3.11.09

Dr. Whoohoo's Novel Chapter 3.

De priesteres heette Irene, maar zei dat het haar niet uitmaakte hoe ze haar noemden. Ze had erop gestaan dat de reiziger en Camille al het aangeboden eten opaten en voldoende dronken voordat ze iets anders wilde bespreken.
‘Ik heb al lang begrepen dat je een erg sterke wil hebt,’ zei ze tegen de reiziger met een duidelijk gespeelde ernst. ‘Maar die gedreven geest van jou moet nog een sterk lichaam hebben om rond te blijven lopen. Voor een sterk lichaam moet je goed eten en af en toe rust nemen om aan te sterken.' De reiziger bracht hier niets tegenin, als het hem zou helpen bij het doden van de Engel had hij geen bezwaar. Eén van de priesteressen vroeg Camille even mee te lopen en de reiziger aan zijn bespreking te laten. Terwijl ze de kamer uitliepen begon de priesteres over Camilles haar en hoe ze op moest passen voor haar huid in de koude buitenlucht. De reiziger keek hen niet na. Hij legde het lege bord weg en richtte zich op Irene.
‘Ik moet de Engel doden,’ zei hij. ‘Waar kan ik het vinden?’
Het gezicht van de priesteres betrok.
‘Ik zou je van dit pad af willen helpen,’ zei ze. ‘Dat ligt alleen buiten mijn macht.'
‘Dit is een plaats van kennis en richting. U kunt mij vertellen waar ik heen moet.’ De reiziger dacht even na. ‘U zult mij vertellen waar ik heen moet.’ De priesteres knikte en vouwde haar handen in haar schoot.
‘Ik kan je tonen hoe je het pad vindt. Wáár de Engel is, behoort niet tot de kennis die we in de Tempel bezitten. Dat is de wederhelft van het verhaal, die ook weer bij de wederhelft van de Tempel is.’
‘U weet niet waar de Engel is?’ vroeg de reiziger.
‘Ik weet hoe je het pad naar de Engel kan volgen. Wij priesteressen beschouwen dat als voldoende, maar er zijn meer zienswijzen in de wereld. Wij zijn zelf geen aanhangers van dergelijke manieren van het beschouwen van de wereld, maar dat is geen reden dat ze niet waar kunnen zijn.’
‘Ik zal beide zienswijzen achterhalen, dan,’ zei de reiziger. ‘U vertelt mij nu hoe ik het pad volg. Uw,’ hij zocht naar woorden, ‘wederhelft zal mij vertellen waar ik heen moet.’
Irene had haar glimlach laten varen en keek ernstig naar de reiziger, die even ernstig terugkeek. Ze hield haar hoofd schuin. De reiziger wachtte af en bewoog niet.
‘De richting die je zult moeten volgen om de Engel te vinden wordt niet gewezen door je ogen of je oren,’ zei de priesteres. ‘Ik kan je ook niet vertellen wat de richting is, alleen hoe je hem vindt.’
‘Daarnet, in het duister, wist Camille de richting te vinden, zonder te kunnen zien en zonder te kunnen horen. Is dat de richting die u bedoelt?'
‘Ik ben weinig verbaasd te horen dat jij zelf de weg door het duister niet hebt kunnen vinden,' zei ze. ‘In feite zou jouw richtingsgevoel sterker moeten zijn dan dat van Camille. Maar goed, aan de andere kant ben je een man, dat belemmert je.'
‘Kunt u mij leren net als Camille zonder te kijken de weg te vinden?’
‘Dat kan zeker. Ik zal het nog sterker zeggen, Camille vond de richting niet eens zelf. Ze volgde de richting die in jou aanwezig is, waar jij zelf nog onvoldoende gewaar van bent geworden.’
‘Ik bezit geen richting, priesteres. Ik wist werkelijk niet waar ik heen moest toen ik in het duister was,' zei de reiziger.
‘Wat is jouw doel?' vroeg ze bedachtzaam.
‘Ik moet de Engel doden,’ zei de reiziger meteen.
‘Waar komt dit doel vandaan?’
‘Dit doel is mijn taak. Het is de roep die mij een doel geeft.'
‘Waar is deze roep,’ vroeg ze door. ‘Binnen of buiten je?’
De reiziger kneep zijn ogen samen en zijn blik dwaalde van het gezicht van de priesteres af.
‘De roep komt oorspronkelijk van buiten,’ zei hij na een tijd. ‘Nu woont het in me.’
‘Die roep heeft nu macht over je wil,’ zei ze. ‘Maar om de juiste weg te vinden moet je meer worden dan een dienaar van de wil, je moet tot instrument van die roep verworden.’
‘Wat is het verschil?’ vroeg hij, zijn ogen weer op de hare gericht.
‘Nu bestuurt de roep jouw wil en jouw wil bestuurt je geest. Je geest bestuurt op zijn beurt weer je lichaam. Ik ken de roep, gelijk zoals degene die in jou huist. Je moet weten dat de roep meer is dan de opdracht, de roep is geheel gericht op het doel en je kunt je laten leiden door de roep om je doel te bereiken. Altijd is de roep onderweg naar het doel, een beweging die je kunt overnemen als je de roep toelaat niet alleen in je wil maar ook in je geest.’
De reiziger bleef stil. Hij zweeg minuten achtereen en de priesteres keek enkel toe. Beiden bewogen nagenoeg niet en er was geen geluid te horen tussen de witte muren van de Tempel.
‘Hoe kan ik de roep mijn geest laten leiden?’ vroeg de reiziger uiteindelijk.
‘Wat zegt de roep?’ vroeg de priesteres. De reiziger verviel weer in een zwijgen. Hij zette zijn elleboog op tafel en wreef langzaam met zijn hand over zijn slaap.
‘Ik moet de Engel doden,’ zei de reiziger.
‘Wat zegt de roep?' vroeg de priesteres opnieuw. De reiziger keek haar even aan, maar verviel toen weer in overpeinzing. Even kwam Camille om de hoek lopen, maar toen ze de reiziger en de priesteres in stilte tegenover elkaar zag zitten liep ze stilletjes weer weg.
‘De roep zegt dat ik de Engel moet doden,’ zei de reiziger. Zijn ogen zochten en staarden niet langer. Zijn wenkbrauwen waren gefronst. ‘Waar is de Engel?’vroeg hij.
‘Wat zegt de roep?’ vroeg de priesteres voor de derde maal. ‘Voel met je hele wezen.’ Ze keek streng naar de reiziger en haar rug werd rechter. ‘Geef gehoor. Zeg me wat je hoort.’
De reiziger verstarde.

Hij stond in een vallei, in het midden. Op de plaats waar hij stond was de aarde nat en donker, bijna zwart. Enkele passen bij hem vandaan was de grond bezaaid met witte stenen en helder zand, rul als het oppervlakte van het strand. Weer enkele passen verder was de grond even donker als het midden. Zo werd de reiziger omringd door kringen van licht en donker, die tegen de hellingen van de vallei opliepen. De wolken in de lucht draaiden langzaam rond, kolkend in vertraging. Ze draaiden om een middelpunt dat precies boven het midden van de vallei lag. De reiziger keek om zich heen en zag niets dan de wolken en de hellingen van de vallei. Hij zette een paar passen in een willekeurige richting, richting de eerste witte kring. Het moment dat zijn voet het witte zand en gesteente raakte viel het hem aan. Zand en kleine steentjes kolkten op, alsof ze bewogen waren door een onzichtbare rukwind. De stenen regenden als hagel neer op zijn vooruitgestoken been en het zand wervelde op richting zijn ogen. De reiziger zette snel een stap terug en de onhoorbare wind ging liggen. De stenen en het zand keerden terug naar de kring. De reiziger zette een aantal passen de andere kant uit en probeerde hetzelfde aan de andere kant van de kring. Ook daar werd hij door de opvliegende grond aangevallen. Hij trok zich terug probeerde het een derde maal in een andere richting, ditmaal keek hij naar de lucht terwijl hij de stap zette. De wolken vertekenden zich plots op het moment dat hij zijn voet ook maar boven het zand stak, precies boven de plaats waar hij stond. Hij liep terug naar het midden. Hij probeerde een handvol van de donkere aarde op het witte zand te gooien, maar dit leidde tevens tot een rukwind die de aarde terugbracht binnen de kring. De reiziger rolde zijn broekspijp op om te kijken wat de stenen hadden aangericht. Zijn gehele onderbeen zat onder de blauwe plekken waar de stenen hem geraakt hadden. Het begon pijn te doen. Hij probeerde aan alle kanten door de kring te komen, maar overal werd hij tegengehouden door de grond zelf. Op geen punt waagde hij het meer dan zijn voet of onderbeen over de grens te zetten, vooral om zijn hoofd te sparen.
Hoeveel de tijd ook verstreek, het licht veranderde niet en de wolken bleven hun eindeloze tocht in een rondje vervolgen. De reiziger liep van de ene kant van de kring naar de ander als een gekooid dier. Hij had alle mogelijke plaatsen geprobeerd. Hij had geprobeerd door de grond te graven, maar de aarde die hij van zijn plaats werkte keerde keer op keer terug.
‘Ik moet de Engel doden,’ zei hij.
De reiziger liep naar de witte kring en bleef lopen. Stenen en wervelend zand troffen hem over zijn hele lichaam, zochten hun weg naar zijn ogen en onbeschermde plaatsen. Hij hield het kleine aantal paar passen naar de volgende donkere kring in gedachten en liep hardnekkig door. Het zand ruiste en de stenen tikten tegen elkaar terwijl ze zich verdrukten de reiziger te bereiken. Vóór hem begon zich een grote massa zand en stenen te verzamelen, bijna een muur van helder stof. Hij zag de massa tussen zijn samengeknepen ogen tegemoet.
‘Nee,’ zei hij, en zand vond zijn weg naar zijn mond en keel. ‘Wijk.’
Op dat moment verstikte de golven van zand zijn woorden volledig en de opgebouwde golf stenen en zand vloog op de reiziger af. Tussen het gebulder van neerstortend zand en gesteente klonk een stem.
‘Verdwijn!’ schreeuwde de stem. De schreeuw overstemde het geraas van het zand en raakte de hellingen van de vallei om met drievoudige sterkte terug te keren naar de zandstorm in het midden. Een moment flikkerde er een helder licht en toen werd het zand gebroken. Stenen en zand werden verstrooid in alle richtingen met grote kracht. De reiziger stond ongeschonden in het midden, omgeven door een kring van uiteengewaaierd gesteente. Er was geen korrel zand op zijn lichaam te bekennen. Hij bloedde uit meerdere hoofdwonden en zijn ogen waren rood. Zijn blote handen zaten onder de schrammen, zijn haar zat in de war. Maar in zijn rechterhand hield hij een zilveren dwarsfluit, die hij stevig vasthield bij het deel dat aan de mond wordt gezet om te spelen. De fluit schitterde van een innerlijk licht. De wolken hielden op te kolken om het midden van de vallei en dreven langzaam uiteen. De reiziger keek om zich heen en naar de fluit in zijn hand. Bijna achteloos gaf hij een zwaai met de dwarsfluit in het niets, en meteen vloog alles waar hij naar wees op, wit of zwart zand, met een lawaai van duizend omslaande golven, alsof hij met de fluit gelijk een stormwind had bewogen.

