19.4.11

Esnesnon 19-4-11

Goedenavond.

Geheel conform Esnesnon-protocol onbewerkt gepubliceerd. Een beetje een rommel om die reden, geheel niet geholpen door het feit dat ik verkouden en moe ben.
Note: Sommige mensen zeggen dat je tegen het licht in moet kijken -omdat je dan zou moeten niezen, iets dat ik probeerde te doen omdat ik nu continu met een kriebel in m'n neus rondloop, wat een beetje onaangenaam is. Ik spuwde een soort halfslachtige anekdote uit betreft deze volkswijsheid, maar het kwam niet geheel tot zijn recht omdat ik meer op mijn neus lette dan op mijn verhaal.

Ik hoop tegen het weekend iets zinnigs over Marcuse te kunnen zeggen. Misschien is er niets zinnigs, misschien kan ik het niet vinden, misschien heb ik over een paar dagen geen zin meer om er iets over te schrijven. Ik ga hoe dan ook even lezen. En mijn neus snuiten. Excuses voor de informatie.

Hugo Maat

15.4.11

Esnesnon 15-4-11

Goedemorgen.

Vandaag is een heugelijke dag in meerdere opzichten. Mijn wekkerradio deelde mij mee dat het de verjaardag van de McDonalds is, hoezee, het weer is uiterst aangenaam, ik ben in een onstuitbaar goed humeur op de universiteit en er is nog een reden die voor slechts drie of vier mensen bestemd is: de rest van de wereld mag naar mijn gefluit luisteren en krijgt een zeer aangename dag toegewenst.

Geïnspireerd door een paar mensen die hun leven proberen aan te passen (iemand die koppig weigert ooit nog alcohol te drinken na een keer in mijn bijzijn er erg ziek van de te zijn geworden, grote scepsis van mijn kant, maar goed; iemand die besloten heeft de komende maand niets meer aan school uit te voeren; iemand die dat juist wél doet; iemand die op dieet is; iemand die minder wil gaan werken; iemand die besloten heeft niet zoals haar moeder te worden, etc.) ben ik nu ook bezig met een soortgelijke verandering in gedrag. Ik ben namelijk eindelijk weer gaan lezen. Dat vind ik zelf een tikkeltje apart als ik het als een verandering zie, want ik ben mijzelf gewend als een verslinder van boeken. Zeker als kind heb ik heel wat gelezen. De afgelopen twee jaren liep dit sterk terug, door de studie. Ik had zoveel non-fictie te lezen dat ik het moeilijk vond om ook andere boeken ter hand te nemen. Dit had doorwerking tot in de zomervakantie. Ik heb wel boeken gelezen, voor vermaak, maar aanzienlijk veel minder en in de periode tussen de jaarwisseling en begin april liep dit terug tot één boek, eigenlijk belachelijk weinig. Goed, het was een Eco, een joekel van een boek, maar ik heb boeken van gelijke dikte ook wel in een weekend of twee erdoor gejaagd.

Mijn conclusie is dat ik, vooral het afgelopen half jaar, teveel tijd verspeeld heb. Die tijd zit vrijwel in zijn geheel op internet. Het is geestelijk lege, redelijk saaie tijd. Uiteindelijk hebben schrijvers en boeken veel meer te bieden. Er is daar meer creativiteit, meer verhalen en meer vertelkracht. Ik merkte tegen het einde van De Speler van Dostojevki dat ik het echt gemist had. Ik vind het bijna onvoorstelbaar dat ik ooit leestijd voor iets anders ingeruild heb. Het zal wel een beetje een overdreven reactie zijn, de terugval is vaak iets krachtiger en extremer dan de originele staat, denk: jojo-effect. Dus ik lees weer. Vorige week Primo Levi, deze week Dostojevski en een kerel genaamd Rufin, en volgens mijn huidige planning minstens een boek per week. In ruil daarvoor: minder internet.

En ik moet als de wiedeweerga mijn nachtlampje gaan repareren, zodat ik wat meer uren met een boek op mijn kussen kan doorbrengen, gelijk die goeie ouwe tijd.

Hugo Maat

11.4.11

Esnesnon 11-4-11

Mercurial: letterlijk vertaald 'kwikachtig,' een term die in het Nederlands voor zover ik weet niet wordt gehanteerd, behalve misschien in gesprekken over scheikunde waar ik me in principe niet aan waag. Een auteur gebruikte het om een plotselinge verandering in aandacht aan te geven van een personage met een erg geborneerde spanningsboog.

Goedenavond.

Ik betrad gisteren mijn kamer, laat in de avond, denkend aan seks. Het was een overpeinzing en ik overwoog er iets over te schrijven. Mijn gedachten werden echter gestopt en wentelden zich -in a mercurial fashion- door een enkele aanblik van een vanitas-voorstelling in mijn kamer die me nooit op die manier was verschenen. Bij mijn raam hangt een witte corsage, ik vermoed al anderhalf jaar lang, ondersteboven te drogen. Dat heb ik destijds op aanraden van mijn oudste neef gedaan, die een zelfde soort corsage droeg. Het is nu pas dat dit dode bloempje me werkelijk voorkomt als meer dan decoratie, als een symbool.

Mijn neef stelde voor dat ik me in een oud, vergeeld pak zou steken, een beetje gebogen zou lopen, met de volkomen uitgedroogde corsage in mijn hand, om op een feestje mensen zich ongemakkelijk te laten voelen door hen te tonen hoe de corsage tot stof zou vergaan in mijn hand bij de minste aanraking. Het zou het beeld oproepen van een vampier, of een gedaante van magere Hein (een rol die mij, gezien mijn lichaamsbouw, enigszins op het lijf geschreven is). Ik weet niet precies hoe mijn neef op dit briljante idee gekomen is, noch weet ik of hij het ooit uitgevoerd heeft. Wat ik wel weet is dat ik, het moment dat ik thuis was, de corsage ondersteboven gehangen heb, op mijn kamer, teneinde op zijn minst een volkomen verdroogde corsage te hebben, misschien zelfs om er iets vreemds en angstaanjagends mee te doen. Het was een feestje, waar ik de corsage van kreeg. Het is nu pas, ruim een jaar later, dat ik zonder enige specifieke aanleiding besef hoe pijnlijk toepasselijk het symbool van de verdroogde corsage is. Al mijn gedachten verzetten zich ogenblikkelijk naar een korte contemplatie van de dood.

Ik heb besloten de corsage te houden waar hij is, zodat ik in mijn onbewaakte ogenblikken herinnerd kan worden aan de vergankelijkheid van het leven. De dag dat het dode bloempje daadwerkelijk mag verkruimelen komt nog. Maar dat is een gezwegen belofte die in stilte vervuld zal worden.

Hugo Maat

9.4.11

Esnesnon 9-4-11

Het is kwart over één, midden in de nacht, als ik op de drempel sta van die vreemde plaats: de plek waar mijn sleutel op de deur past, de plek die ik tot op de centimeter ken alsof ik door een droom wandel die ik al duizend keer meegemaakt heb. Het is de plaats waar ik mijn dromen laat als ik ze niet aan het bouwen ben, waar ik ze ook altijd terug vind. De alcohol benevelt mijn zintuigen en de chocola wakkert de dierlijke drang tot jagen aan, tot op de drempel. Op de drempel weet ik dat er een plek is waar ik rust en dat het hier is. Ik weet dat er een plaats is waar mijn ego is als ik me klein voel, er is een plaats waar mijn orde is als ik in paniek ben, er is een plaats van stilte wanneer ik overschreeuwd word.

Om half één trof ik mezelf op een station, met de pregnante vraag of ik mijn afspraak zou nakomen om bij iemand op de bank te crashen of dat ik naar huis zou gaan. Soms laat ik mijn trots varen voor een basale impuls: de hang naar veiligheid. Aan het einde van de dag wil ik niet meer beleven: ik wil naar de plek waar alles duidelijk is en ik kan slapen.

Op een dag, misschien niet eens zo ver van nu, woon ik op een andere plaats. Hoe lang zal het duren voordat die plek niet langer voelt als een vakantie, of als tijdelijk verblijf, maar als thuis?

7.4.11

Esnesnon 7-4-11

Goedemorgen.

Het voordeel van op eigen initiatief naar de universiteit gaan is de grenzeloze rust. Ik had geen college waar ik op een bepaald tijdstip aanwezig zou moeten zijn als ik het wilde volgen, geen afspraak op een vast tijdstip. Dientengevolge kon ik ervoor kiezen om een trein later te nemen en zit ik nu op de vroege ochtend op de computerzaal. Ik vind het een nuttige besteding van de dag: een treinreis geeft gelijk een zekere orde, het onderscheidt voor mij de ruimte van slaap en wakker worden van de ruimte van activiteit. In de eerste plaats komt dat omdat ik een zekere randvoorwaarde moet behalen voor ik met de trein kan: ik moet ten eerste uit bed zijn, en daarnaast moet ik wakker genoeg zijn om op het juiste perron te komen. Met andere woorden is het voor mij een reden om uit bed te komen. Ten tweede verwijder ik mezelf van de verleiding die bij mij thuis zo ver doorgesijpeld is dat ik bij wijze van spreken geen regel kan typen zonder een nieuwe webpagina te openen. Misschien kan ik mezelf ook wel concentreren thuis als ik mijn best doe, maar op de universiteit, waar die zekere sobere en kalme sfeer hangt van het scriptorium en de collegezaal, is het vele malen gemakkelijker.

