26.1.11

Esnesnon 26-1-11

Goedemiddag.

Waarschuwing: het volgende is de eerste versie van mijn essay voor filosofie over een stelling van professor Peter van Inwagen (een Yank) en is daardoor mogelijk redelijk vreemde stof. Het staat hier grotendeels bij wijze van online archief van mijn eigen gebrabbel, maar ook omdat ik dit ding vrijwel in één zit uitgeschreven heb zonder significante correcties. De titel is tot dusver 'Mind-dependent truth' maar ik heb nog anderhalve dag om die naam te veranderen voor mensen die heel erg snel suggesties kunnen leveren. Leukste suggestie krijgt een koekje.

-Filosofie vanaf hier.-
Het ontkennen van het bestaan van een objectieve waarheid stuit snel op weerzin. Zowel vanuit de ‘common sense’ benadering en veel metafysische opvattingen wordt het bestaan van een objectieve waarheid ondersteund. Sommige waarheden zijn immers evident, andere waarheden zijn gebaseerd op de realistische opvatting van een aan de mens onafhankelijke wereld. Van Inwagen geeft hier als argument de waarheid van de hoogte van de Mount Everest, die zonder mensen nog altijd dezelfde hoogte behoudt. Hij beweert aan de hand van het onafhankelijke bestaan van de Mount Everest en haar aan de mens onafhankelijke eigenschappen zoals ruimtelijke omvang, dat de waarheid over deze berg objectief is. Ik ben het hiermee oneens.
Ik wil in dit essay niet aantonen dat de waarheid geen objectief fundament heeft of dat de mens zelf waarheid maakt. Deze punten behoren tot een andere discussie dan degene die ik aan wil gaan. Mijn doel is aan te tonen dat waarheid niet objectief is in de zin van onafhankelijk aan de mens; om aan te tonen dat waarheid niet objectief in de zin van mind-independent is.
Mijn argument, in overzicht, is als volgt:
Waarheid is uitsluitend een eigenschap van uitspraken.
Uitspraken bestaan niet onafhankelijk van de mens.
Waarheid bestaat niet onafhankelijk van de mens.
Voor premisse A is het onderscheid tussen uitspraken en werkelijkheid belangrijk. Volgens de algemeen gehanteerde correspondentietheorie van waarheid is een uitspraak waar zodra deze correspondeert met de werkelijkheid. Deze definitie geeft weer dat waarheid niet aanwezig is in de werkelijkheid maar in uitspraken. Op zijn meest wordt de waarheid van een uitspraak ontleend of gebaseerd op de werkelijkheid. Als de uitspraak ‘de Mount Everest is meer dan acht kilometer hoog’ waar is, door te corresponderen op de werkelijkheid van de ruimtelijke omvang van de berg in kwestie, is die waarheid gelegen in de uitspraak zelf en de manier waarop deze naar de werkelijkheid verwijst.
Waarheid is geen eigenschap van individuele dingen (of van personen, organismen of substanties wat dat betreft): een tafel heeft bijvoorbeeld een aantal poten, een materiaal waar het van gemaakt is, een bepaalde omvang en een kleur, maar in het lijstje met eigenschappen is ‘waarheid’ niet opgenomen. Een mens is ook niet ‘waar’ (buiten de spreekwoordelijke ‘ware Jacob’). Dit wil niet zeggen dat deze dingen onwaar zijn. Dingen zijn simpelweg niet onderhevig aan het criterium van waarheid en zijn noch waar, noch onwaar. Uitspraken hebben wel de potentie waar of onwaar te zijn, de optie van onduidelijkheid daar gelaten. Onder uitspraken vallen in dit geval ook geschreven beweringen en gedachten.
Mijn tweede premisse stelt dat uitspraken niet zonder de mens bestaan. Een uitspraak is een talig fenomeen. In gesproken vorm bestaat de uitspraak niet zonder de taal om hem in de formuleren, in geschreven vorm bestaat deze niet zonder het vermogen te schrijven en de taal waarin het opgesteld wordt en in vorm van gedachte is de gedachte niet-bestaand zonder een geest die deze gedachte vasthoudt. Het is onmogelijk om een uitspraak in de werkelijkheid aan te treffen op dezelfde manier dat men een voorwerp of een organisme aantreft. Alleen de uitdrukking in geluid, beeld of schrift van een uitspraak is aan te treffen in de werkelijkheid, maar daarmee niet de uitspraak in kwestie. Voordat een serie klanken of tekens een uitspraak voorstelt moeten er betekenissen worden verbonden aan de klanken of tekens in kwestie, door het middel van taal. Uitspraken vereisen dus bewuste communicatie, wat weer een mensachtig denkvermogen vereist. Het begrip ‘mens’ hier kan, indien nodig, worden verbreed tot ‘wezen met vermogen tot taal; voor het argument zou bijvoorbeeld een buitenaards wezen met gelijksoortige communicatieve vaardigheden als mens gelden.
Hieruit volgt de conclusie dat waarheid verbonden is met het vermogen uitspraken te doen, een vermogen dat voor zover bekend alleen mensen hebben. En zoals uitspraken in bestaan afhankelijk zijn van talige wezens, mensen, is ook waarheid, dat als criterium alleen van toepassing is op uitspraken, afhankelijk in bestaan van mensen. Hieruit volgt dat waarheid niet mind-independent is en ook niet objectief is. Ik wil niet ontkennen dat de Mount Everest een bepaalde ruimtelijke omvang heeft en de berg zal deze omvang ook hebben zonder dat er mensen bestaan om uitspraken over te doen. Dit maakt de omvang van deze berg echter niet waar, noch een feit (een type uitspraak, immers), het is enkel en alleen een stand van zaken in de werkelijkheid.