Het volgende moment lag het hoofd van de reiziger in de handen van de priesteres. Hij hing half voorover gezakt in zijn stoel, gehavend en bloedend. Hij hoestte diep. Er kwam geen zand uit zijn keel. Uit de hoek van zijn ogen kon hij zien hoe Camille doodsbleek in de deuropening stond en naar hem keek. Hij had geen dwarsfluit vast. Hij keek naar de priesteres die voor hem geknield zat en naar zijn voorhoofd keek. Om weer overeind te komen zette hij zijn handen op de schouders van de priesteres en hij duwde zichzelf naar achteren.
‘Reiziger,’ vroeg Irene. ‘Wat is er gebeurd?’
‘Ik heb de roep aangehoord,’ zei de reiziger. En toen: ‘Ik moet de Engel doden.’
De priesteres knikte.
‘Kom maar mee,’ zei ze. ‘Als je tenminste kunt lopen. We zullen eens even wat aan die kwetsuren doen. Camille, help me even,’ zei ze terwijl de arm van de reiziger om haar knokige schouders legde en hem hielp opstaan.

Ze droegen de reiziger verder de tempel in, naar een ronde ruimte met een fontein in het midden, die midden in een groot bassin water stond. De reiziger werd op één van de witte bankjes naast de fontein neergelegd. Het bloed stroomde van zijn gezicht op de witte marmeren vloer. Hij wilde met zijn handen naar zijn gezicht reiken, maar zijn handen werden weggeduwd door Irene en een andere priesteres die erbij was gekomen.
‘Blijf liggen, reiziger,’ zeiden ze. 'Alles komt goed. Wees gerust.'
Hij liet zijn armen naast zijn lichaam liggen. Zijn rechterhand kwam op de grond te liggen. Bloed liep over het geverfde hout van het bankje. De priesteressen wasten de wonden met witte doeken en water uit de fontein. De reiziger sloot zijn ogen en bewoog niet meer. Nadat de priesteressen alle zichtbare wonden hadden schoongemaakt en gedept begonnen ze zijn kleren uit te trekken. Camille bloosde en verliet de kamer. Ze ging in de ontvangstkamer zitten. Na een tijdje kwam een priesteres naar haar toe.
‘Hoe gaat het met hem?’ vroeg Camille.
‘Hij is niet in gevaar,’ antwoordde ze. ‘De wonden zijn allemaal oppervlakkig gebleven. De reiziger heeft een erg harde schedel.’ Ze glimlachte kalm.
‘Wat is er met hem gebeurd?'
De priesteres gaf geen antwoord. ‘Je geeft om hem,’ zei ze.
‘Hij heeft me bevrijd,’ zei ze. ‘Ik volg hem. Het doet me pijn om hem zo te zien.’
‘Je zou hem niet moeten volgen,’ zei de priesteres. ‘Het pad dat hij volgt is nog maar net begonnen, voor het einde daar is zal hij meer hebben opgelopen dan een paar schrammen. Hij moet de Engel doden en dat zal hij doen. Jij geeft weliswaar om hem, maar de roep zal dat niet doen. Er is geen genade mogelijk.’
Camille zweeg. De priesteres ging naast haar zitten.
‘Wil je misschien iets eten of drinken?’ vroeg ze. Camille schudde haar hoofd.
‘Denk er goed over na,’ zei de priesteres toen. Ze keek grimmig en Camille schrok van haar blik. ‘Op zijn reis is er geen plaats voor jou. Hij kan niet om je geven. Wat hij heeft gedaan is je vrijlaten. Dat betekent niet dat je hem moet volgen. Je kunt zelf kiezen.’
Ze schudde haar hoofd, niet in staat een woord over haar lippen te krijgen.

Het enige dat de overgang van dag naar nacht aangaf was het dimmen van het heldere licht in de Tempel, dat tegelijkertijd in alle kamers gebeurde. De reiziger sliep aan de rand van de fontein, gewikkeld in witte dekens. Zijn wonden waren verbonden. Camille was op een bankje ernaast in slaap gevallen, dat de priesteressen tot slaapplaats hadden omgevormd. De priesteressen waakten om beurten.
‘De reiziger zal niet blijven,' zeiden ze tegen elkaar. 'We kunnen hem hier niet houden.'
‘Ik heb medelijden met het meisje,’ zei Irene. ‘Zij zal met hem meegaan. Ik ga ook. Het is onmogelijk hem van zijn doel af te krijgen, maar zij valt nog te redden.’

-----------------------------

Zo, dat is weer een hele zooi voor vandaag. Mag ik er even op wijzen dat ik net de 10.000 ben gepasseerd en daarmee op een vijfde van mijn deadline zit? Ik zit ook al bijna op een vijfde van mijn boek. Eerste 3 plotbunnies uitgereikt, overigens. Worden nog in ontvangst genomen en beloond.

Hugo Maat.

Dr. Whoohoo's Novel Chapter 2.

De richel slingerde door het landschap als een stuk lint. De afgronden aan weerszijden, diep, mistig en grauw, bleven even onverbiddelijk als eerst. Er was geen zon aan de hemel te bekennen, maar er was ook geen wolk te zien. Alles baadde in een helder, koud licht dat regelrecht van de koude blauwe hemel leek te komen. Camille liep nog steeds achter de reiziger aan, ze liet zijn arm niet los. Hij klaagde niet. Met een gestage pas gingen ze verder, omgeven door een onzichtbare invloed die de kou van de hoogte en de vlijmscherpe winden van hen af hielden.
‘Jij houdt de wind tegen,’ had ze tegen hem gezegd. De reiziger had het voor kennisgeving aangenomen, hij had niet eens de moeite genomen zijn schouders erover op te halen.
‘Kijk, in de verte,’ zei hij. ‘We naderen de plaats.’
Om goed te zien wat hij bedoelde zou ze voorbij de reiziger moeten kijken, en dat lukte haar niet. Hij stond er voor, en ze durfde niet te ver richting de rand te lopen om om hem heen te kunnen kijken. Pas toen het pad weer een lichte slingering maakte kon ze voorbij de reiziger kijken om in de verte de bestemming te aanschouwen.
‘Wat is het?’ vroeg ze aan hem.
‘Het is de plaats waar ik erachter zal komen hoe ik de Engel moet vinden.’
Uit de afgronden rees aan het einde van het pad een rotsplateau op, met daar bovenop een koepel van wit kalksteen, omgeven door een elftal stenen pilaren, drie zwarte van basalt en acht witte van hetzelfde kalksteen. De pilaren waren zo hoog als tien reizigers die op elkaars schouders stonden en liepen iets taps toe. De koepel was eveneens zeer groot. Aan de voorkant was een stuk van de koepel afgeplat en was er een grote ijzeren poort in gezet.
‘Denk je dat we daar naar binnen kunnen?’ vroeg Camille.
‘We kunnen daar naar binnen,’ zei de reiziger bij wijze van antwoord. ‘Laten we er eerst maar eens heen lopen voordat we ons daarmee bezig houden.’
‘Ik hoop dat we daar binnen even kunnen uitrusten. Ik ben best moe.’
‘Ik zal ernaar vragen,’ zei de reiziger.

Camille was erg opgelucht om weer een breder stuk grond onder haar voeten te hebben toen ze voor de ingang stonden. De reiziger zocht naar een klopper voor de deur en toen hij die niet kon vinden bonsde hij gewoon met zijn vuist op de poort.
‘Als ze niet opendoen ga ik niet over dat pad terug,’ zei Camille.
‘Als je niet teruggaat doen ze open,’ zei de reiziger. ‘Dus dat komt wel goed.’
‘Weet je het zeker,’ vroeg ze, maar er werd net opengedaan.
De poort opende naar binnen toe. De reiziger en Camille stapten door het duister heen de koepel in. De deur sloot zich en al het licht verdween. Camille pakte de arm van de reiziger weer vast.
‘Dan weet ik waar je bent,’ fluisterde ze door het donker.
‘Hallo!’ riep de reiziger, en Camille schrok.
De reiziger begon door het donker te lopen. Hij nam geen voorzichtige passen maar liep met stevige tred door het donker. Omdat Camille zijn arm vast bleef houden sleepte hij haar min of meer achter zich aan. Ze probeerde mee te lopen. Gelukkig was de vloer vlak. Uiteindelijk klonk er een harde tik. Ze schrok.
‘Er is hier een muur,’ zei de reiziger vlak. ‘Ik zal hem proberen te volgen.’
‘Waar zoek je dan naar?’ vroeg ze terwijl ze opzij begonnen te lopen.
‘Ik weet het niet. Misschien is er ergens een deur.’
Af en toe stond de reiziger stil, dan bewoog hij ineens weer verder langs de muur, af en toe kloppend, in een rechte lijn bewegend. De duisternis en de stilte waren doordringend. Camille maakte geen geluid, afgezien van hun voetstappen en ademhaling was er ook geen geluid te bekennen.
‘Misschien moeten we de andere kant op proberen,’ zei de reiziger ineens. ‘Ik kan hier niets vinden.’ Camille stootte een zachte overeenstemming uit.

Ze liepen eerst met een flinke snelheid weer terug in de richting dat ze gekomen waren en toen begon de reiziger weer met korte onderbrekingen langs de muur te bewegen. Camille hield zich nog maar met één hand vast en op redelijke afstand.
‘Hoe weet je dat je hier weer verder moet?’ vroeg ze aan de reiziger.
‘Ik heb mijn stappen teruggeteld. Ik geloof dat we daarnet de ene helft van de koepel zijn doorgelopen, dus nu is het een goed idee de andere kant te doen.’
‘Ik weet niet zeker of dit wel werkt,’ zei Camille. ‘Zal er geen deur in het midden zitten?’
‘Er zal een deur zitten. Als die niet in het midden zit dan wel aan de randen.’
Hij liep gestaag verder. Ze zuchtte en volgde de reiziger. Ondertussen was ze geheel het verschil tussen gesloten of geopende ogen kwijt. De ruimte leek haar enorm, vooral omdat er geen onderbreking of verandering was terwijl ze liep. De reiziger was onvermoeibaar en onverstoorbaar.
‘Hier is ook nog steeds geen deur,’ zei hij na een tijd.
‘Ben je op de zijmuur gestuit?’ vroeg ze. Ze probeerde het in het duister verder af te tasten zonder de reiziger los te laten: hij leek in ieder geval te weten waar ze heen moesten. Ze vond de muur niet. 'Is er hier een zijmuur?' vroeg ze opnieuw.
‘Ja,’ zei hij. ‘Maar de deur kan zich ook hier bevinden. De koepel heeft een ronde muur, hebben we aan de buitenkant gezien. Deze muur is vlak, dus er kan nog iets achter zitten.’
Hij begon weer te lopen, ditmaal ongeveer terug in de richting van de ingang.
‘Weet je zeker dat je op deze manier wel de deur vindt?’ vroeg ze.
‘Als we alle muren afzoeken vinden we de deur vanzelf.’ Camille hield stil. Toen de reiziger verder probeerde te lopen hield ze hem tegen.
‘Wat is er,’ vroeg hij.
‘Stop. Ik denk niet dat we zo de deur vinden.’
‘Waarom denk je dat?’ vroeg hij. Er was geen spoortje ergernis in zijn stem, het was een oprechte vraag.
‘Nee, ik weet het. Ik denk het niet alleen, ik weet dat we de deur zo niet vinden. Jij zei dat ik mocht weten, toch? Ik weet dat we de deur zo niet vinden.’
Ze bloosde in het donker en ze trok hem aan zijn arm bij de muur vandaan.
‘Kom mee,’ zei ze. De reiziger bleef staan.
‘Hoezo weet je dat?’ Zijn stem was scherper geworden en door het diepste duister heen was de bedenkelijke frons op zijn gezicht te lezen. Camille haalde diep adem.
‘Kun je de Engel vinden door alle plaatsen voorbij de poort aan het begin van de wereld af te reizen? Ik heb verhalen gehoord van reizigers in het gasthuis. Ik vroeg er naar omdat de bezoekers het leuk vinden als er naar ze geluisterd wordt. Nooit eerder heb ik echt gedacht over wat ze betekenen, maar sinds je me vertelde dat ik mag weten, dat ik vragen mag stellen, is er meer dan gewoon een verhaal. Ik weet dat de wereld groot is.’ Ze was even stil, maar de reiziger zei niets. Hij luisterde. Ze trilde een beetje en greep daarom de arm van de reiziger steviger vast.
‘Ik weet dat deze plek groot is. Ik weet dat we lang kunnen zoeken als we alles langsgaan maar dat er ook een goede richting moet zijn. Ik weet dat er een goede richting is.’
‘Wat is de goede richting?’ vroeg de reiziger.
Ze was even stil. De reiziger deed een stap op haar toe, van de muur vandaan.
‘Leid me,’ zei hij toonloos. ‘Je weet de goede weg.’
Camille begon te lopen, in het duister. Ze liep snel en met grote passen, zo snel dat ze nog net niet rende. De reiziger volgde zonder moeite. Camille knipperde met haar ogen. Er was geen verschil te ontwaren tussen wat ze zag met of zonder ogen. Ze kon niets horen dan de voetstappen in de eindeloze koepel en niets voelen dan de grond onder haar voeten en de arm die ze in haar hand geklemd hield. Ze had geen reden om de richting te kiezen die ze nu volgde, maar ze gehoorzaamde de reiziger. Na een tijd te hebben gelopen vertraagde ze haar pas en ze stak haar vrije hand uit naar voren. Haar vingers vonden houtsnijwerk. Ze zocht verder. Het was een groot stuk, versierd met patronen van waarvan ze vermoedde dat ze planten voorstelden.
‘Waarom stop je,’ vroeg de reiziger achter haar.
‘Ik heb de deur gevonden,’ zei ze. Hij liep haar voorbij en legde zijn hand ook op de deur. Er volgde een metalig geluid toen hij de klink vond en de deur opende. Toen werd alles wit. Het was licht. Vergeleken met de totale duisternis van eerder was het alsof ze recht in de zon staarden. Camille liet de reiziger los om in haar ogen te wrijven.
‘Kom je mee?’ vroeg de reiziger.
‘Ik zie niets,’ klaagde ze. ‘Het licht ging te snel aan.’
‘Je hebt het gevonden,’ zei hij. ‘Kom.’
Toen ze niet bewoog, haar blik nog steeds gevuld met wit, groen en paarse vlekken, legde hij zijn hand op haar schouder en hij leidde haar door de deuropening.
‘Welkom,’ zei een vrouwenstem. ‘Kom verder, reiziger.’

Terwijl Camille nog probeerde wennen aan het licht nam de reiziger het woord.
‘Ik ben op zoek naar aanwijzingen. Ik vernam van een plaats van kennis en richting, iets dat ik nodig heb. Is dit die plaats?’
‘Beide dingen die je zoekt zijn hier te vinden, reiziger,’ antwoordde de stem. ‘Maar eerst zul je ons verblijden met je aanwezigheid en je verhaal.’
‘Akkoord,’ zei de reiziger.
‘Ga gerust zitten,’ zei de stem, op een gemoedelijke toon. ‘Er wordt zo iets te eten en te drinken gebracht.’
‘Dank u,’ zei de reiziger. Camille viel hem bij met meer opluchting.
‘Ik wacht even met gaan zitten tot mijn ogen gewend zijn aan het licht, als u het niet erg vindt,’ zei de reiziger. ‘We komen uit het donker.’
‘Ach, dat krijg je ervan als je vertrouwt op je ogen om te zien,’ zei de stem. ‘Ze zijn zo gemakkelijk verduisterd en evenzo gemakkelijk verblind. Hoe moet je ooit je weg vinden op die manier?’ De stem spotte, maar bleef vriendelijk. Door de verblinding heen werd het mogelijk een gestalte te ontwaren, naarmate de ogen van Camille en de reiziger wat meer gewend begonnen te raken.
‘Buiten je eigen ogen, oren en tastzin is er geen manier om de wereld te kennen,’ zei de reiziger. ‘Ze kunnen verblind of bedrogen worden, maar we hebben niet veel keus.’
‘Als jij het zegt,’ zei de vrouw vriendelijk.
Ze droeg een wit gewaad, wit als de oogverblindende marmeren muren van het vertrek. Haar grijze haar viel lang en recht over haar schouders neer. De reiziger vond een eenvoudige witte houten stoel en ging zitten. Terwijl zijn blik gericht bleef op de dame met het grijze haar nam Camille de tijd om met haar opnieuw verworven gezichtsvermogen de kamer rond te kijken. Aan de bovenkant waren de muren versierd met wijnranken, die in de bovenste hoeken van de ruimte leken te groeien. Openingen zonder deuren leidden naar andere, even witte vertrekken. Deze kamer bevatte een tiental witte stoelen aan de randen van de ruimte en een lege grote witte marmeren troon tegenover de deur. In één hoek had de wijnrank zichzelf langs de muur gewerkt en deze raakte bijna de vloer. Het meest opvallende aan de kamer waren twee pilaren die aan weerszijden van de troon half in de muur verzonken stonden. De één was wit als sneeuw, witter dan het al redelijk verblindende marmer, dat van zichzelf licht leek te geven bij afwezigheid van een lichtbron, de andere pilaar was gitzwart.
‘Wat is deze plek?’ vroeg de reiziger. Camille was gaan zitten.
‘Dit is de Tempel,’ zei de vrouw. ‘Ik ben een priesteres hier. Samen met enkele anderen leef ik hier in rust, temidden van pracht en praal die jullie kunnen zien. De grootste schoonheid echter, is die van de Goddelijkheid die deze plaats vult en doordringt met licht. Mijn gezusters zijn gezegend hier te mogen wonen.’
‘Is dit een plek van kennis en richting?’ vroeg de reiziger. De priesteres knikte.
‘Zelf zou ik die dingen wijsheid noemen, dat is wat jij zoekt,’ zei ze.
‘Als het mij helpt op mijn reis zoek ik inderdaad naar wijsheid,’ zei de reiziger. ‘Ik moet de Engel doden. Daarvoor moet ik het eerst vinden.’
De priesteres sloeg haar ogen neer en speelde met een ring aan haar vinger.
‘Het is een ernstige zoektocht, waar jij je op bevindt,’ zei ze. ‘Je zult alle hulp nodig hebben die je kunt krijgen. Voor die hulp ben je op de juiste plaats.’ Ze keek op en herwon haar statigheid. ‘Over de aard en het doel van je reis zal ik niets zeggen. Je bent hier gekomen om wijsheid te vergaren en die wens zal ik eerbiedigen. Dat is mijn taak.’
De reiziger knikte. Een andere priesteres, ook gekleed in het wit, met even lang zilveren haar, kwam binnen met twee schotels met fruit, zowel vers als gedroogd en noten. De reiziger en Camille namen ze aan en zetten ze op schoot neer. Camille viel gelijk op het eten aan.
‘Jullie zullen ons moeten vergeven voor de voorzieningen voor gasten,’ ze de priesteres. ‘We rekenen niet zozeer op bezoek, en onze eetruimtes zijn niet toegankelijk voor oningewijden. Voor in de toekomst zullen we er wat op vinden. Ik denk niet dat jullie lang blijven,’
De reiziger schudde zijn hoofd. Ze ging verder. ‘Misschien dat latere bezoekers er voordeel bij hebben. We kunnen altijd hopen.’
De priesteres ging zitten, de ander kwam binnen met een kristallen schenkvaas met helder water en twee glazen, die ze op een stoel zette en inschonk. Ze glimlachte. ‘We moeten een beetje improviseren, misschien kunnen we een tafel hierheen dragen.’
De reiziger was nog niet begonnen te eten. Camille was aan het water begonnen. De priesteres zat het verheugd aan te kijken. ‘Ga gerust je gang,’ zei ze. ‘Er is meer dan genoeg en volgens mij zijn jullie al een tijdje onderweg.’
‘Ik weet eigenlijk niet zo goed hoe lang we al lopen,’ zei Camille. ‘Maar ik merk wel dat ik hier aan toe ben.’ Ze bloosde.
‘Je bent zichtbaar aan het genieten,’ zei de priesteres, die ook met plezier naar de etende Camille keek. ‘Als jij toch het eten even uitstelt kun je me mooi even vertellen over je reis tot hier,’ zei ze tegen de reiziger met een glimlach. Ze leunde iets naar voren.
‘We zijn hier gekomen over het pad tussen de afgronden,’ zei de reiziger. ‘Daar kwamen we toen we van de wenteltrap kwamen. De wenteltrap vonden we in het gasthuis aan het begin van de wereld. Het gasthuis aan het begin van de wereld vond ik nadat ik de poort aan het begin van de wereld door was gelopen.’
‘Vertel eens over de poort,’ zei de priesteres. ‘Ik heb hem nooit gezien. Hoe ziet het eruit? Je hebt de poort gezien toch?’
De reiziger krabde zich op zijn achterhoofd. ‘De poort aan het begin van de wereld is een mysterieuze plaats,’ zei hij. ‘Het is wit en grauw als de afgekalfde rotsen aan zee, bleek als mist en zwart als de schaduwen.’ De ogen van de reiziger keken nog in de richting van de priesteres maar ze waren glazig. ‘De poort is een afgrond die naar boven en naar beneden doorgaat zonder einde. Aan mijn rechter en linker zijde was niets te bekennen behalve de rotswanden die zich steeds verder uitstrekken. Op die manier is de poort een oneindige plaats en een bodemloos niets.’
‘Hoe kan een afgrond een poort zijn?’ vroeg Camille.
‘Een poort is een plaats waar je doorheen kan of niet,’ zei de priesteres. ‘Een afgrond is voor veel mensen een gesloten poort, maar voor sommigen is het een doorgang.’
‘Ik liep boven de afgronden en onder de kolkende lucht,’ zei de reiziger, nog altijd voor zich uit starend. ‘Ik had een wandelstok, anders had ik het nooit tot het einde gehaald.’
‘Waar is die wandelstok?’ vroeg de priesteres.
De reiziger dacht even na. ‘Ik heb hem laten liggen toen ik aankwam.’
Camille had het bord eten weer voor zich genomen maar at langzamer.
‘Was dat wat u wilde horen?’ vroeg hij aan de priesteres. Ze knikte.
‘Dat is voldoende. Ik zal nu mijn deel van de belofte nakomen. Maar eerst moet je wat eten en drinken, want anders kun je helemaal niet verder. Dus geen woorden maar hapjes.’
De andere priesteres kwam binnen met een laag tafeltje, die ze voor de reiziger neerzette. Hij zette zijn bord op het tafeltje neer en nam het kristallen glas ter hand.
‘Akkoord,’ zei hij, en dronk.

