Goedemorgen.
Vandaag is een heugelijke dag in meerdere opzichten. Mijn wekkerradio deelde mij mee dat het de verjaardag van de McDonalds is, hoezee, het weer is uiterst aangenaam, ik ben in een onstuitbaar goed humeur op de universiteit en er is nog een reden die voor slechts drie of vier mensen bestemd is: de rest van de wereld mag naar mijn gefluit luisteren en krijgt een zeer aangename dag toegewenst.
Geïnspireerd door een paar mensen die hun leven proberen aan te passen (iemand die koppig weigert ooit nog alcohol te drinken na een keer in mijn bijzijn er erg ziek van de te zijn geworden, grote scepsis van mijn kant, maar goed; iemand die besloten heeft de komende maand niets meer aan school uit te voeren; iemand die dat juist wél doet; iemand die op dieet is; iemand die minder wil gaan werken; iemand die besloten heeft niet zoals haar moeder te worden, etc.) ben ik nu ook bezig met een soortgelijke verandering in gedrag. Ik ben namelijk eindelijk weer gaan lezen. Dat vind ik zelf een tikkeltje apart als ik het als een verandering zie, want ik ben mijzelf gewend als een verslinder van boeken. Zeker als kind heb ik heel wat gelezen. De afgelopen twee jaren liep dit sterk terug, door de studie. Ik had zoveel non-fictie te lezen dat ik het moeilijk vond om ook andere boeken ter hand te nemen. Dit had doorwerking tot in de zomervakantie. Ik heb wel boeken gelezen, voor vermaak, maar aanzienlijk veel minder en in de periode tussen de jaarwisseling en begin april liep dit terug tot één boek, eigenlijk belachelijk weinig. Goed, het was een Eco, een joekel van een boek, maar ik heb boeken van gelijke dikte ook wel in een weekend of twee erdoor gejaagd.
Mijn conclusie is dat ik, vooral het afgelopen half jaar, teveel tijd verspeeld heb. Die tijd zit vrijwel in zijn geheel op internet. Het is geestelijk lege, redelijk saaie tijd. Uiteindelijk hebben schrijvers en boeken veel meer te bieden. Er is daar meer creativiteit, meer verhalen en meer vertelkracht. Ik merkte tegen het einde van De Speler van Dostojevki dat ik het echt gemist had. Ik vind het bijna onvoorstelbaar dat ik ooit leestijd voor iets anders ingeruild heb. Het zal wel een beetje een overdreven reactie zijn, de terugval is vaak iets krachtiger en extremer dan de originele staat, denk: jojo-effect. Dus ik lees weer. Vorige week Primo Levi, deze week Dostojevski en een kerel genaamd Rufin, en volgens mijn huidige planning minstens een boek per week. In ruil daarvoor: minder internet.
En ik moet als de wiedeweerga mijn nachtlampje gaan repareren, zodat ik wat meer uren met een boek op mijn kussen kan doorbrengen, gelijk die goeie ouwe tijd.
Hugo Maat
15.4.11
11.4.11
Esnesnon 11-4-11
Mercurial: letterlijk vertaald 'kwikachtig,' een term die in het Nederlands voor zover ik weet niet wordt gehanteerd, behalve misschien in gesprekken over scheikunde waar ik me in principe niet aan waag. Een auteur gebruikte het om een plotselinge verandering in aandacht aan te geven van een personage met een erg geborneerde spanningsboog.
Goedenavond.
Ik betrad gisteren mijn kamer, laat in de avond, denkend aan seks. Het was een overpeinzing en ik overwoog er iets over te schrijven. Mijn gedachten werden echter gestopt en wentelden zich -in a mercurial fashion- door een enkele aanblik van een vanitas-voorstelling in mijn kamer die me nooit op die manier was verschenen. Bij mijn raam hangt een witte corsage, ik vermoed al anderhalf jaar lang, ondersteboven te drogen. Dat heb ik destijds op aanraden van mijn oudste neef gedaan, die een zelfde soort corsage droeg. Het is nu pas dat dit dode bloempje me werkelijk voorkomt als meer dan decoratie, als een symbool.