Er is voldoende kritiek te leveren op deze opvatting. Ten eerste: is het wel een geldige redenering om de afwezigheid van de verschijningsvormen of tokens op te vatten als een afwezigheid van de eigenschap of type in kwestie? Als er geen rode voorwerpen meer zouden zijn, mogen we dan concluderen dat de kleur rood niet bestaat? Mutatis mutandis, als er geen uitspraken worden gedaan, wil dat dan wel zeggen dat er op dat moment ook geen eigenschap waarheid bestaat? Ten tweede wordt waarheid een criterium genoemd, maar wordt er geen rekening gehouden met waar dat criterium op gebaseerd is. Dit criterium voor waarheid, volgens Van Inwagen, wiens stelling ik aanvecht, is de mind-independent werkelijkheid. Omdat het criterium nog steeds objectief is, is de waarheid dat ook. Ten derde rekent deze argumentatie buiten het bestaan van proposities om. Een propositie drukt een stand van zaken uit zonder uitspraak en kan ook waar of niet waar zijn.# Ten vierde, als antwoord op dit antirealistische standpunt, is de status van de afwijzing van een waarheid onafhankelijk van de mens onduidelijk, omdat de waarheid van deze stelling ook in zijn bestaan afhankelijk aan de mens zou moeten zijn. Als deze stelling niet langer waar is zonder het bestaan van mensen kan er alsnog een voor mensen objectieve waarheid zijn. Ten vijfde: als waarheid van mensen afhankelijk is, zou een driehoek ineens niet meer drie hoeken hebben als er geen mensen meer zouden zijn?

De tegenargumenten zijn niet allemaal even geldig. Naar mijn mening zijn het tweede en het derde argument beide gebaseerd op een andere verhouding tussen waarheid en werkelijkheid. De werkelijkheid is inderdaad in zijn bestaan onafhankelijk van de mens, maar in die werkelijkheid bestaat waarheid niet. Zelfs als men de correspondentietheorie van waarheid volgt, dan blijft de scheiding tussen werkelijkheid en waarheid bestaan, door middel van taal. De waarheid bestaat alleen binnen het kader van de taal: zonder taal zijn er niet eens feiten, er is dan alleen een stand van zaken. Die stand van zaken is niet gelijk aan een propositie: een propositie is een uitdrukking van de stand van zaken, iets dat niet bestaat zolang niemand hier een uitspraak mee doet. Een stand van zaken is vervolgens weer niet waar of onwaar, alleen de uitspraken erover. Het heeft geen zin om te beweren dat twee stoelen in een kamer waar zijn, of dat de ruimtelijke relatie waarin ze staan waar is. Waarheid heeft als eigenschap geen betekenis voor deze zaken en is er niet op van toepassing.
Het vierde argument is ongeldig omdat de afwezigheid van waarheid niet meteen onwaarheid betekent. Dat is niet bedoeld in de zin dat het waarheidsgehalte van sommige uitspraken onduidelijk is. Het betekent dat er dingen zijn waar het criterium van waarheid niet op van toepassing is, waardoor de begrippen ‘waar’ en ‘onwaar’ niet passen. Dit soort dingen zijn ‘niet waar’. Tegen het vierde argument heb ik daarom in te brengen dat de afwezigheid van waarheid in het geval van de afwezigheid van de mens een stand van zaken is, geen uitspraak. Helemaal zeker over dit argument ben ik niet.
Het vijfde argument beschouw ik als een misleidende aanpak, omdat de eigenschap ‘driehoekig’ nog steeds bestaat, als vorm, in de werkelijkheid waar er immers voorwerpen bestaan die driehoekig zijn. De driehoeken in de werkelijkheid zijn echter ‘werkelijk,’ en niet waar. Ook de ideale driehoek heeft als eigenschap slechts een vorm, maar niet de eigenschap ‘waarheid.’ Het feit dat een driehoek drie hoeken heeft is een vorm van uitspraak, en is waar.
Het eerste argument, dat de afwezigheid van de tokens van het type waarheid nog niet de afwezigheid van waarheid betekent vind ik het sterkste van de tegenargumenten en ik moet toegeven dat de redenering dat zonder uitspraken die al dan niet waar kunnen zijn er geen waarheid zou zijn niet waterdicht is. Ik weet niet of een type ophoudt te bestaan als er geen enkel token van is, maar dat komt omdat ik me niet voor kan stellen dat een type door iets anders kenbaar is dan haar tokens. Hoewel ik niet overtuigd ben door dit argument weet ik het ook niet goed te verwerpen.

Het is in dit essay niet mijn bedoeling geweest om uitspraken te doen over waarheidstheorieën en ik heb ook niet willen betogen dat, hoewel ik meen dat waarheid niet objectief is zoals Van Inwagen dat stelt, mensen zelf hun eigen waarheid zouden maken. Ik meen echter wel dat mijn argumentatie geldig is en dat ik hiermee voldoende heb aangetoond dat waarheid niet mind-independent is en dat hierdoor mensen degenen zijn die dingen waar maken.
-Geen filosofie meer vanaf hier.-

Ik hoef vanaf nu alleen nog maar te wachten tot maandag, dan begint het echte studeren weer, in plaats van die massa gebakken lucht waar ik nu al bijna vier weken in hang (ik bedoel de studie filosofie). Ik krijg het weergaloos druk. Naast studie krijg ik twee repetities met toneel per week, om in minder dan een half jaar een Shakespeare uit te werken; heb ik een weekend apart met orkest, de week daarop een weekend vol met concerten, waaronder de finale van het concours voor jeugdorkesten, wish me luck; heb ik ergens in diezelfde maand een schnabbel waar ik nog geld voor vang ook; en het zou me niet onaardig lijken ook nog een beetje sociaal te zijn in die tijd, met de een iets meer dan met de ander. Dat betekent more work, less play voor arme, arme ik. Er zijn zoveel leuke dingen die ik nog moet doen dat ik geen leven meer overhoud. Ik verdien overduidelijk het medelijden van de hele wereld.
-Geen sarcasme meer vanaf hier.-

Hugo Maat

Geen opmerkingen: