8.8.10

Esnesnon 8-8-10

Goedemiddag.

Ik denk wel eens van mezelf dat ik het wonderbaarlijke vermogen heb om me aan ieder mens op aarde te ergeren. Vaak kan ik binnen een kwartier op zijn minst bij ieder persoon een reden verzinnen om me aan diegene te ergeren. Die instelling leidt tot mijn hoge mate van misanthropie en helpt bij het genoegen dat ik schep uit alleen zijn. Het is echter niet een altijd en overal geldende waarheid.

Er zijn namelijk, bij hoge uitzondering, mensen waar ik me niet aan kan ergeren. Ik heb het dan over drie of vier die ik persoonlijk ken. Dat zijn mensen die ten alle tijden het voor elkaar krijgen om mij op mijn gemak te laten voelen. Het zijn de mensen aan wie ik zou kunnen vertellen hoe ik me voel, wat me bezig houdt. Het zijn de mensen waarbij ik me niet zou schamen voor wat ik doe of denk, de mensen die me altijd tot rust brengen. Het zijn wonderbaarlijke mensen, maar gek genoeg zijn het niet degenen die ik normaal als mijn beste vrienden beschouw, of überhaupt nauwelijks als vrienden. Iets wat ze eigenlijk wel zijn en anders naar mijn mening verdienen. Vandaag een kort spotlight op één van deze mensen.

Mijn pianodocent, René, is één van de meest relaxte mensen die ik ken. Ik heb hem nooit boos gezien, nooit ongelukkig, wel eens vrolijk maar nooit uitbundig. Hij is wel eens opgewonden en gefascineerd, maar altijd op een rustige en enigszins afwezige manier. Het gaat in die gevallen overigens eigenlijk altijd over muziek. Hij is een kunstenaar, een toegewijde in dat geval, die nooit zijn gevoelige jaren (ik gok de jaren '70 of '80) achter zich gelaten heeft. Hoewel hij niet wars is van moderne technologie en zich ook niet kleedt alsof hij zijn zolder onlangs opgeruimd heeft is er iets in zijn manier van doen en praten die van een andere tijd is, een tijd dat andere dingen belangrijker waren en de tijd niet op dezelfde manier verliep.

Ik vind het gemakkelijk om hem te beschrijven. Ik ken hem namelijk erg lang. Ik heb al les van hem sinds mijn achtste op zijn minst, wat betekent dat hij al meer dan de helft van mijn leven mijn docent is. Iedereen die ik buiten mijn familie ken legt het daarom tegen hem af. Ik kan het uitstekend met hem vinden. Nooit heb ik echt een andere docent overwogen of nodig gehad of ben ik ontevreden geweest met mijn wekelijkse lessen. Toch is het pas iets van het laatste jaar dat ik ben gaan beseffen hoezeer ik hem eigenlijk mag en dat ik toch al jaar in jaar uit iedere week samen met hem achter een piano zit wat hem tot een van mijn trouwste kennissen maakt. Zelfs als ik er nu over nadenk verbaast het me eigenlijk. Het lijkt helemaal niet bij de rest van mijn leven te passen.

Iets als een jaar geleden was ik op het randje om een avond lang een emotioneel wrak te zijn, nadat mijn toenmalige vriendin het had uitgemaakt. Binnen een half uur had ik pianoles. Ik kwam binnen met de aankondiging dat ik misschien een beetje afgeleid zou zijn en vertelde wat er gebeurd was. René's enige commentaar was: 'Goh, wat kut.' Dat heb ik hem nooit horen zeggen in al die jaren. Ik was dus meteen getroost. De volgende ochtend was ik weer keurig in orde. Eindeloos doorgezaagd worden door een goede vriend van me over de onvermijdelijke ellende van het leven hielp eigenlijk totaal niet, terwijl een enkel teken van nooit eerder vertoond medeleven me meteen wakker schudde en overeind hielp. Ik weet niet goed waarom ik dit vertel. Ik denk om zelf niet te vergeten hoeveel sommige mensen voor me betekenen en hoe zelden ik dat besef. Mijn docent verdient een dankbaarheid die ik hem nooit kan tonen. Dat geldt maar voor zeer weinig mensen.

Hugo Maat

Geen opmerkingen: