De priesteres heette Irene, maar zei dat het haar niet uitmaakte hoe ze haar noemden. Ze had erop gestaan dat de reiziger en Camille al het aangeboden eten opaten en voldoende dronken voordat ze iets anders wilde bespreken.
‘Ik heb al lang begrepen dat je een erg sterke wil hebt,’ zei ze tegen de reiziger met een duidelijk gespeelde ernst. ‘Maar die gedreven geest van jou moet nog een sterk lichaam hebben om rond te blijven lopen. Voor een sterk lichaam moet je goed eten en af en toe rust nemen om aan te sterken.' De reiziger bracht hier niets tegenin, als het hem zou helpen bij het doden van de Engel had hij geen bezwaar. Eén van de priesteressen vroeg Camille even mee te lopen en de reiziger aan zijn bespreking te laten. Terwijl ze de kamer uitliepen begon de priesteres over Camilles haar en hoe ze op moest passen voor haar huid in de koude buitenlucht. De reiziger keek hen niet na. Hij legde het lege bord weg en richtte zich op Irene.
‘Ik moet de Engel doden,’ zei hij. ‘Waar kan ik het vinden?’
Het gezicht van de priesteres betrok.
‘Ik zou je van dit pad af willen helpen,’ zei ze. ‘Dat ligt alleen buiten mijn macht.'
‘Dit is een plaats van kennis en richting. U kunt mij vertellen waar ik heen moet.’ De reiziger dacht even na. ‘U zult mij vertellen waar ik heen moet.’ De priesteres knikte en vouwde haar handen in haar schoot.
‘Ik kan je tonen hoe je het pad vindt. Wáár de Engel is, behoort niet tot de kennis die we in de Tempel bezitten. Dat is de wederhelft van het verhaal, die ook weer bij de wederhelft van de Tempel is.’
‘U weet niet waar de Engel is?’ vroeg de reiziger.
‘Ik weet hoe je het pad naar de Engel kan volgen. Wij priesteressen beschouwen dat als voldoende, maar er zijn meer zienswijzen in de wereld. Wij zijn zelf geen aanhangers van dergelijke manieren van het beschouwen van de wereld, maar dat is geen reden dat ze niet waar kunnen zijn.’
‘Ik zal beide zienswijzen achterhalen, dan,’ zei de reiziger. ‘U vertelt mij nu hoe ik het pad volg. Uw,’ hij zocht naar woorden, ‘wederhelft zal mij vertellen waar ik heen moet.’
Irene had haar glimlach laten varen en keek ernstig naar de reiziger, die even ernstig terugkeek. Ze hield haar hoofd schuin. De reiziger wachtte af en bewoog niet.
‘De richting die je zult moeten volgen om de Engel te vinden wordt niet gewezen door je ogen of je oren,’ zei de priesteres. ‘Ik kan je ook niet vertellen wat de richting is, alleen hoe je hem vindt.’
‘Daarnet, in het duister, wist Camille de richting te vinden, zonder te kunnen zien en zonder te kunnen horen. Is dat de richting die u bedoelt?'
‘Ik ben weinig verbaasd te horen dat jij zelf de weg door het duister niet hebt kunnen vinden,' zei ze. ‘In feite zou jouw richtingsgevoel sterker moeten zijn dan dat van Camille. Maar goed, aan de andere kant ben je een man, dat belemmert je.'
‘Kunt u mij leren net als Camille zonder te kijken de weg te vinden?’
‘Dat kan zeker. Ik zal het nog sterker zeggen, Camille vond de richting niet eens zelf. Ze volgde de richting die in jou aanwezig is, waar jij zelf nog onvoldoende gewaar van bent geworden.’
‘Ik bezit geen richting, priesteres. Ik wist werkelijk niet waar ik heen moest toen ik in het duister was,' zei de reiziger.
‘Wat is jouw doel?' vroeg ze bedachtzaam.
‘Ik moet de Engel doden,’ zei de reiziger meteen.
‘Waar komt dit doel vandaan?’
‘Dit doel is mijn taak. Het is de roep die mij een doel geeft.'
‘Waar is deze roep,’ vroeg ze door. ‘Binnen of buiten je?’
De reiziger kneep zijn ogen samen en zijn blik dwaalde van het gezicht van de priesteres af.
‘De roep komt oorspronkelijk van buiten,’ zei hij na een tijd. ‘Nu woont het in me.’
‘Die roep heeft nu macht over je wil,’ zei ze. ‘Maar om de juiste weg te vinden moet je meer worden dan een dienaar van de wil, je moet tot instrument van die roep verworden.’
‘Wat is het verschil?’ vroeg hij, zijn ogen weer op de hare gericht.
‘Nu bestuurt de roep jouw wil en jouw wil bestuurt je geest. Je geest bestuurt op zijn beurt weer je lichaam. Ik ken de roep, gelijk zoals degene die in jou huist. Je moet weten dat de roep meer is dan de opdracht, de roep is geheel gericht op het doel en je kunt je laten leiden door de roep om je doel te bereiken. Altijd is de roep onderweg naar het doel, een beweging die je kunt overnemen als je de roep toelaat niet alleen in je wil maar ook in je geest.’
De reiziger bleef stil. Hij zweeg minuten achtereen en de priesteres keek enkel toe. Beiden bewogen nagenoeg niet en er was geen geluid te horen tussen de witte muren van de Tempel.
‘Hoe kan ik de roep mijn geest laten leiden?’ vroeg de reiziger uiteindelijk.
‘Wat zegt de roep?’ vroeg de priesteres. De reiziger verviel weer in een zwijgen. Hij zette zijn elleboog op tafel en wreef langzaam met zijn hand over zijn slaap.
‘Ik moet de Engel doden,’ zei de reiziger.
‘Wat zegt de roep?' vroeg de priesteres opnieuw. De reiziger keek haar even aan, maar verviel toen weer in overpeinzing. Even kwam Camille om de hoek lopen, maar toen ze de reiziger en de priesteres in stilte tegenover elkaar zag zitten liep ze stilletjes weer weg.
‘De roep zegt dat ik de Engel moet doden,’ zei de reiziger. Zijn ogen zochten en staarden niet langer. Zijn wenkbrauwen waren gefronst. ‘Waar is de Engel?’vroeg hij.
‘Wat zegt de roep?’ vroeg de priesteres voor de derde maal. ‘Voel met je hele wezen.’ Ze keek streng naar de reiziger en haar rug werd rechter. ‘Geef gehoor. Zeg me wat je hoort.’
De reiziger verstarde.
Hij stond in een vallei, in het midden. Op de plaats waar hij stond was de aarde nat en donker, bijna zwart. Enkele passen bij hem vandaan was de grond bezaaid met witte stenen en helder zand, rul als het oppervlakte van het strand. Weer enkele passen verder was de grond even donker als het midden. Zo werd de reiziger omringd door kringen van licht en donker, die tegen de hellingen van de vallei opliepen. De wolken in de lucht draaiden langzaam rond, kolkend in vertraging. Ze draaiden om een middelpunt dat precies boven het midden van de vallei lag. De reiziger keek om zich heen en zag niets dan de wolken en de hellingen van de vallei. Hij zette een paar passen in een willekeurige richting, richting de eerste witte kring. Het moment dat zijn voet het witte zand en gesteente raakte viel het hem aan. Zand en kleine steentjes kolkten op, alsof ze bewogen waren door een onzichtbare rukwind. De stenen regenden als hagel neer op zijn vooruitgestoken been en het zand wervelde op richting zijn ogen. De reiziger zette snel een stap terug en de onhoorbare wind ging liggen. De stenen en het zand keerden terug naar de kring. De reiziger zette een aantal passen de andere kant uit en probeerde hetzelfde aan de andere kant van de kring. Ook daar werd hij door de opvliegende grond aangevallen. Hij trok zich terug probeerde het een derde maal in een andere richting, ditmaal keek hij naar de lucht terwijl hij de stap zette. De wolken vertekenden zich plots op het moment dat hij zijn voet ook maar boven het zand stak, precies boven de plaats waar hij stond. Hij liep terug naar het midden. Hij probeerde een handvol van de donkere aarde op het witte zand te gooien, maar dit leidde tevens tot een rukwind die de aarde terugbracht binnen de kring. De reiziger rolde zijn broekspijp op om te kijken wat de stenen hadden aangericht. Zijn gehele onderbeen zat onder de blauwe plekken waar de stenen hem geraakt hadden. Het begon pijn te doen. Hij probeerde aan alle kanten door de kring te komen, maar overal werd hij tegengehouden door de grond zelf. Op geen punt waagde hij het meer dan zijn voet of onderbeen over de grens te zetten, vooral om zijn hoofd te sparen.
Hoeveel de tijd ook verstreek, het licht veranderde niet en de wolken bleven hun eindeloze tocht in een rondje vervolgen. De reiziger liep van de ene kant van de kring naar de ander als een gekooid dier. Hij had alle mogelijke plaatsen geprobeerd. Hij had geprobeerd door de grond te graven, maar de aarde die hij van zijn plaats werkte keerde keer op keer terug.
‘Ik moet de Engel doden,’ zei hij.
De reiziger liep naar de witte kring en bleef lopen. Stenen en wervelend zand troffen hem over zijn hele lichaam, zochten hun weg naar zijn ogen en onbeschermde plaatsen. Hij hield het kleine aantal paar passen naar de volgende donkere kring in gedachten en liep hardnekkig door. Het zand ruiste en de stenen tikten tegen elkaar terwijl ze zich verdrukten de reiziger te bereiken. Vóór hem begon zich een grote massa zand en stenen te verzamelen, bijna een muur van helder stof. Hij zag de massa tussen zijn samengeknepen ogen tegemoet.
‘Nee,’ zei hij, en zand vond zijn weg naar zijn mond en keel. ‘Wijk.’
Op dat moment verstikte de golven van zand zijn woorden volledig en de opgebouwde golf stenen en zand vloog op de reiziger af. Tussen het gebulder van neerstortend zand en gesteente klonk een stem.
‘Verdwijn!’ schreeuwde de stem. De schreeuw overstemde het geraas van het zand en raakte de hellingen van de vallei om met drievoudige sterkte terug te keren naar de zandstorm in het midden. Een moment flikkerde er een helder licht en toen werd het zand gebroken. Stenen en zand werden verstrooid in alle richtingen met grote kracht. De reiziger stond ongeschonden in het midden, omgeven door een kring van uiteengewaaierd gesteente. Er was geen korrel zand op zijn lichaam te bekennen. Hij bloedde uit meerdere hoofdwonden en zijn ogen waren rood. Zijn blote handen zaten onder de schrammen, zijn haar zat in de war. Maar in zijn rechterhand hield hij een zilveren dwarsfluit, die hij stevig vasthield bij het deel dat aan de mond wordt gezet om te spelen. De fluit schitterde van een innerlijk licht. De wolken hielden op te kolken om het midden van de vallei en dreven langzaam uiteen. De reiziger keek om zich heen en naar de fluit in zijn hand. Bijna achteloos gaf hij een zwaai met de dwarsfluit in het niets, en meteen vloog alles waar hij naar wees op, wit of zwart zand, met een lawaai van duizend omslaande golven, alsof hij met de fluit gelijk een stormwind had bewogen.
Het volgende moment lag het hoofd van de reiziger in de handen van de priesteres. Hij hing half voorover gezakt in zijn stoel, gehavend en bloedend. Hij hoestte diep. Er kwam geen zand uit zijn keel. Uit de hoek van zijn ogen kon hij zien hoe Camille doodsbleek in de deuropening stond en naar hem keek. Hij had geen dwarsfluit vast. Hij keek naar de priesteres die voor hem geknield zat en naar zijn voorhoofd keek. Om weer overeind te komen zette hij zijn handen op de schouders van de priesteres en hij duwde zichzelf naar achteren.
‘Reiziger,’ vroeg Irene. ‘Wat is er gebeurd?’
‘Ik heb de roep aangehoord,’ zei de reiziger. En toen: ‘Ik moet de Engel doden.’
De priesteres knikte.
‘Kom maar mee,’ zei ze. ‘Als je tenminste kunt lopen. We zullen eens even wat aan die kwetsuren doen. Camille, help me even,’ zei ze terwijl de arm van de reiziger om haar knokige schouders legde en hem hielp opstaan.
Ze droegen de reiziger verder de tempel in, naar een ronde ruimte met een fontein in het midden, die midden in een groot bassin water stond. De reiziger werd op één van de witte bankjes naast de fontein neergelegd. Het bloed stroomde van zijn gezicht op de witte marmeren vloer. Hij wilde met zijn handen naar zijn gezicht reiken, maar zijn handen werden weggeduwd door Irene en een andere priesteres die erbij was gekomen.
‘Blijf liggen, reiziger,’ zeiden ze. 'Alles komt goed. Wees gerust.'
Hij liet zijn armen naast zijn lichaam liggen. Zijn rechterhand kwam op de grond te liggen. Bloed liep over het geverfde hout van het bankje. De priesteressen wasten de wonden met witte doeken en water uit de fontein. De reiziger sloot zijn ogen en bewoog niet meer. Nadat de priesteressen alle zichtbare wonden hadden schoongemaakt en gedept begonnen ze zijn kleren uit te trekken. Camille bloosde en verliet de kamer. Ze ging in de ontvangstkamer zitten. Na een tijdje kwam een priesteres naar haar toe.
‘Hoe gaat het met hem?’ vroeg Camille.
‘Hij is niet in gevaar,’ antwoordde ze. ‘De wonden zijn allemaal oppervlakkig gebleven. De reiziger heeft een erg harde schedel.’ Ze glimlachte kalm.
‘Wat is er met hem gebeurd?'
De priesteres gaf geen antwoord. ‘Je geeft om hem,’ zei ze.
‘Hij heeft me bevrijd,’ zei ze. ‘Ik volg hem. Het doet me pijn om hem zo te zien.’
‘Je zou hem niet moeten volgen,’ zei de priesteres. ‘Het pad dat hij volgt is nog maar net begonnen, voor het einde daar is zal hij meer hebben opgelopen dan een paar schrammen. Hij moet de Engel doden en dat zal hij doen. Jij geeft weliswaar om hem, maar de roep zal dat niet doen. Er is geen genade mogelijk.’
Camille zweeg. De priesteres ging naast haar zitten.
‘Wil je misschien iets eten of drinken?’ vroeg ze. Camille schudde haar hoofd.
‘Denk er goed over na,’ zei de priesteres toen. Ze keek grimmig en Camille schrok van haar blik. ‘Op zijn reis is er geen plaats voor jou. Hij kan niet om je geven. Wat hij heeft gedaan is je vrijlaten. Dat betekent niet dat je hem moet volgen. Je kunt zelf kiezen.’
Ze schudde haar hoofd, niet in staat een woord over haar lippen te krijgen.
Het enige dat de overgang van dag naar nacht aangaf was het dimmen van het heldere licht in de Tempel, dat tegelijkertijd in alle kamers gebeurde. De reiziger sliep aan de rand van de fontein, gewikkeld in witte dekens. Zijn wonden waren verbonden. Camille was op een bankje ernaast in slaap gevallen, dat de priesteressen tot slaapplaats hadden omgevormd. De priesteressen waakten om beurten.
‘De reiziger zal niet blijven,' zeiden ze tegen elkaar. 'We kunnen hem hier niet houden.'
‘Ik heb medelijden met het meisje,’ zei Irene. ‘Zij zal met hem meegaan. Ik ga ook. Het is onmogelijk hem van zijn doel af te krijgen, maar zij valt nog te redden.’
-----------------------------
Zo, dat is weer een hele zooi voor vandaag. Mag ik er even op wijzen dat ik net de 10.000 ben gepasseerd en daarmee op een vijfde van mijn deadline zit? Ik zit ook al bijna op een vijfde van mijn boek. Eerste 3 plotbunnies uitgereikt, overigens. Worden nog in ontvangst genomen en beloond.
Hugo Maat.