een boom zijn kunnen we ook ieder ding beschouwen als een samenstelling van de temporele delen.
Maar heel erg veel ruimte kan ik daar niet voor maken in mijn gedachten.
Hugo Maat
4.7.11
Esnesnon 4-7-11
3.7.11
Esnesnon 3-7-11
Van het weekend Siddharta van Hesse gelezen, even snel, en me weer kortstondig begraven in Metaphysics van P. van Inwagen. (Ik ben tevens wat bladeren in een stuk over Gaudí, een boek over Inquisitie en een inleiding in Zen Shiatsu.) Dat leidde eerst tot een stapel overpeinzingen naar aanleiding van mijn enorme weerzin tegen de denkbeelden in Siddharta - voornamelijk over de vraag waarom ik me er tegen verzet- kortstondig tot een hoogtepunt gekomen in een steekspel over moraal, waarbij ik in de val van het cultuurrelativisme liep en nu genoodzaakt ben mijn wonden te likken en af te wachten.
Voor de dag goed en wel om was liep ik tegen een tweede op: hetzelfde probleem dat me in januari dwars begon te zitten gedurende de cursus Inleiding Ontologie van de faculteit der Wijsbegeerte. Het behelst het idee (ik moet mijn best doen het niet een 'dogma' te noemen omdat ik dan mijn rationele grip op het verhaal verlies) van contingentie. In de Metafysica bestaat de redelijk gecompliceerde kwestie (de vreemdste van alle vragen van deze discipline vind ik) van de vraag naar de reden van het bestaan. Dat is niet de vraag wat wij mensen op aarde doen, of ook maar de zin van het leven, wat een bekendere vraag is. Het is een veel hoger probleem, hoger in de zin van de orde van kennis. Waarom bestaat er namelijk überhaupt iets? Het antwoord is niet 'God heeft de wereld geschapen' of 'de oerknal' of 'a wizard did it', want dat laat nog de vraag naar God, de oerknal en de tovenaar over: die bestaan in die verklaring namelijk ook en moeten ook nog verklaard worden. Het bestaan op zich wordt bevraagd.
Contingentie, in ontologische zin, betekent de niet-noodzakelijkheid van een ding, eigenschap of gebeurtenis. Iets dat contingent is 'zou er net zo goed niet kunnen zijn.' Even zo kort mogelijk: Van Inwagen wendt dit principe aan om aan te geven dat je op die manier meerdere werelden zou kunnen voorstellen, de mogelijke of 'modale' werelden. Als in één van deze werelden iets is dat noodzakelijk bestaat, in zijn boek de Necessary Being genoemd om het neutraal te houden, volgt daaruit dat het in alle werelden moet bestaan omdat iets dat noodzakelijk bestaat onmogelijk niet zou kunnen bestaan op het moment dat je een variant aanbrengt. Dit is de verkorte weergave van het Minimale Modale Argument, misschien doe ik ooit een goede uiteenzetting.
Dit hele argument, wat ik niet verder wil bespreken in deze context omdat ik nog een aflevering Monty Python wilde kijken vanavond, valt of staat bij het contingentiebegrip. Voor mij is dit begrip iets wat Robert Pirsig misschien een 'ghost' zou noemen. Ik heb het namelijk in college ter discussie gesteld tegenover Professor R. van Woudenberg. Mijn poging een serieuze bespreking van het contingentiebegrip te beginnen werd in de kiem gesmoord: de professor beschouwde het begrip als evident en een veilige bouwsteen. Hetzelfde geldt voor Van Inwagen, die links en rechts smijt met het contingentiebegrip maar vrijwel geen woord besteedt aan haar rechtvaardiging. Gisteravond idem dito: ik trok het in twijfel en het werd van de hand gewezen omdat contingentie evident was. Het eerste échte argument viel gisteren wel, met de vooralsnog redelijk instabiele kwestie van kwantummechanica, bouwsteen van de Theorie van de Rekkelijkheid.
Ik merk onder het schrijven dat mijn gedachten nog verre van gestold zijn en dat ik me hier nog uitvoerig dwars mee ga zitten, zeker omdat ik het gevoel heb dat er voorlopig niemand is die bereid of in staat is om met mij serieus het gevecht aan te gaan hierover; om niet uit te gaan van een wat mij betreft onterechte claim tot evidentie maar te redeneren vanuit Socratische onwetendheid. Mijn vraagstuk is het volgende: er staat een boom voor dit huis, op 3 juli 2011. Als het bestaan van deze boom contingent is zou deze boom er ook niet kunnen zijn. Als dit niet zo is zou het bestaan van deze boom noodzakelijk en onvermijdelijk zijn. Afgezien van de kwestie van de kwantummechanica voel ik me op logische gronden aangetrokken tot het tweede en ben ik bereid de consequenties van die keuze te aanvaarden.
Het is een gedachte die tegenstand oproept, heb ik gemerkt. Ik vind ook dat het die tegenstand verdient en nodig eenieder uit om de geestelijke degens te kruisen.
Hugo Maat
30.6.11
Esnesnon 30-6-11
Goedenavond.
Zo. Mijn stemming is gemengd en gecompliceerd. Niets nieuws onder de zon. Niet dat ik inhoudelijke uitleg zal leveren hierover, dat kunt u met mijn vriendelijke groeten op uw buik schrijven. (Ik zal niet ontkennen dat ik erg benieuwd ben of u dat zo zal doen dat u het kunt lezen, oftewel ondersteboven, of dat u rekening zou houden met een eventuele lezer. Een spiegel zou u in het laatste geval natuurlijk niet helpen.)
Welnu. Kunst. Ik vind het een naar onderwerp, voornamelijk omdat ik mijn persoonlijke liefhebberijen aan de kant moet zetten voor een grimmige realiteitszin; een realisme waar vervolgens een dwaas en onbereikbaar verlangen uit voortkomt: alle symptomen van een crisis van middelbare leeftijd met uitzondering van het beginnende buikje en het vreemdgaan. Ik ontdek mijn eigen voorkeur, intuïtie en gevoel in de aanvallen die ik van anderen ontvang; ik zie het ongemakkelijke realisme in het standpunt, in mijn standpunt, dat zij aanvallen; en mijn werkelijke wensdroom blijft verborgen in mijn hoofd, met uitzondering van een terloopse uitspatting of eventueel dit.
Het begon allemaal bij de actuele problematiek van het afschaffen van de cultuursubsidie in Nederland. De politiek heeft zich afgewend van kunst en cultuur, de 'linkse hobby's', en ik vermoed dat ik weinig achtergrondinformatie hoef te leveren als u in Nederland woonachtig bent en een keer een krant gelezen heeft in het afgelopen jaar. Ik verkeer regelmatig in culturele kringen, voornamelijk die van de muziek, en ik word daardoor ook vaak geconfronteerd met de bezuinigingen. Niet dat ik merk dat er bezuinigd wordt omdat ik er last van heb, mijn hinder ontvang ik van de klachten die mijn lotgenoten uiten over de bezuinigingen en de problemen die zij denken te ontvangen als het zover is. Ik bevond mezelf ineens in een staat van beschuldiging toen ik niet bleek te hebben geparticipeerd aan een protestactie tegen de bezuinigingen. Dat doe ik namelijk nooit. Ik had volgens mijn aanklager niets over voor de kunsten. Mijn verdediging werd mij niet in dank afgenomen en werd terzijde geworpen. Ik werd niet rationeel bestreden maar alleen met een emotioneel salvo afgeschoten.
Mijn verdediging is als volgt: Kunst hoort niet door de overheid gesubsidieerd te worden. (Meestal word ik hier onderbroken, maar ik denk dat ik hier voordeel heb aan het medium.) Kunst is een luxe; het is geen levensbehoefte. Het is niet nodig. Ik ontken niet dat het iets moois is. Sterker nog, ik ben dol op kunst. Ik maak zelf een hoop muziek, ik doe aan amateurtoneel, hou van Nederlandse meesters en ben verliefd geworden op de barokke kerken in Rome. Meestal ben ik minder dol op moderne kunst, maar zo nu en dan kan ik dat ook waarderen. Ik wil echter wel dat men erkent dat het gewoon onnodig is. Alle functie van kunst valt onder het kopje 'Extra' en de kosten van al dit moois valt ook onvermijdelijk onder 'Extra kosten.' Wie niet vermogend genoeg is om aan kunst te komen: jammer. Werkelijk waar. Iedereen wil graag een zwembad in de tuin, maar niet iedereen kan dat veroorloven, hoe leuk dat ook is. Ja, ik vergelijk kunst voor dit doel met een zwembad in de tuin. Kunst is ongetwijfeld oneindig veel malen waardevoller en bijzonderder en onvergelijkbaar, het verrijkt ons leven, maar de populisten hebben wel gelijk: het is een hobby. Het is een liefhebberij en kwaliteit is duur. Is het alleen voor rijke mensen? Eigenlijk: ja. Kunst is cultureel kapitaal en om het te hebben moet je het kopen. Dat is erg en niet wenselijk maar het is wel waar.
De cultuursector staat op het punt zware schade op te lopen wegens twee zeer krachtige systemen die aan de basis liggen van onze maatschappij – en dit is waarom het probleem zo diep ligt. Het ene probleem is de democratie. Kunst wordt namelijk maar door een klein onderdeel van de maatschappij wordt gewaardeerd terwijl cultuursubsidie uiteindelijk wordt betaald door een regering die namens alle Nederlanders handelt. Dat maakt het steunen van kunst door de overheid in essentie moeilijk te verdedigden. Het klinkt populistisch, maar het alternatief is het bevoorrechten van een bevolkingsgroep omdat ze cultureel meer ontwikkeld zijn (en waarschijnlijk hoger opgeleid, en in vrijwel alle gevallen ook een stuk welvarender.) De tweede oorzaak is het kapitalisme. Ik zal het zo kort en eenvoudig zeggen als ik maar kan: de kunstensector is in gevaar omdat het teveel kost en te weinig verdient. Er is teveel aanbod voor te weinig vraag, dus een aantal aanbieders zullen gewoon failliet gaan. Als tien fabrikanten honderdduizend koelkasten produceren en er worden maar tienduizend gekocht gaan er gewoon fabrikanten over de kop. En ja, dat is een geldige vergelijking voor kunstenaars. Kunstenaar is een beroep en de kunst is een product, de kunstliefhebber een klant. Dit heeft de mens al eeuwen geweten, sinds de uitvinding van het professioneel artiestenbestaan in een ver en schimmig verleden. Commercieel? Ja. Dat is geen zonde. Tschaikovsky schreef muziekstukken waar hij een hekel aan had, die hem heel veel geld opleverden, die algemeen bejubeld worden vandaag de dag. Alle grote kunstenaars van de Klassieken, Middeleeuwen, de Renaissance, de barok, de Verlichting, de Romantiek, tot aan redelijk kort geleden deden het ófwel om geld te verdienen óf omdat ze al mensonterend rijk waren en het voor hun hobby deden. Het is een probleem van hedendaagse normen en waarden dat men vindt dat kunst daar boven hoort te staan. Dat is namelijk helemaal niet per se waar. Als u kunst wilt hebben of beleven, trek dan de portemonnee, is mijn devies. Een verstandig kunstenaar (het ideale hedendaagse voorbeeld is André Rieu, met zijn walgelijke stronthappende grijns) doet wat hij kan om zoveel mogelijk geld binnen te halen, of door de grootste menigte te behagen (de popmuziek-approach) of door een publiek te vinden dat er erg veel voor betaalt (het principe dat bijvoorbeeld de kunstveilingen in leven houdt.)
Maar zoals ik al zei: ik vind het een grimmige realiteit. Idealiter schaffen we de democratie af en laten we het gepeupel niet langer beslissen over belangrijke dingen. Ik behoor tot de groep van de kunstenaars. Ik zit in de culturele en intellectuele elite, mij zal niets ontbreken. In plaats daarvan probeer ik een zakcentje bij te verdienen door voor mensen met geld cultureel kapitaal te leveren. Daar ligt de toekomst in. In het beste (niet-realistische en alleen gedroomde) scenario wordt het land gedomineerd (niet alleen geregeerd) door de mensen met het meeste geld die intellectueel en cultureel ontwikkeld zijn of op zijn minst daar geld in steken.
Ik word hier naar van. Ik word er heel naar van.
Hugo Maat
17.6.11
Esnesnon 17-6-11
Ja. Nee, ik denk dat ik hem heb. Even kijken.
Afgelopen dinsdag verzeilde ik in de banale conversatie over welke Hollywood-actrice het aantrekkelijkst was. Dat kwam na mijn bewering dat Megan Fox, de dame van de nieuwe Transformers-films en de tiener-slasher-thriller Jennifer's Body, niet aantrekkelijk was. Dat is onconventioneel, een omvangrijk deel van de testosteronisten, vooral rond mijn leeftijdscategorie, is dol op haar en ik meen dat ze een soort van sekssymbool is. Daar heb ik geen last van. Ik kan me eventueel laten overtuigen door anderen dat een bepaalde actrice een leuk smoeltje heeft, maar dat fenomeen heeft ook grenzen. Een korte evalutatie van de walk of fame vertelt me dat ik absoluut ongeïnteresseerd ben in de parade aan oh zo knappe of sexy acteurs en actrices. Ik heb altijd een lijst met klachten klaar, tot aan het subversieve 'te onmenselijk in perfectie dus eng' maar zelfs zonder kritiek te hoeven uiten heb ik ook gewoon een algemeen 'meh.' Het is niet eens uit overtuiging of uit ratio: de verschijning van een actrice (of acteur, for that matter) op een scherm maakt niets in me los, noch in mijn Vitruviaanse venustas-zintuig, noch in mijn fysieke of mentale lendenen, excuses dat ik ter sprake breng.
Mijn verklaring: ik vind het stupide, kortzichtig, oppervlakkig, smakeloos en ronduit zonde om mensen op hun fysieke verschijning te beoordelen. En nee, dat is niet omdat ik vind dat het alleen om het karakter gaat. Ik heb wild aantrekkelijke mensen gekend met een gruwelijk rotkarakter en mensen die absoluut geweldige personen zijn maar met wie ik nooit een intiem moment zou willen delen. Mijn oppervlakkigheid gaat erg diep. Wat ik daarmee bedoel is dat er aan een mens als esthetische entiteit veel meer te beleven valt dan alleen zichtbaar uiterlijk. Stel je voor dat je naar een klassiek orkest gaat en een uur lang naar een symfonie gaat luisteren, om dan dat hele uur alleen naar de tweede violen te luisteren! Misschien zijn het hele mooie violen en kunnen ze het allemaal heel goed, maar is er niet veel meer te beleven? Zou een recensie van die voorstelling op basis van dezelfde observatie niet ontzettend suf zijn? Ander voorbeeld: stel je krijgt een gigantisch toetje, een soort hypothetisch superdessert dat absoluut om te kwijlen is, met vuurwerk, glimmend bestek en uren om het stukje bij beetje op te snoepen, het culinaire hoogtepunt in je leven bereikend tot de tranen in je sokken lopen, (excuses voor de excursie naar de superlatieven) en je eet de slagroom. Alleen de slagroom. Met een plastic lepeltje. Waarna je tegen de verbijsterde kok zegt dat de slagroom echt heel erg lekker was. Kom op nou!
De mens is toebedeeld met een hele set zintuigen en een menselijk lichaam kan worden waargenomen met elk van hen. De hartslag en ademhaling is hoorbaar. Een kus is een smaaksensatie. Elk mens heeft een lichaamsgeur met een compleet palet en melange, rijker in diversiteit dan de wereld van de wijnproeverij ons levert. Daarbij zijn de menselijke feromonen ook nog onbewust waarneembaar, met een ander zintuig dan andere geuren. De warmte van een blos is meer dan een verkleuring van de wangen. Wie zijn ogen sluit kan bovendien ook zijn handen laten kijken, naar het eindeloze wonder van een levend wezen, bewegend, groeiend, kloppende aderen en rillingen over de rug... Ook zonder gelijk in allerlei onbetamelijkheden te vervallen is het mogelijk om een mens waar te nemen als meer dan een plaatje. Is het vreemd dat ik ontevreden ben met een oordeel over aantrekkelijkheid van een mens terwijl ik maar een klein aspect kan zien? Dus nee, ik vind geen van de celebs (BN of import, man of vrouw, jong of oud, zwart of wit, groot of klein en meer tegenstellingen) aantrekkelijk. Ik schort mijn oordeel over Megan 'Boring Fanservice' Fox op tot ik haar vastgehouden heb.
Heh.
Hugo Maat
Esnesnon 16-6-11
Goedenavond.
Ik ga zitten op een klapstoeltje dat harder aanvoelt dan het betonnen perron waar ik net aan begon te wennen. In mijn hoofd klinkt het gejeremieer van een week terug, dat zelfs de stoelen van de eerste klas in een sprinter zitten als houten planken. Het gezeur in mijn geheugen voegt zich in een samenzang met het gezeur in mijn achterste, een hoge en een lage stem, met een enkele dissonant als de trein zich weer in beweging zet en ik het tempo van het typen doorbreek.
Het is op momenten als dit dat ik me pijnlijk bewust word van de kracht van het onderbewuste, aan alle invloeden waar het deel van de hersenen dat we collectief hebben geïdentificeerd als een persoon, een bewustzijn geen grip op heeft. Of zoals het voor mij voelt, opgevoed als ik ben, invloeden waar ík geen controle over kan uitoefenen. Het is evengoed onderdeel van mij, op dezelfde manier waarop mijn teen van mij is als ik 'mijn' teen stoot. Het is correct om te beweren dat ik me stoot, alsof het mijn gehele lichaam en hoedanigheid betreft, hoewel het alleen mijn teen is die contact legt. Het is ook mijn pijn, als deze botsing hard genoeg is. Zo is honger en vermoeidheid, uitputting en ergernis van een dag vol eenzaamheid en moeizame studie allemaal mij. Ik ben die dingen, het is niet iets dat me overkomt zoals een virus dat zich als vreemdeling in me nestelt. Al die toestanden zijn wezenlijke wijzigingen in mij, die ook datgene beïnvloeden wat de klassieke filosofie en gezond verstand maar al te graag als rationeel en onafhankelijk zouden willen zien.
Als ik honger heb of moe ben, zoals nu absoluut het geval is, word ik snel boos. Ik merk het onmiddellijk en mijn meer rationele en mijn rustige kanten zijn verrast omdat ik uit mijn doen ben en niet handel zoals ik zou moeten handelen of gewoon ben te doen. De kleinste dingen, zoals iets te lang wachten op een sms-je als ik om een antwoord gevraagd heb, of een onderhuidse belediging, al dan niet gemeend of al dan niet bestaand: ik voel ze allemaal voorbij komen in het tijdsbestek van een uur en ik reageer in alle gevallen buitenproportioneel. Als het veertien uur eerder was gebeurd, voordat ik begonnen was aan mijn lange zit, mijn wake in het heilige der heiligen van de geschiedvorsers op de Vrije Universiteit, was ik waarschijnlijk een stuk schappelijker geweest. Ik veronderstel dat ik in een normale toestand (normaal zijnde goed gevoed en uitgerust, voorzien van alle basale levensbehoeften die wij verwende Europeanen zo als vanzelfsprekend beschouwen) mijn schouders op zou kunnen halen. Ik zou mijn zinnen kunnen verzetten.
Welnu, ik beschouw het verlies van mijn zelfbeheersing op een dergelijke wijze als iets zeer kwalijks. Ik heb het vast eerder gezegd, vele malen zelfs, ook (of vooral) binnen dit blog, maar toch: ik hecht veel waarde aan zelfbeheersing. Achteloos, koel en laconiek (vernoemd naar de Spartanen oftewel Laconiërs, die desnoods wel in de schaduw vechten of die avond dineren in het gezelschap der doden) zijn waardevolle eigenschappen voor me. Het is een ideaal dat ik nastreef – en dat nastreven lukt heel aardig, kan ik u met een gerust verzekeren. Maar er zijn uitzonderingen, en die uitzonderingen vallen onbehaaglijk dikwijls samen met tekort aan lichamelijke voeding of slaap. Ik kan niet zeggen dat ik in zulke gevallen mijzelf niet ben, wat een comfortabele aanname zou zijn voor mijn over het algemeen rustige ideaaltype; ik ben zoals eerder gezegd evengoed die hysterische waanzinnige, ik ben ook de onrust die over mij komt als een myriade van een myriade aan generaties vol Darwiniaans erfgoed aan de binnen kant van mijn schedel beginnen te krabben, als ze met bezemstelen tegen het plafond stoten dat de vloer van mijn geest is.
Dat brengt mij tot de vreemde notie dat ik eet en slaap om een deel van mijzelf de mond te snoeren: Ik, Ratio, ben de welwillende regent van mijzelf: mijn onderdanen zullen niets tekort komen, en ze zullen hun mond houden. En arresteer hem die ook maar denkt aan een referendum!
Hugo Maat
Ps: Dit werd geschreven in een trein. Alle voorbeelden zijn ontleend aan de werkelijkheid.
6.6.11
Esnesnon 6-6-11
Goedemiddag.
Nog twee of drie van dit soort dagen, van volledige onderdompeling in de stof met geen ander gezelschap dan Whitehead, Krentz, Osborne, Tod, Raubitschek, Rhodes en Burckhardt en ik heb één van mijn werkstukken voor deze periode af. Daar komt nog één dag onderdompeling in de archieven in Den Haag (mooie stad) bij en een onbepaalde hoeveelheid gestuntel met communicatiegeschiedenis en ik heb vakantie. Het enige wat ik feitelijk moet doen is 's ochtends mijn bed uit komen en het openbaar vervoer in kukelen, dan is de rest niet zo bijster moeilijk meer. Niet op studiegebied, althans.
Moeilijker is het om, als ik hard aan het nadenken ben, niet mijn nagels af te kluiven zodat mijn handen op die van Elijah Woods beginnen te lijken (kijk The Lord of the Rings en let er maar eens op). Moeilijker is het om niet tot twee uur 's nachts op te blijven elke dag. Het is ook moeilijk om geduld te hebben met mensen die zich naar mijn mening dom gedragen. Het is een uitdaging niet alvast te beginnen met mijn vakantie, naar de fles of de peuk te grijpen. Maar die problemen zijn weg te werken door vol te houden dat uiteindelijk muziek en studie betere en duurzamere ervaringen opleveren.
Uiteindelijk zijn al die dingen niet eens zo taai. Ik maak me niet zo gek veel zorgen om mezelf. Daarbuiten zijn pas de dingen waar ik me echt om bekommer.
Hugo Maat
20.5.11
Esnesnon 20-5-11
19.5.11
Esnesnon 19-5-11
De datum van vandaag begint mij steeds helderder voor de geest te staan. Niet alleen omdat ik in mijn kortgeleden verstuurde epistel het als inside-joke opschreef in zestiende-eeuwse stijl, maar ook omdat ik veel notities heb geschreven. Ik ben namelijk bezig de eerste stappen te zetten richting een aantal geschreven werken die ik komende maand van plan ben af te leveren. Het eerste begin is altijd makkelijk, dus dat doe ik zo snel mogelijk. Vandaag heb ik etterlijke uren gespendeerd aan oriëntatie op mijn werkstuk over de democratische contrarevolutie in Athene, 403 voor Christus. Ik schrijf een beschouwing over de participatie van niet-Atheners in deze strijd, met name de rol van de welbespraakte en fascinerende persoon van Lysias, de Syracusaanse redenaar die wel eens de belangrijkste protagonist van deze revolte zou kunnen zijn, als men de algemeen erkende aanvoerder Thrasyboulos even buiten beschouwing laat.
Ik heb voldoende uit de hoogte gedaan naar mijn zin. Hier volgt mijn poging om een korte en heldere beschrijving te geven van de gebeurtenissen in Athene rond 403 v.Chr., gebaseerd op een vluchtige studie van wetenschappelijke literatuur, enkele weken college en close-reading van de overgeleverde bronteksten over deze periode. In de vijfde eeuw voor Christus woedt in Griekenland (nog geen politieke eenheid) een oorlog tussen twee sterke stadstaten, Sparta en Athene. Ze hebben beiden een hele schare aan bondgenoten (onderdrukte gebieden die ze als rijpe olijven uitpersen voor hun beider oorlogsmachines) en er zit weinig schot in. Long story short: in 405 wordt Athene geweldig ingemaakt in een zeeslag voor de kust van het huidige Turkije en de Spartaanse generaal Lysander (erg vol van zichzelf, een machtswellusteling, haantje) dwingt na een belegering Athene tot overgave. Als onderdeel van de overgave moet Athene o.a. een Spartaanse 'bondgenoot' worden en in een proces dat niet in alle bronnen gelijk omschreven wordt komen er dertig mannen (feitelijk altijd mannen) aan de macht. Geen van hen heeft een PR-manager of een fatsoenlijke spindoctor, vandaar dat ze op de weinig originele naam van 'De Dertig' uitkomen, een term die door iedereen wordt gehanteerd, van toen tot nu.
Noem het een oligarchie, noem het een clubje tirannen, maar de Dertig laat weinig tijd verloren gaan om er een aardig schrikbewind van te maken. Ze beperken de burgerrechten (die in Athene redelijk ver verspreid waren) tot een clique van drieduizend man, de (zucht) Drieduizend genaamd. Zij zijn onder andere de enigen die wapens mogen dragen. Een flinke club Atheners met democratische sympathieën wordt de stad uit geknikkerd of vlucht stukje bij beetje. De Dertig schakelen ook politieke tegenstanders uit (of ze vermoorden onschuldigen om ze vervolgens te beroven, kies zelf maar), voornamelijk onder de Atheense 'allochtonen', de metoiken. Lysias is één van de benadeelden. Zijn broer wordt ter dood veroordeeld (volgebs Lysias zelf zonder proces), zijn bezit voor een aanzienlijk deel ingenomen maar hij weet te ontsnappen naar Megara. Rond januari 404 is de maat vol voor een aantal bannelingen. Onder leiding van de strateeg Thrasyboulos, een democraat, neemt een detachement van slechts zeventig man de versterkte heuvel van Phyle, ten noordwesten van Athene in. Ze hebben eventueel in het geheim steun van de stadstaat Thebe. Lysias verschaft ongeveer 300 (eventueel 500) soldaten, het merendeel met volledige uitrusting, en met nog wat meer steun, mogelijk van metoiken, groeit het aantal tot 700 man.
Thrasyboulos en zijn mensen houden het een maandje goed uit; de Dertig weten ze niet te verslaan. In Athene worden de maatregelen allemaal wat aangescherpt door het inschakelen van een Spartaans garnizoen om de akropolis (where the Parthenon is) te bezetten, wat de Dertig betaald zouden hebben door wat rijke burgers van kant te maken en tempelschatten om te smelten. Ergens tussendoor is er nog wat gekibbel binnen de Dertig en wordt er nog eentje omgebracht, ben ik vergeten te vertellen, en zo belangrijk is het niet. Goed. Iedereen die niet bij de Drieduizend hoort wordt de stad uit gegooid en de Dertig moorden de nabij gelegen stad Eleusis uit om er een eventueel toevluchtsoord van te maken. Thrasy neemt de havenstad (Piraeus) van Athene in na een veldslag tegen de troepen van de Dertig, vecht nog wat, krijgt steeds meer mensen achter zich en begint de eerste stappen richting Athene zelf te maken. In de laatste fase van het conflict mengen de Spartanen zich er vol in: Lysander keert terug met een vloot, maar één van de Spartaanse koningen, Pausanias, wint de race en gaat met een standard-issue leger naar Athene waar hij slag levert met de democratische bannelingen. Het is niet meer dan een schermutseling en kans voor Pausanias om zijn spierballen te tonen tegenover Lysander (het is niet allemaal pais en vree tussen deze knapen) waarna de Spartanen een verzoening eisen. De Dertig wordt door een revolte binnen de stad afgezet en de oligarchen/tirannen vluchten naar Eleusis, zoals gepland. Een nieuwe club oligarchen, de Tien (headdesks) neemt tijdelijk de honneurs waar maar binnen afzienbare tijd is het weer min of meer terug bij het oude met een herstelde democratie. Happy, happy ending, willen de meeste bronnen doen geloven. Daarna volgt er een gigantische stapel aan rechtzaken en nog wat knokpartijen om de losse eindjes aan elkaar te knopen. (En de knopen door te hakken.)
Tot zover deze episode uit de Atheense geschiedenis en mijn dagelijkse bezigheid, evenals mijn stoutmoedige poging het verhaal kort te houden. Slaap lekker.
Hugo Maat
Ps: Alle onnauwkeurigheden zijn aan mij te wijten, omdat ik uit mijn hoofd en zoals gebruikelijk zonder correcties aan het schrijven ben.
12.5.11
Esnesnon 12-5-11
Ik ben in Turkije op vakantie geweest. Het volgende, korte verslag laat geheel na te vermelden hoe wonderlijk de ruines waren, hoe het eten was, hoe de reis verliep enzovoorts, want die details zijn ofwel goed te vinden in andere reisverslagen, of niet belangrijk genoeg, of beter zelf te beleven. Ik zal zeer summier een bespreking geven van drie onderwerpen die mij aan het hart gaan.
Nummer 1: Op weg naar Efese (Efesus, Efesos, Efes) vond ik een Ray-Ban zonnebril in de berm. Ik was gaan lopen, verwaand en Romantisch als ik ben, en zag deze zonnebril aan de andere kant van een deels verwoeste prikkeldraadversperring liggen. Ik heb mijzelf hierlangs bewogen en heb zo deze verloren of opzettelijk verworpen oogbescherming toegeeigend. Hij is erg licht beschadigd, maar ik vind het prachtig om zoiets te vinden: ik zou naar ik meen nooit zelf een zonnebril van een prestigieus merk gekocht hebben, dus toeval is de enige manier voor mij om toch met het fenomeen kennis te maken. Ik heb dit modieuze artikel nog, het is mijn souvenir.
Nummer 2: Ik heb mij op de laatste dag in Seljuk laten scheren bij een authentieke Turkse kapper. Het was enigszins eng om me het mes op de keel te laten zetten, daar deze methode van scheren mij voornamelijk doet denken aan Sweeney Todd, door mijn moderne referentiekader. Ik ben echter geheel niet gesneden en de behandeling was aangenaam en professioneel. Naast het welbekende schrapen met een vlijmscherp mes over het met scheerschuim bedekte gezicht werd er ook gebruik gemaakt van een erg wonderlijke methode voor het verwijderen van haartjes bij de jukbeenderen en orgen: het in alcohol drenken van een met stof omwonden stokje, om dit vervolgens in brand te steken, waarna het vlammende uiteinde gebruikt wordt om me, zoals een vriendin van me laatst stelde, te swaffelen. Vermoedelijk is het gebruik van dat woord in mijn blog een precedent. Hoe dan ook, voortreffelijke scheerbeurt.
Nummer 3: Uit het raampje van de Dolmuz (excuses voor de eventueel rammelende spelling) naar Kusadasi (Kushadasuh) zag ik een perk vol bloeiende Spaanse margrieten, met witte bladeren en een paarse knop. Op het vliegveld van Izmir, een dag later, zag ik dezelfde bloemen weer. Ze deden me denken aan een pot soortgelijke flora die ik aan een dierbare cadeau had gedaan. De dag dat ik vertrok naar Turkije vernam ik dat ze de bloemen had omgebracht door ze te verdrinken. Ze was bang dat ze uit zouden drogen. Ze schreef me dat ik, indien ik erop zou staan een souvenir mee te nemen, maar beter "geen plant" kon geven. Hariem, mrie of mar? De laatste, denk ik. Niet dat ik nu een wrok koester. Het was voor mij alleen maar een poetisch moment. Dat koester ik wel.
Hugo Maat
19.4.11
Esnesnon 19-4-11
Geheel conform Esnesnon-protocol onbewerkt gepubliceerd. Een beetje een rommel om die reden, geheel niet geholpen door het feit dat ik verkouden en moe ben.
15.4.11
Esnesnon 15-4-11
Vandaag is een heugelijke dag in meerdere opzichten. Mijn wekkerradio deelde mij mee dat het de verjaardag van de McDonalds is, hoezee, het weer is uiterst aangenaam, ik ben in een onstuitbaar goed humeur op de universiteit en er is nog een reden die voor slechts drie of vier mensen bestemd is: de rest van de wereld mag naar mijn gefluit luisteren en krijgt een zeer aangename dag toegewenst.
Geïnspireerd door een paar mensen die hun leven proberen aan te passen (iemand die koppig weigert ooit nog alcohol te drinken na een keer in mijn bijzijn er erg ziek van de te zijn geworden, grote scepsis van mijn kant, maar goed; iemand die besloten heeft de komende maand niets meer aan school uit te voeren; iemand die dat juist wél doet; iemand die op dieet is; iemand die minder wil gaan werken; iemand die besloten heeft niet zoals haar moeder te worden, etc.) ben ik nu ook bezig met een soortgelijke verandering in gedrag. Ik ben namelijk eindelijk weer gaan lezen. Dat vind ik zelf een tikkeltje apart als ik het als een verandering zie, want ik ben mijzelf gewend als een verslinder van boeken. Zeker als kind heb ik heel wat gelezen. De afgelopen twee jaren liep dit sterk terug, door de studie. Ik had zoveel non-fictie te lezen dat ik het moeilijk vond om ook andere boeken ter hand te nemen. Dit had doorwerking tot in de zomervakantie. Ik heb wel boeken gelezen, voor vermaak, maar aanzienlijk veel minder en in de periode tussen de jaarwisseling en begin april liep dit terug tot één boek, eigenlijk belachelijk weinig. Goed, het was een Eco, een joekel van een boek, maar ik heb boeken van gelijke dikte ook wel in een weekend of twee erdoor gejaagd.
Mijn conclusie is dat ik, vooral het afgelopen half jaar, teveel tijd verspeeld heb. Die tijd zit vrijwel in zijn geheel op internet. Het is geestelijk lege, redelijk saaie tijd. Uiteindelijk hebben schrijvers en boeken veel meer te bieden. Er is daar meer creativiteit, meer verhalen en meer vertelkracht. Ik merkte tegen het einde van De Speler van Dostojevki dat ik het echt gemist had. Ik vind het bijna onvoorstelbaar dat ik ooit leestijd voor iets anders ingeruild heb. Het zal wel een beetje een overdreven reactie zijn, de terugval is vaak iets krachtiger en extremer dan de originele staat, denk: jojo-effect. Dus ik lees weer. Vorige week Primo Levi, deze week Dostojevski en een kerel genaamd Rufin, en volgens mijn huidige planning minstens een boek per week. In ruil daarvoor: minder internet.
En ik moet als de wiedeweerga mijn nachtlampje gaan repareren, zodat ik wat meer uren met een boek op mijn kussen kan doorbrengen, gelijk die goeie ouwe tijd.
Hugo Maat
11.4.11
Esnesnon 11-4-11
Goedenavond.
Ik betrad gisteren mijn kamer, laat in de avond, denkend aan seks. Het was een overpeinzing en ik overwoog er iets over te schrijven. Mijn gedachten werden echter gestopt en wentelden zich -in a mercurial fashion- door een enkele aanblik van een vanitas-voorstelling in mijn kamer die me nooit op die manier was verschenen. Bij mijn raam hangt een witte corsage, ik vermoed al anderhalf jaar lang, ondersteboven te drogen. Dat heb ik destijds op aanraden van mijn oudste neef gedaan, die een zelfde soort corsage droeg. Het is nu pas dat dit dode bloempje me werkelijk voorkomt als meer dan decoratie, als een symbool.
Mijn neef stelde voor dat ik me in een oud, vergeeld pak zou steken, een beetje gebogen zou lopen, met de volkomen uitgedroogde corsage in mijn hand, om op een feestje mensen zich ongemakkelijk te laten voelen door hen te tonen hoe de corsage tot stof zou vergaan in mijn hand bij de minste aanraking. Het zou het beeld oproepen van een vampier, of een gedaante van magere Hein (een rol die mij, gezien mijn lichaamsbouw, enigszins op het lijf geschreven is). Ik weet niet precies hoe mijn neef op dit briljante idee gekomen is, noch weet ik of hij het ooit uitgevoerd heeft. Wat ik wel weet is dat ik, het moment dat ik thuis was, de corsage ondersteboven gehangen heb, op mijn kamer, teneinde op zijn minst een volkomen verdroogde corsage te hebben, misschien zelfs om er iets vreemds en angstaanjagends mee te doen. Het was een feestje, waar ik de corsage van kreeg. Het is nu pas, ruim een jaar later, dat ik zonder enige specifieke aanleiding besef hoe pijnlijk toepasselijk het symbool van de verdroogde corsage is. Al mijn gedachten verzetten zich ogenblikkelijk naar een korte contemplatie van de dood.
Ik heb besloten de corsage te houden waar hij is, zodat ik in mijn onbewaakte ogenblikken herinnerd kan worden aan de vergankelijkheid van het leven. De dag dat het dode bloempje daadwerkelijk mag verkruimelen komt nog. Maar dat is een gezwegen belofte die in stilte vervuld zal worden.
Hugo Maat
9.4.11
Esnesnon 9-4-11
Om half één trof ik mezelf op een station, met de pregnante vraag of ik mijn afspraak zou nakomen om bij iemand op de bank te crashen of dat ik naar huis zou gaan. Soms laat ik mijn trots varen voor een basale impuls: de hang naar veiligheid. Aan het einde van de dag wil ik niet meer beleven: ik wil naar de plek waar alles duidelijk is en ik kan slapen.
Op een dag, misschien niet eens zo ver van nu, woon ik op een andere plaats. Hoe lang zal het duren voordat die plek niet langer voelt als een vakantie, of als tijdelijk verblijf, maar als thuis?
7.4.11
Esnesnon 7-4-11
Het voordeel van op eigen initiatief naar de universiteit gaan is de grenzeloze rust. Ik had geen college waar ik op een bepaald tijdstip aanwezig zou moeten zijn als ik het wilde volgen, geen afspraak op een vast tijdstip. Dientengevolge kon ik ervoor kiezen om een trein later te nemen en zit ik nu op de vroege ochtend op de computerzaal. Ik vind het een nuttige besteding van de dag: een treinreis geeft gelijk een zekere orde, het onderscheidt voor mij de ruimte van slaap en wakker worden van de ruimte van activiteit. In de eerste plaats komt dat omdat ik een zekere randvoorwaarde moet behalen voor ik met de trein kan: ik moet ten eerste uit bed zijn, en daarnaast moet ik wakker genoeg zijn om op het juiste perron te komen. Met andere woorden is het voor mij een reden om uit bed te komen. Ten tweede verwijder ik mezelf van de verleiding die bij mij thuis zo ver doorgesijpeld is dat ik bij wijze van spreken geen regel kan typen zonder een nieuwe webpagina te openen. Misschien kan ik mezelf ook wel concentreren thuis als ik mijn best doe, maar op de universiteit, waar die zekere sobere en kalme sfeer hangt van het scriptorium en de collegezaal, is het vele malen gemakkelijker.
Wat dan wel weer tekenend is, is het feit dat ik niet gelijk met zaken als de Atheense Politeia ben begonnen, zoals ik kortgeleden van plan was, maar in een boek dat ik afgelopen vrijdag geleend heb. 'I summersi e i salvati,' vertaald als ' De verdronkenen en de geredden' van Primo Levi, is een boek dat ik min of meer op aanraden van een studiegenoot lees. Ik heb vorig jaar er bewust voor gekozen niet verder te gaan met de studie van de contemporaine geschiedenis, voor een aanzienlijk deel precies om de onderwerpen waar Levi over schrijft te vermijden. Maar om mijn eigen horizon breed te houden en me te kunnen mengen in de filosofische en literaire discussies van de voornoemde studiegenoot besloot ik dat het wel zinnig was om, hoewel ik geen volledige studie eraan zou wijden, toch dit boek te hebben gelezen. Wat het natuurlijk ook voor me verkocht is de mededeling dat het in één adem uit te lezen was, temidden van alle taaiere materie leek me een vlug boek een welkome afwisseling. Wat het in de tweede plaats aantrekkelijk maakte was het feit dat de titel van het boek de spil is voor allerlei interpretaties en discussies: en het gebeurt me zo zelden dat het idee van een gesprek over literatuur me aanspreekt dat ik het niet kon laten mijn eigen poging tot begrijpen van de titel te wagen.
Het boek komt uit 1986 en is bij mijn weten ook het laatste boek van Levi. Het is een boek over de concentratiekampen. Dat is in de eerste plaats wat mij betreft een nadeel. Als ik heel eerlijk ben zou ik het liefst die hele kwestie vergeten en het er nooit meer over hebben. Dat is niet omdat het zo verschrikkelijk is of omdat ik er zelf problemen mee heb. Ik kan er heel slecht tegen dat ik alleen als onwetende toeschouwer kan functioneren, alleen maar verkeerde dingen kan zeggen en geen recht van spreken heb. Het ergste vind ik het automatische schuldgevoel dat de slachtoffers of mensen die zich anderszins aan de Holocaust verbonden voelen bij anderen lijken op te willen roepen. Ik word geacht ontzag te hebben voor hun lijden en nederig te zijn. Ik begrijp dat het gaat om iets dat ik nooit zal kunnen omvatten, maar ik voel me er uitzonderlijk ongemakkelijk bij en volkomen hulpeloos. Soms, zoals op dit moment, heb ik visioenen waarin ik fragiele, getraumatiseerde overlevenden door elkaar schud en zeg: "Ik wéét dat het onvoorstelbaar erg is, kunt u er alstublieft over ophouden? Zal ik een bloem ergens leggen en een minuut stilte houden? Mag ik íéts doen om me niet ongemakkelijk hierover te voelen?" Tot zover mijn visie de herdenkingscultuur.
Het mooie aan het boek is daar gelijk in opgesloten: Levi richt zijn pijlen op iedereen. Hij geeft geen mooi, overzichtelijk zwart-wit plaatje, het is zwart-antraciet. Ik geloof dat de salvati een select groepje zijn. De schaamte en de schuld voor wat er gebeurt is deelt hij uit. Ik ben nog niet eens over de helft van het boek, dus misschien heb ik nog een vertekend beeld. De charme van Levi's werk is dat hij weigert zijn blik af te wenden, niet verbloemt en een dappere poging doet om de werkelijkheid aan het licht te brengen in plaats van het geheel te versimpelen. Volgens mij is dit een symptoom van werkelijke verwerking van het fenomeen. De verdronkenen en de geredden ligt op de grens tussen het vertekenen van de feiten omdat we er nog gevoelig voor zijn en het vergeten van iets dat voor latere generaties, onvermijdelijk en al zovaak gezegd, niet te begrijpen is. Ik denk dat ik het boek lees op dezelfde manier dat iemand naar een herdenking zou gaan. Ik probeer eer te bewijzen aan de herinnering, wat vergeleken met mijn gebruikelijke doen heel vreemd voelt. Welnu, als ik me niet ongemakkelijk zou voelen bij dit alles zou het een onwaardige herdenking zijn.
Hugo Maat
4.4.11
Esnesnon 4-4-11
31.3.11
Esnesnon 31-3-11
27.3.11
Esnesnon 27-3-11
22.3.11
Esnesnon 22-3-11
17.3.11
Esnesnon 17-3-11
8.3.11
Esnesnon 8-3-11
Drie observaties op de vroege ochtend: op de keukentafel ligt een NRC-magazine van afgelopen weekend, met een prominent artikel over de 'Bieber-fever'; de krant op de mat gaat over de tactiek achter de succesvolle PVV en op station Zuid (20.000 betalen) liepen drie kleine kinderen rondjes over de stenen zitplaatsen, met gemaakt-bekakte stemmen zich beklagend over 'de jeugd van tegenwoordig,' zodat mijn eigen mijmeringen over 'de jeugd van tegenwoordig' een scherp parodiërend trekje oppakten en ik vervuld raakte van zelfspot, geconfronteerd zijnde met deze onbedoelde kritiek van een stel minderjarigen. Wat deze drie dingen met elkaar verenigt is dat ze allemaal bijdragen in mijn idee dat ik de samenleving niet begrijp.
Dat wil niet zeggen dat ik alles wat er vandaag de dag gebeurt onverklaarbaar vind. Ik vind zelfs dat ik het uitstekend kan verklaren, arrogant als ik ben. Mijn gebrek is dat ik, om filosofisch genuanceerd te spreken, het niet kan verstehen. De wereld van vandaag de dag is voor mij zo afstandelijk geworden dat ik alleen nog in een cynische, spottende en hooghartige toon erover kan praten. Ik liep een paar dagen terug voor de verandering van het station een andere route door het bruisende winkelcentrum van de wereldstad Almere, en dan niet de nieuw aangelegde terp met alle nieuwe modezaken, maar door een minder modern deel, en ik snapte de mensen op straat niet. Ik had in mijn dagelijkse belevenis niet eens voor ogen dat ze bestonden. Hier staat dan een groepje tieners in hun bontkraagjes te converseren en daar lopen twee huisvrouwen over straat, plenty allochtonen overal, alleen uiterlijk te onderscheiden van de mensen met Duitse wortels, en daar verderop is een kroeg en nog een kroeg, een winkel voor erg goedkope kleding of zaken met onduidelijke verzamelingen... dingen? Ik hoor ze met elkaar praten, maar mijn cultuurfilter verandert ieder woord in grijze ruis. Ik weet op dat moment zeker dat ze het nergens over hebben, dat niemand het ergens over heeft, en dat ik mijn visie van de wereld als zo oneindig veel breder en scherper beschouw dat het geen zin heeft om het ze uit te leggen.
Ik kan al hun sociale handelingen op een afstandje, als een soort vogelspotter, verklaren in termen van lage cultuur, een poging erbij te horen en het erkennen van hiërarchieën in de betreffende groepen. Het heeft alleen geen zin, want ik kom er niet écht in. Ik ben voor hen verpest door de filosofie, de literatuur en de Hochkultur. Ik heb meegemaakt dat mensen met een 'deficiënte vooropleiding' geweldig tegen mij opkijken om vervolgens tegen mij te zeggen dat ik ontzettend veel slimmer ben, wie zou er niet arrogant worden? Als men zich zodanig aan je intellectuele voeten werpt? Wat is er mis met mij dat ik zo anders ben, dat ik wél oh zo intelligent ben? Heb ik een superieur gen? Nee, dat is taboe. Ik heb wel een verklaring maar die werkt alleen voor mij en is ook alleen zinnig voor mij want ik ben de enige die de vraag stelt.
Resultaat: ik voel me alleen. Ik kijk teveel op afstand naar mensen. Ik krijg het niet voor elkaar mensen te respecteren die zichzelf positioneren, bewust of onbewust, als beperkt in horizon of simpelweg dom. En dit is geen kwestie van hoge tegen lage cultuur, hoewel ik het tot zover over mensen uit lagere sociale en (misschien wel dus) intellectuele milieus heb gehad. Ik snap niet alleen de Bieber-fever en de PVV niet, maar ik veracht tevens hipsters en hippies; beschouw de hedendaagse studentencultuur als verdorven; keer me tegen het consumentisme zonder om de natuur of de klassenstrijd te denken; ik hou noch van mainstream noch van underground. Ik vermag IEDEREEN op een afstandje te bekijken, inclusief mezelf. Zelfs mijn ivoren toren bezie ik door een verrekijker of op een schilderij aan de muur.
Soms wil ik me om precies die reden opkrullen, tegen een warme hartslag aannestelen en hopen dat de zon nooit opkomt. Nooit meer.
Excuseer.
21.2.11
Esnesnon 21-2-11
Ik word zo giftig van verkiezingen. Het wordt een wanhopige keuze, wie er mijn stem krijgt in de verkiezingen voor de Provinciale Staten op twee maart. Op provinciaal niveau ben ik niet geïnteresseerd genoeg om een goede keuze te maken, maar daar schijnt niemand zich ook echt om te bekommeren: het gaat alleen maar om de Eerste Kamer in de media en de campagne. Als ik het daar op moet kiezen wordt de keuze alleen maar ingewikkelder gezien het feit dat ik aan iedere partij een hekel heb, in meerdere of in mindere mate. Wegens mijn persoonlijke affiliatie met kunst en onderwijs zit ik al snel aan de linkerkant, maar wegens een aantal redenen, niet allemaal even rationeel, heb ik moeite met die keuze.
SP: Brabo's en Limbo's. Ik ben niet echt een racist, maar de lieden van bezuiden de rivieren en ten noorden van Vlaanderen zijn over het algemeen een object van mijn walging. Ik zou nooit steun kunnen betuigen aan Roemer in welke vorm dan ook, gewoon omdat het een zuiderling is. Geldt overigens ook voor het CDA wegens die rat van een Verhagen.
GroenLinks: Ze steunen de 'politiemissie' in Afghanistan. Hiermee tonen ze zich een stel dwazen, zowel jegens de menselijke geschiedenis (moraal van alle militaire geschiedenis van het Midden-Oosten: blijf uit Afghanistan) en hun eigen geschiedenis (pacifisten, communisten, hippies). Dit soort slap gedrag, ofwel een verraad aan hun principes of gewoon kortzichtigheid, leidt mij ertoe dat ze mijn stem niet krijgen. Mijn haat jegens iedereen die de 'politiemissie' steunt strekt zich ook uit om D66 buiten het plaatje te houden.
PvdA: Laat me niet lachen. Ik weet niet eens waar die partij nog voor is. Ik zie alleen maar een praatje, een keurig opgedreund mantra van eerlijkheid, de liturgie van gelijkheid, het evangelie van de solidariteit, enzovoorts enzoverder.
Ik kan even niet bedenken wie er nog meer links zouden zijn, dus ik ga even verder met het haten van alle andere partijen in Nederland:
VVD: Ik begrijp dat het leuk is voor iedereen die al een inkomen en een huis heeft om te blijven zitten waar ze zitten om de toekomst af te wachten, ofwel gelovend in de Dutch Dream van 'als we onze broekriem maar aanhalen komt het vanzelf allemaal goed' of deze propagerend om het gepeupel blij te houden, maar er is nog een generatie Nederlanders hierna, en daarna. De Chinezen, Indiërs, Brazilianen en vele anderen hebben begrepen dat de toekomst op niemand wacht en ik vrees dat de vaart der volkeren dit land wederom achter zich zal laten. Een beetje meer werken aan de toekomst en grootsheid van dit land.
PVV: Ik heb hier haast geen woorden voor. Deze partij is in contradictie met zich zelf in meer opzichten dan er partijpunten zijn. Het is een frontje dat een massa lege retoriek, machtswil en stupiditeit herbergt.
SGP: Dankzij jullie zijn we in de emancipatiemeter van de EU gedaald tot onder Polen. Dank u wel.
50+: Ik ben er ook nog, verdorie. En een generatie met mij. Als jullie het openbaar vervoer gaan opeisen en mij er geen privileges in geven op basis van mijn leeftijd, (alsof ik zoveel geld heb) is er straks niemand meer die voor jullie opstaat in de bus.
Partij van de Dieren: Stel je voor, ik begin een partij waarin ik de gewone arbeider vertegenwoordig. Ik hou een leuk praatje over het beschermen van de hardwerkende Nederlander en hoeveel we aan hem te danken hebben, maar thuis eet ik geregeld een stuk arbeider. Ik kannibaliseer erop los en eet ongeveer drie Hermans of Ingrids per jaar. Goed, ik vind dat de arbeiders meer leefruimte moeten hebben, en ik ze laat vermoorden zorg ik ervoor dat het pijnloos gebeurt en dat er geen gek ritueel van gemaakt wordt. Ik weet dat deze vergelijking vreselijk karikaturaal, onrealistisch en krom is, maar mijn mening staat vast: deze partij is stom.
ChristenUnie: Nu komt de schok. Suf als ik deze partij vind moet ik toegeven dat ik geloof dat van alle poppenkastpoppen in de huidige politieke arena (ik vind dat overigens een leuk beeld, poppenkastpoppen in een arena) alleen Rouvoet een persoon schijnt te zijn. Hij lijkt een geweten te hebben. Dat geweten is niet helemaal goed afgesteld, en zijn partij correspondeert niet helemaal met mijn eigen visie, maar hij komt zelf als enige over als... nou ja, goed. Arete.
Kortom, ik haat de huidige politiek zoveel dat nota bene de ChristenUnie goed voor de dag komt. Net kreeg ik de suggestie om helemaal niet te gaan stemmen, wat ineens veel zinniger begint te klinken.
Hugo Maat.