Mijn neef stelde voor dat ik me in een oud, vergeeld pak zou steken, een beetje gebogen zou lopen, met de volkomen uitgedroogde corsage in mijn hand, om op een feestje mensen zich ongemakkelijk te laten voelen door hen te tonen hoe de corsage tot stof zou vergaan in mijn hand bij de minste aanraking. Het zou het beeld oproepen van een vampier, of een gedaante van magere Hein (een rol die mij, gezien mijn lichaamsbouw, enigszins op het lijf geschreven is). Ik weet niet precies hoe mijn neef op dit briljante idee gekomen is, noch weet ik of hij het ooit uitgevoerd heeft. Wat ik wel weet is dat ik, het moment dat ik thuis was, de corsage ondersteboven gehangen heb, op mijn kamer, teneinde op zijn minst een volkomen verdroogde corsage te hebben, misschien zelfs om er iets vreemds en angstaanjagends mee te doen. Het was een feestje, waar ik de corsage van kreeg. Het is nu pas, ruim een jaar later, dat ik zonder enige specifieke aanleiding besef hoe pijnlijk toepasselijk het symbool van de verdroogde corsage is. Al mijn gedachten verzetten zich ogenblikkelijk naar een korte contemplatie van de dood.
Ik heb besloten de corsage te houden waar hij is, zodat ik in mijn onbewaakte ogenblikken herinnerd kan worden aan de vergankelijkheid van het leven. De dag dat het dode bloempje daadwerkelijk mag verkruimelen komt nog. Maar dat is een gezwegen belofte die in stilte vervuld zal worden.
Hugo Maat
Goedenavond.
Ik betrad gisteren mijn kamer, laat in de avond, denkend aan seks. Het was een overpeinzing en ik overwoog er iets over te schrijven. Mijn gedachten werden echter gestopt en wentelden zich -in a mercurial fashion- door een enkele aanblik van een vanitas-voorstelling in mijn kamer die me nooit op die manier was verschenen. Bij mijn raam hangt een witte corsage, ik vermoed al anderhalf jaar lang, ondersteboven te drogen. Dat heb ik destijds op aanraden van mijn oudste neef gedaan, die een zelfde soort corsage droeg. Het is nu pas dat dit dode bloempje me werkelijk voorkomt als meer dan decoratie, als een symbool.
Mijn neef stelde voor dat ik me in een oud, vergeeld pak zou steken, een beetje gebogen zou lopen, met de volkomen uitgedroogde corsage in mijn hand, om op een feestje mensen zich ongemakkelijk te laten voelen door hen te tonen hoe de corsage tot stof zou vergaan in mijn hand bij de minste aanraking. Het zou het beeld oproepen van een vampier, of een gedaante van magere Hein (een rol die mij, gezien mijn lichaamsbouw, enigszins op het lijf geschreven is). Ik weet niet precies hoe mijn neef op dit briljante idee gekomen is, noch weet ik of hij het ooit uitgevoerd heeft. Wat ik wel weet is dat ik, het moment dat ik thuis was, de corsage ondersteboven gehangen heb, op mijn kamer, teneinde op zijn minst een volkomen verdroogde corsage te hebben, misschien zelfs om er iets vreemds en angstaanjagends mee te doen. Het was een feestje, waar ik de corsage van kreeg. Het is nu pas, ruim een jaar later, dat ik zonder enige specifieke aanleiding besef hoe pijnlijk toepasselijk het symbool van de verdroogde corsage is. Al mijn gedachten verzetten zich ogenblikkelijk naar een korte contemplatie van de dood.
Ik heb besloten de corsage te houden waar hij is, zodat ik in mijn onbewaakte ogenblikken herinnerd kan worden aan de vergankelijkheid van het leven. De dag dat het dode bloempje daadwerkelijk mag verkruimelen komt nog. Maar dat is een gezwegen belofte die in stilte vervuld zal worden.
Hugo Maat
9.4.11
Esnesnon 9-4-11
Het is kwart over één, midden in de nacht, als ik op de drempel sta van die vreemde plaats: de plek waar mijn sleutel op de deur past, de plek die ik tot op de centimeter ken alsof ik door een droom wandel die ik al duizend keer meegemaakt heb. Het is de plaats waar ik mijn dromen laat als ik ze niet aan het bouwen ben, waar ik ze ook altijd terug vind. De alcohol benevelt mijn zintuigen en de chocola wakkert de dierlijke drang tot jagen aan, tot op de drempel. Op de drempel weet ik dat er een plek is waar ik rust en dat het hier is. Ik weet dat er een plaats is waar mijn ego is als ik me klein voel, er is een plaats waar mijn orde is als ik in paniek ben, er is een plaats van stilte wanneer ik overschreeuwd word.