Wat dan wel weer tekenend is, is het feit dat ik niet gelijk met zaken als de Atheense Politeia ben begonnen, zoals ik kortgeleden van plan was, maar in een boek dat ik afgelopen vrijdag geleend heb. 'I summersi e i salvati,' vertaald als ' De verdronkenen en de geredden' van Primo Levi, is een boek dat ik min of meer op aanraden van een studiegenoot lees. Ik heb vorig jaar er bewust voor gekozen niet verder te gaan met de studie van de contemporaine geschiedenis, voor een aanzienlijk deel precies om de onderwerpen waar Levi over schrijft te vermijden. Maar om mijn eigen horizon breed te houden en me te kunnen mengen in de filosofische en literaire discussies van de voornoemde studiegenoot besloot ik dat het wel zinnig was om, hoewel ik geen volledige studie eraan zou wijden, toch dit boek te hebben gelezen. Wat het natuurlijk ook voor me verkocht is de mededeling dat het in één adem uit te lezen was, temidden van alle taaiere materie leek me een vlug boek een welkome afwisseling. Wat het in de tweede plaats aantrekkelijk maakte was het feit dat de titel van het boek de spil is voor allerlei interpretaties en discussies: en het gebeurt me zo zelden dat het idee van een gesprek over literatuur me aanspreekt dat ik het niet kon laten mijn eigen poging tot begrijpen van de titel te wagen.

Het boek komt uit 1986 en is bij mijn weten ook het laatste boek van Levi. Het is een boek over de concentratiekampen. Dat is in de eerste plaats wat mij betreft een nadeel. Als ik heel eerlijk ben zou ik het liefst die hele kwestie vergeten en het er nooit meer over hebben. Dat is niet omdat het zo verschrikkelijk is of omdat ik er zelf problemen mee heb. Ik kan er heel slecht tegen dat ik alleen als onwetende toeschouwer kan functioneren, alleen maar verkeerde dingen kan zeggen en geen recht van spreken heb. Het ergste vind ik het automatische schuldgevoel dat de slachtoffers of mensen die zich anderszins aan de Holocaust verbonden voelen bij anderen lijken op te willen roepen. Ik word geacht ontzag te hebben voor hun lijden en nederig te zijn. Ik begrijp dat het gaat om iets dat ik nooit zal kunnen omvatten, maar ik voel me er uitzonderlijk ongemakkelijk bij en volkomen hulpeloos. Soms, zoals op dit moment, heb ik visioenen waarin ik fragiele, getraumatiseerde overlevenden door elkaar schud en zeg: "Ik wéét dat het onvoorstelbaar erg is, kunt u er alstublieft over ophouden? Zal ik een bloem ergens leggen en een minuut stilte houden? Mag ik íéts doen om me niet ongemakkelijk hierover te voelen?" Tot zover mijn visie de herdenkingscultuur.

Het mooie aan het boek is daar gelijk in opgesloten: Levi richt zijn pijlen op iedereen. Hij geeft geen mooi, overzichtelijk zwart-wit plaatje, het is zwart-antraciet. Ik geloof dat de salvati een select groepje zijn. De schaamte en de schuld voor wat er gebeurt is deelt hij uit. Ik ben nog niet eens over de helft van het boek, dus misschien heb ik nog een vertekend beeld. De charme van Levi's werk is dat hij weigert zijn blik af te wenden, niet verbloemt en een dappere poging doet om de werkelijkheid aan het licht te brengen in plaats van het geheel te versimpelen. Volgens mij is dit een symptoom van werkelijke verwerking van het fenomeen. De verdronkenen en de geredden ligt op de grens tussen het vertekenen van de feiten omdat we er nog gevoelig voor zijn en het vergeten van iets dat voor latere generaties, onvermijdelijk en al zovaak gezegd, niet te begrijpen is. Ik denk dat ik het boek lees op dezelfde manier dat iemand naar een herdenking zou gaan. Ik probeer eer te bewijzen aan de herinnering, wat vergeleken met mijn gebruikelijke doen heel vreemd voelt. Welnu, als ik me niet ongemakkelijk zou voelen bij dit alles zou het een onwaardige herdenking zijn.

Hugo Maat