Om half één trof ik mezelf op een station, met de pregnante vraag of ik mijn afspraak zou nakomen om bij iemand op de bank te crashen of dat ik naar huis zou gaan. Soms laat ik mijn trots varen voor een basale impuls: de hang naar veiligheid. Aan het einde van de dag wil ik niet meer beleven: ik wil naar de plek waar alles duidelijk is en ik kan slapen.
Op een dag, misschien niet eens zo ver van nu, woon ik op een andere plaats. Hoe lang zal het duren voordat die plek niet langer voelt als een vakantie, of als tijdelijk verblijf, maar als thuis?
Om half één trof ik mezelf op een station, met de pregnante vraag of ik mijn afspraak zou nakomen om bij iemand op de bank te crashen of dat ik naar huis zou gaan. Soms laat ik mijn trots varen voor een basale impuls: de hang naar veiligheid. Aan het einde van de dag wil ik niet meer beleven: ik wil naar de plek waar alles duidelijk is en ik kan slapen.
Op een dag, misschien niet eens zo ver van nu, woon ik op een andere plaats. Hoe lang zal het duren voordat die plek niet langer voelt als een vakantie, of als tijdelijk verblijf, maar als thuis?
7.4.11
Esnesnon 7-4-11
Goedemorgen.
Het voordeel van op eigen initiatief naar de universiteit gaan is de grenzeloze rust. Ik had geen college waar ik op een bepaald tijdstip aanwezig zou moeten zijn als ik het wilde volgen, geen afspraak op een vast tijdstip. Dientengevolge kon ik ervoor kiezen om een trein later te nemen en zit ik nu op de vroege ochtend op de computerzaal. Ik vind het een nuttige besteding van de dag: een treinreis geeft gelijk een zekere orde, het onderscheidt voor mij de ruimte van slaap en wakker worden van de ruimte van activiteit. In de eerste plaats komt dat omdat ik een zekere randvoorwaarde moet behalen voor ik met de trein kan: ik moet ten eerste uit bed zijn, en daarnaast moet ik wakker genoeg zijn om op het juiste perron te komen. Met andere woorden is het voor mij een reden om uit bed te komen. Ten tweede verwijder ik mezelf van de verleiding die bij mij thuis zo ver doorgesijpeld is dat ik bij wijze van spreken geen regel kan typen zonder een nieuwe webpagina te openen. Misschien kan ik mezelf ook wel concentreren thuis als ik mijn best doe, maar op de universiteit, waar die zekere sobere en kalme sfeer hangt van het scriptorium en de collegezaal, is het vele malen gemakkelijker.
Wat dan wel weer tekenend is, is het feit dat ik niet gelijk met zaken als de Atheense Politeia ben begonnen, zoals ik kortgeleden van plan was, maar in een boek dat ik afgelopen vrijdag geleend heb. 'I summersi e i salvati,' vertaald als ' De verdronkenen en de geredden' van Primo Levi, is een boek dat ik min of meer op aanraden van een studiegenoot lees. Ik heb vorig jaar er bewust voor gekozen niet verder te gaan met de studie van de contemporaine geschiedenis, voor een aanzienlijk deel precies om de onderwerpen waar Levi over schrijft te vermijden. Maar om mijn eigen horizon breed te houden en me te kunnen mengen in de filosofische en literaire discussies van de voornoemde studiegenoot besloot ik dat het wel zinnig was om, hoewel ik geen volledige studie eraan zou wijden, toch dit boek te hebben gelezen. Wat het natuurlijk ook voor me verkocht is de mededeling dat het in één adem uit te lezen was, temidden van alle taaiere materie leek me een vlug boek een welkome afwisseling. Wat het in de tweede plaats aantrekkelijk maakte was het feit dat de titel van het boek de spil is voor allerlei interpretaties en discussies: en het gebeurt me zo zelden dat het idee van een gesprek over literatuur me aanspreekt dat ik het niet kon laten mijn eigen poging tot begrijpen van de titel te wagen.
Het boek komt uit 1986 en is bij mijn weten ook het laatste boek van Levi. Het is een boek over de concentratiekampen. Dat is in de eerste plaats wat mij betreft een nadeel. Als ik heel eerlijk ben zou ik het liefst die hele kwestie vergeten en het er nooit meer over hebben. Dat is niet omdat het zo verschrikkelijk is of omdat ik er zelf problemen mee heb. Ik kan er heel slecht tegen dat ik alleen als onwetende toeschouwer kan functioneren, alleen maar verkeerde dingen kan zeggen en geen recht van spreken heb. Het ergste vind ik het automatische schuldgevoel dat de slachtoffers of mensen die zich anderszins aan de Holocaust verbonden voelen bij anderen lijken op te willen roepen. Ik word geacht ontzag te hebben voor hun lijden en nederig te zijn. Ik begrijp dat het gaat om iets dat ik nooit zal kunnen omvatten, maar ik voel me er uitzonderlijk ongemakkelijk bij en volkomen hulpeloos. Soms, zoals op dit moment, heb ik visioenen waarin ik fragiele, getraumatiseerde overlevenden door elkaar schud en zeg: "Ik wéét dat het onvoorstelbaar erg is, kunt u er alstublieft over ophouden? Zal ik een bloem ergens leggen en een minuut stilte houden? Mag ik íéts doen om me niet ongemakkelijk hierover te voelen?" Tot zover mijn visie de herdenkingscultuur.
Het mooie aan het boek is daar gelijk in opgesloten: Levi richt zijn pijlen op iedereen. Hij geeft geen mooi, overzichtelijk zwart-wit plaatje, het is zwart-antraciet. Ik geloof dat de salvati een select groepje zijn. De schaamte en de schuld voor wat er gebeurt is deelt hij uit. Ik ben nog niet eens over de helft van het boek, dus misschien heb ik nog een vertekend beeld. De charme van Levi's werk is dat hij weigert zijn blik af te wenden, niet verbloemt en een dappere poging doet om de werkelijkheid aan het licht te brengen in plaats van het geheel te versimpelen. Volgens mij is dit een symptoom van werkelijke verwerking van het fenomeen. De verdronkenen en de geredden ligt op de grens tussen het vertekenen van de feiten omdat we er nog gevoelig voor zijn en het vergeten van iets dat voor latere generaties, onvermijdelijk en al zovaak gezegd, niet te begrijpen is. Ik denk dat ik het boek lees op dezelfde manier dat iemand naar een herdenking zou gaan. Ik probeer eer te bewijzen aan de herinnering, wat vergeleken met mijn gebruikelijke doen heel vreemd voelt. Welnu, als ik me niet ongemakkelijk zou voelen bij dit alles zou het een onwaardige herdenking zijn.
Hugo Maat
Het voordeel van op eigen initiatief naar de universiteit gaan is de grenzeloze rust. Ik had geen college waar ik op een bepaald tijdstip aanwezig zou moeten zijn als ik het wilde volgen, geen afspraak op een vast tijdstip. Dientengevolge kon ik ervoor kiezen om een trein later te nemen en zit ik nu op de vroege ochtend op de computerzaal. Ik vind het een nuttige besteding van de dag: een treinreis geeft gelijk een zekere orde, het onderscheidt voor mij de ruimte van slaap en wakker worden van de ruimte van activiteit. In de eerste plaats komt dat omdat ik een zekere randvoorwaarde moet behalen voor ik met de trein kan: ik moet ten eerste uit bed zijn, en daarnaast moet ik wakker genoeg zijn om op het juiste perron te komen. Met andere woorden is het voor mij een reden om uit bed te komen. Ten tweede verwijder ik mezelf van de verleiding die bij mij thuis zo ver doorgesijpeld is dat ik bij wijze van spreken geen regel kan typen zonder een nieuwe webpagina te openen. Misschien kan ik mezelf ook wel concentreren thuis als ik mijn best doe, maar op de universiteit, waar die zekere sobere en kalme sfeer hangt van het scriptorium en de collegezaal, is het vele malen gemakkelijker.
Wat dan wel weer tekenend is, is het feit dat ik niet gelijk met zaken als de Atheense Politeia ben begonnen, zoals ik kortgeleden van plan was, maar in een boek dat ik afgelopen vrijdag geleend heb. 'I summersi e i salvati,' vertaald als ' De verdronkenen en de geredden' van Primo Levi, is een boek dat ik min of meer op aanraden van een studiegenoot lees. Ik heb vorig jaar er bewust voor gekozen niet verder te gaan met de studie van de contemporaine geschiedenis, voor een aanzienlijk deel precies om de onderwerpen waar Levi over schrijft te vermijden. Maar om mijn eigen horizon breed te houden en me te kunnen mengen in de filosofische en literaire discussies van de voornoemde studiegenoot besloot ik dat het wel zinnig was om, hoewel ik geen volledige studie eraan zou wijden, toch dit boek te hebben gelezen. Wat het natuurlijk ook voor me verkocht is de mededeling dat het in één adem uit te lezen was, temidden van alle taaiere materie leek me een vlug boek een welkome afwisseling. Wat het in de tweede plaats aantrekkelijk maakte was het feit dat de titel van het boek de spil is voor allerlei interpretaties en discussies: en het gebeurt me zo zelden dat het idee van een gesprek over literatuur me aanspreekt dat ik het niet kon laten mijn eigen poging tot begrijpen van de titel te wagen.
Het boek komt uit 1986 en is bij mijn weten ook het laatste boek van Levi. Het is een boek over de concentratiekampen. Dat is in de eerste plaats wat mij betreft een nadeel. Als ik heel eerlijk ben zou ik het liefst die hele kwestie vergeten en het er nooit meer over hebben. Dat is niet omdat het zo verschrikkelijk is of omdat ik er zelf problemen mee heb. Ik kan er heel slecht tegen dat ik alleen als onwetende toeschouwer kan functioneren, alleen maar verkeerde dingen kan zeggen en geen recht van spreken heb. Het ergste vind ik het automatische schuldgevoel dat de slachtoffers of mensen die zich anderszins aan de Holocaust verbonden voelen bij anderen lijken op te willen roepen. Ik word geacht ontzag te hebben voor hun lijden en nederig te zijn. Ik begrijp dat het gaat om iets dat ik nooit zal kunnen omvatten, maar ik voel me er uitzonderlijk ongemakkelijk bij en volkomen hulpeloos. Soms, zoals op dit moment, heb ik visioenen waarin ik fragiele, getraumatiseerde overlevenden door elkaar schud en zeg: "Ik wéét dat het onvoorstelbaar erg is, kunt u er alstublieft over ophouden? Zal ik een bloem ergens leggen en een minuut stilte houden? Mag ik íéts doen om me niet ongemakkelijk hierover te voelen?" Tot zover mijn visie de herdenkingscultuur.
Het mooie aan het boek is daar gelijk in opgesloten: Levi richt zijn pijlen op iedereen. Hij geeft geen mooi, overzichtelijk zwart-wit plaatje, het is zwart-antraciet. Ik geloof dat de salvati een select groepje zijn. De schaamte en de schuld voor wat er gebeurt is deelt hij uit. Ik ben nog niet eens over de helft van het boek, dus misschien heb ik nog een vertekend beeld. De charme van Levi's werk is dat hij weigert zijn blik af te wenden, niet verbloemt en een dappere poging doet om de werkelijkheid aan het licht te brengen in plaats van het geheel te versimpelen. Volgens mij is dit een symptoom van werkelijke verwerking van het fenomeen. De verdronkenen en de geredden ligt op de grens tussen het vertekenen van de feiten omdat we er nog gevoelig voor zijn en het vergeten van iets dat voor latere generaties, onvermijdelijk en al zovaak gezegd, niet te begrijpen is. Ik denk dat ik het boek lees op dezelfde manier dat iemand naar een herdenking zou gaan. Ik probeer eer te bewijzen aan de herinnering, wat vergeleken met mijn gebruikelijke doen heel vreemd voelt. Welnu, als ik me niet ongemakkelijk zou voelen bij dit alles zou het een onwaardige herdenking zijn.
Hugo Maat
4.4.11
Esnesnon 4-4-11
Realiseren: een idee tot werkelijkheid maken.
Zich realiseren: werkelijkheid in een idee aanschouwelijk maken aan zichzelf.
Hallo.
Twee jaar terug, toen mijn wereld en mijn hoofd ietsje kleiner waren, werd ik geëxamineerd over het onderwerp wijsbegerige ethiek. De toets zelf staat mij nog maar weinig van bij. Wat ik wel goed herinner is dat veel van de leerlingen die ook deelgenomen hadden achteraf elkaar bevroegen over een vraag waar ze het antwoord niet op wisten. Natuurlijk was hierbij ook de onmiddellijke conclusie dat het een onrechtvaardige vraag was omdat niemand het antwoord had kunnen weten. De vraag informeerde naar de stelling van de Schotse filosoof David Hume over het verschil tussen 'is and ought'. Ik kende deze stelling als 'zijn en behoren', dus een vertaling voelde op zijn plaats. Misschien komt het omdat mijn ego zich danig gestreeld voelde door mijn schijnbaar exclusieve kennis dat ik het nog zo helder voor de geest heb. Ik ben ook maar een mens, en ijdelheid is mijn favoriete zonde.
Hoe dan ook: het verschil tussen zijn en behoren. Dit is een stelling over ethiek en ondanks zijn eenvoud en het feit dat veel mensen het als onweersprekelijke en nutteloze uitspraak zien is het een belangrijke observatie. Alleen omdat iets zo is, betekent het niet dat het zo hoort te zijn. Met andere woorden, de realiteit vertelt ons niets over het goede. Voor Hume (en ik vermoed ook na hem) zijn er filosofen geweest die meenden dat het geheim van het goede leven besloten lag in de wetten der natuur, of dat het feit dat mensen iets al aan het doen zijn bewijst dat het goed is. Zal ik even extrapoleren? Het zou gebruikt kunnen worden om het populaire argument 'het is een andere cultuur' aan te vallen, door te stellen dat: 'enkel omdat mensen iets doen, het nog niet betekent dat het goed is; het betekent alleen dat het werkelijk is.' Het is ook een feit dat er mensen zijn die moorden plegen. Het is werkelijk zo dat in veel diersoorten de ouders de kinderen verlaten. Daar is niets 'moreel' aan, het is alleen echt.
Dat gezegd hebbende wil ik een lans breken voor twee zaken die ik in persoonlijke kring zelden verdedigd hoor worden. Het gaat me in de eerste plaats om het socialisme. Ik bedoel niet dat de Sovjet-Unie een heilstaat was. Ik bedoel niet dat de arbeidersklasse door de bourgeoisie onderdrukt wordt. Ik wil niet impliceren dat ik geloof dat de mens vervreemdt van zijn arbeid in de industriële maatschappij. Ik wil geen steun betuigen aan de SP of iets dergelijks. Liever wil ik zeggen dat ik het begrijp. Ik geloof althans dat ik het begrijp. In het socialisme is een kracht gelegen, de kracht die over de hele wereld mensen mobiliseerde, levens en hele landen veranderde. Die kracht was niet gebonden aan een persoon. Soms concentreerde het fenomeen zich rond een grote leider of inspirator, maar de hamer en sikkel, de rode vlag, de Internationale maar vooral het ideaal steeg boven dat alles uit en wist elke keer weer nieuwe voedingsbodem te vinden, waar het vaak met zout, zweet, olie en staal bestreden werd. Ik denk dat ik begrijp waarom socialisme niet dood te krijgen is. Het socialisme leeft op onrechtvaardigheid. Het kost niet veel moeite om te zien dat 'some are blessed, some not,' dat er 'have' en 'have-nots' zijn. Sommige mensen hebben geld, grotere huizen en auto's, meer vrije tijd en bovenal minder zorgen. Tegenover elk van hen is een groter aantal dat die dingen niet heeft, en het ergste van alles: waarschijnlijk nooit zal krijgen. "Als je voor een dubbeltje geboren bent," luidde ooit de tekst. Veel mensen zullen nooit een kwartje krijgen. 'Daarboven' zitten mensen met onvoorstelbaar veel meer geld. Ik heb er een klein beetje van meegekregen, door mijn bezoekjes in het Gooi. Ik heb genoeg gezien om te weten dat er rijkdom is die ik nooit zal kennen en vrijwel iedereen die ik ken zal daar ook nooit aan komen.
Wat is het antwoord? De vraag is niet zozeer waarom daarboven zoveel geld verdiend wordt, dat zijn allemaal verdere versieringen van het socialisme. Een veel oprechtere vraag is 'waarom zij?' Zijn er daarboven daadwerkelijk mensen die harder werken, mensen die het verdienen te verdienen omdat ze 'betere mensen' zijn? Een populaire en gemakkelijke reactie is om te stellen dat het allemaal misdadig is, dat het een gesloten ons-kent-ons is dat de armere mensen uitbuit. Ze zouden daar aan de top zijn omdat het slechtere mensen zijn. In werkelijkheid is het allemaal serendipiteit. "I don't know if there's a reason, why some are blessed, some not." Die reden is er ook niet. Dit is hoe de wereld is. Er is een wetmatigheid in grote menselijke samenlevingen dat er op een bepaalt punt een soort hiërarchie ontstaat. De kracht van het socialisme is dat de wijze waarop de wereld is niet de wijze is waarop de wereld behoort te zijn. Die onrechtvaardigheid te herkennen is er een tegenstander van zijn. Socialisme is een dwaze hoop, een vlam die nooit geheel gedoofd kan worden: het concept van een rechtvaardige wereld.
De tweede zaak waar ik iets over wil zeggen heeft voor mij een interessante geschiedenis. Ik ben er zelf ook niet helemaal uit wat mijn standpunt erin is, hoewel mijn eigen ideeën overal doorsijpelen. Het gaat me om het christendom. Hieronder versta ik het volgen van de leer van Jezus van Nazareth, zoals we die kennen uit een aantal geschreven werken uit de eerste drie eeuwen van onze jaartelling. Ondanks de bewering in het Nieuwe Testament (verder NT) dat hij geen jota of tittel zou veranderen aan de oude geschriften, een bewering waar ik vraagtekens bij stel, vind ik niet dat het Oude Testament daar strikt genomen onder hoeft te vallen. Anyway.
Het christendom is op een belangrijk punt verwant met het socialisme: ze zijn universeel. De gehele mensheid wordt erdoor aangesproken. Het christendom stelt dat je welkom bent ook als je arm bent, ook als je uit een ander land komt, jong en oud, scherpzinnig of eigenlijk een beetje dom, man of vrouw; of je nou een leven lang vergokt en verdrinkt of hard werkt, of je nou gezond geboren bent of niet. Aan het eind van de reis keert de verloren zoon terug en is er een plaats voor hem. Volgens sommigen is dit niet rechtvaardig, dat iedereen evenveel recht heeft op evenveel van die ongrijpbare liefde, (de grootste van de drie) maar volgens mij is het iets anders: het is ethisch goed. Het is een abstract idee, het is in de saeculum onmogelijk en bewijs zul je niet vinden. Het zou alleen eindelijk, eindelijk eens een keer weer goed zijn. Het is een belofte die zoveel mensen geloven omdat we zouden willen dat het waar is. Het is hoe de wereld behoort te zijn, dat iedereen een plaats heeft, dat niemand er buiten valt. De wereld behoort geen plek van toeval of blinde 'rechtvaardigheid' te zijn. We zouden niet jaloers moeten hoeven zijn. Ik kan zo nog een heel eind doorgaan.
Ik denk dat er geen plan is voor ons. Ik denk niet dat de samenleving bedacht is, of dat zoiets überhaupt kan. Om het allegorisch te zeggen: op de zesde dag was de mens geschapen en daarna vond de schepper het goed. Hij stopte en liet de mens zonder gereedschap, zonder taal, zonder godsdienst, zonder kunst of wetenschap, zonder rollenpatroon, zonder geld, zonder goed of kwaad, zonder huizen of auto's, zonder kleding en eigenlijk ook zonder geboden achter. Alles wat de mens aan 'nurture' heeft stamt uit de lange periode daarna. En niet omdat een persoon op een dag besloot om het uit te vinden. De menselijke cultuur is laag na laag van gestolde materie. De mens bouwde muren: de bakstenen zijn symbolen, en het vervliegen van de tijd is de specie. Kinderen werden geboren tussen die muren en zagen het als huis.
Besluit: Ik zeg niet dat het socialisme of het christendom de waarheid verkondigen. Ik weet niet of een dergelijke uitspraak wel mogelijk of zinnig is. Ik weet niet of er zin schuilt in een revolutie tegen de wijze waarop de wereld is. Ik weet niet of zoiets mogelijk of zinnig is. Ik durf de wereld niet te vertellen wie ze moet zijn. Niet alleen omdat ze niet naar me luistert, maar ook omdat ik het recht niet heb. Ik ben haar baas niet. Mij ontbreekt het recht om anderen te vertellen hoe de wereld behoort te zijn. Ik heb de gave om mijn mening te uiten, maar daar houdt het op. Dat is iets waarin ik me dan toch aansluit bij de ideeën van het christendom. "Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt?" Ik mag besluiten wie ik ben. Er is één behoren dat ik werkelijkheid mag laten worden.
Ik ben te cynisch geworden om hoop te zien in de wereld. Deze wereld kan namelijk helemaal niet goed zijn. Over iedereen die zegt de wereld te verbeteren denk ik: ze weten niet wat ze doen.
Hugo Maat
Abonneren op:
Posts (Atom)