--------------

Ik zet er vandaag gelijk 2 op, gisteren heb ik wel geschreven maar niets online gezet. Soundtrack is een mix van Gladiator, Rhapsody in Blue en nog iets.

Hugo Maat.

1.11.09

Dr. Whoohoo's Novel Chapter 1.

1
De reiziger vertrok niet meteen. Eerst luidde hij de bel om de gastvrouw te ontbieden en vroeg haar om normale kleding voor Camille. Zijn verzoek werd ingewilligd, geen vragen werden gesteld. Het feit dat hij besloten had dat het meisje met hem mee zou gaan en het Klooster zou verlaten scheen geen enkel probleem op te leveren; hij was de geëerde gast en mocht blijkbaar doen wat hij wilde. De reiziger vroeg hier ook verder niet naar. Hij zei tegen Camille dat hij het niet nodig vond te begrijpen waarom het werkte zolang het werkte. De denkwijze van de gastvrouw bevragen zou het aanvallen van hun voordelen zijn.
‘Wat er toe doet is dat ik bij de Engel kom,’ zei hij als enige verklaring terwijl Camille zich achter zijn rug om verkleedde. ‘Als er iets is dat mijn reis makkelijker maakt heb ik geen bezwaren en geen vragen.’
‘Wat vind je?’ vroeg ze. Ze had de doorschijnende kledij ingewisseld voor een eenvoudige jurk in aardekleuren. Kleding voor op reis, had de reiziger om gevraagd.
‘Goed. Functioneel,’ zei hij zonder lang te kijken of na te denken. ‘Kom, we gaan.’
‘Waar gaan we heen?’
‘Daar probeer ik achter te komen.’ Hij trok aan het koord om de gastvrouw te roepen. Ze was snel ter plaatse, waarschijnlijk was ze al ergens in de buurt. Ze opende de deur van de kamer zelf en vroeg of alles naar wens was.
‘Ik wil weten waar ik heen moet,’ zei de reiziger. ‘Is er iemand hier die mij kan vertellen waar ik heen moet, iemand die wel eens door deze gebieden gereisd heeft?’
‘Reizigers blijven niet in het gasthuis,’ zei de gastvrouw, haar gerimpelde gelaat samengeknepen. ‘Zij die blijven, blijven hier, zij die verder reizen komen niet meer terug. Dit is het gasthuis bij het begin van de wereld.’
‘Dat weet ik,’ zei de reiziger. ‘Maar ik zoek aanwijzingen voor de verdere route. Ik moet verder.’
Camille stond stil op de achtergrond. Ze keek de gastvrouw niet aan, en die keurde haar ook geen blik waardig. Alle aandacht van de gastvrouw leek alleen te zijn gericht op de reiziger.
‘Er is een plaats van kennis en richting. Daar zijn uw aanwijzingen te vinden.’
De reiziger begon nu ook zijn gezicht toe te knijpen.
‘Kunt u mij naar die plek wijzen? Ik moet die richting vinden.’
De gastvrouw knikte. ‘Komt u maar mee.’ Ze draaide zich om en liep de gang op.
De reiziger volgde. Hij merkte dat Camille hem niet uit eigen beweging volgde en hij gebaarde haar mee te komen. Ze liep achter hem aan zonder op te kijken.
‘U kunt vinden wat u zoekt in de top van de toren,’ zei de gastvrouw zonder om te kijken.
‘Wat is dit voor een plek, als ik vragen mag?’ vroeg de reiziger.
‘Het is een plaats van kennis,’ antwoordde de gastvrouw.
‘Dat weet ik,’ zei de reiziger, en hij vroeg niets meer. De gastvrouw liep in stilte verder.
De gastvrouw wees hen, of eigenlijk alleen de reiziger, naar een okergele stenen wenteltrap en stapte zelf aan de kant.
‘U kunt zelf vanaf hier de weg vinden, neem ik aan,’ zei ze.
De reiziger keek kort naar de oude vrouw, haalde adem alsof hij iets wilde zeggen, maar liep toen de trap op. Hij was al bijna door de draaiing van de treden uit het zicht verdwenen toen hij een kort bedankje uitte. Camille volgde hem zonder de gastvrouw aan te kijken.
‘Wat is er bovenaan de trap?’ vroeg de reiziger aan haar.
‘Ik weet het niet,’ zei ze. ‘Ik stel geen vragen.’
‘Heb je het ook nooit gehoord? Ik stel me voor dat je hier al enige tijd bent.’
‘Ik weet het niet. Ik ben hier misschien al lang, maar ik weet het niet, ik hoor het niet te weten dus dat gebeurt niet. Het is niet de taak van gezelschap om zich daarmee bezig te houden. Ik...’
Ze onderbrak zichzelf in haar zin en zweeg.
‘Je hebt niet langer die taak,’ zei hij. ‘Ik heb je gevraagd om mee te gaan. Je bent met me meegegaan, dus ben je nu niet langer een gezelschapsdame. Je mag nu vragen en je mag weten.’
Naarmate ze hoger klommen werden ze vermoeider. De trap was erg lang.
‘De toren is toch niet zo hoog,’ zei Camille na een tijd.
‘De toren is zo hoog als de klim lang is. Van het begin tot het einde.’
‘Je hebt gezegd dat ik mag weten,’ zei ze. ‘Hoe kan ik iets weten als je me het niet vertelt?’
‘Ik heb gezegd dat je mag weten,’ antwoordde hij. ‘Ik kan je niet meer vertellend dan ik zelf weet. Deze trap leidt niet langer naar de top van de toren die je aan de buitenkant ziet. Sterker nog, dat heeft hij waarschijnlijk nooit gedaan. De gastvrouw zei dat de trap naar een plaats leidde. Dat is de weg die we nu volgen. En een weg die je lang genoeg volgt komt ergens op uit.’
De trap eindigde op een deur.
‘Je hebt gelijk,’ zei ze. Hij probeerde de deur te openen maar er kwam geen beweging in.
‘Misschien zit hij op slot,’ opperde Camille. ‘Zullen we teruggaan en de sleutel vragen?’
De reiziger keek haar kort aan en schudde zijn hoofd.
‘We gaan niet terug. Ik moet door deze deur.’
Hij probeerde de deur nogmaals te openen, klopte aan, en wachtte.
‘Volgens mij lukt het echt niet,’ zei Camille.
‘Het moet lukken,’ zei de reiziger. ‘We zullen wachten voor de deur tot hij opengaat.’
‘Waarom denk je dat de deur open zal gaan?’ vroeg ze.
‘De deur moet opengaan,’ zei hij alleen. ‘De deur moet open omdat ik verder moet.’
‘Waarom moet je verder?’
‘Ik moet de Engel doden,’ zei de reiziger opnieuw. Camille ging zitten op de treden, haar rug naar de reiziger toe. Hij ging ook zitten, vlakbij de deur. Camille keek om naar de reiziger.
‘Waarom moet je de Engel doden?’ zei ze. ‘Ik wil dat je die vraag beantwoordt. Ik wil het weten, je zei dat het mocht.’
‘Ik zei dat je niet langer meer je taak hebt, dat klopt. Ik heb mijn taak nog wel. Mijn taak is het doden van de Engel. Ik moet het doen omdat ik tot die taak ben geroepen.’
Camille ging dwars zitten, haar voeten zette op dezelfde tree als waar ze op zat.
‘Wie heeft je geroepen voor die taak dan?’ vroeg ze.
De reiziger stond op. Hij strekte zijn hand uit naar haar gezicht. Ze deinsde even terug en verloor bijna haar evenwicht maar wist zichzelf tegen te houden door haar voeten op de lagere tree neer te zetten. De reiziger trok zijn hand terug.
‘Wat wil je doen?’ vroeg ze.
‘Je wilt het weten. Om het te weten kan ik je het vertellen, maar ik kan de kennis ook aan je geven. Kom hier,’ zei hij. Ze deed wat hij zei. Hij legde zijn rechterhand tegen de zijkant van haar hoofd.
‘Kom,’ zei hij. Toen zei hij, met een vreemde stem: ‘Ik ben geroepen om de Engel te doden.’
Ze waren in een fraaie ruimte. Het plafond was tweemaal zo ver weg als hun voeten en de muren tien maal de afstand die hun armen konden reiken. De vloer was een eindeloos patroon van kleine ingelegde gele steentjes desondanks perfect glad was en glansde. De wanden van de ruimte stonden vol met grote, donkere houten kasten. Sommigen waren gevuld met boeken, anderen bevatten grote stukken steen met ingekerfde letters. Ook waren er kasten waar wapens in lagen, zwaarden en bijlen. Eén kast stond vol met flessen. Het licht was afkomstig van tientallen grote hangende kandelaars van groen geworden brons.Tegenover Camille en de reiziger stond een grote tafel, en erop lagen een zwaard, een paar boeken, een stapel gouden munten, een wijnfles en de wandelstok die de reiziger terzijde had gelegd eerder. Achter de tafel stond een man in een wit gewaad met een rode mantel, een lange en rijzige gestalte. Zijn ogen schitterden.
‘Michael,’ zei hij. ‘Je moet de Engel doden.’
De reiziger keek naar Camille.
‘Als je een vraag wil stellen kan dat,’ zei hij.
Ze keek van de reiziger naar de man achter de tafel en weer terug. De man achter de tafel krabte zich onder zijn kin en zijn donkere ogen richtten zich op Camille.
‘Welnu, waar kan ik je mee helpen?’ vroeg hij.
Camille stapte naar voren.
‘Waarom moet hij de Engel doden?’ vroeg ze.
In plaats van een antwoord stapte de man met de mantel naar één van de kasten aan de muur en pakte een zilveren dwarsfluit die daar op een plank lag.
‘Hij is geroepen,’ zei de man. ‘De roep, verkondigd door de bazuin, heeft hem aan zijn taak gezet.’
‘Maar waarom is hij geroepen? Waarom moet de Engel dood?’ vroeg ze.
‘De tijd is gekomen,’ zei de man. De reiziger bewoog zich niet. ‘Ik ben de roep niet. Ik ontvang de roep en geef hem door, wat mij macht geeft, maar ik ben niet de boodschap die verkondigd wordt. Het enige wat ik doe is het kiezen van de uiteindelijke ontvanger.’ Hij wees met de dwarsfluit naar het plafond en toen naar de reiziger. ‘Ik heb Michael gekozen om de roep te horen. Hij moet de Engel doden.’
Camille zei niets, maar keek alleen naar de man.
‘Ik ben de bazuindrager,’ zei hij. ‘De roep, in dit geval de roep om de Engel te doden, is er. Het is een macht, een beweging van de natuur zoals de getijden. De roep kan niet tegen worden gesproken en niet worden betwijfeld.’
‘Waarom is hij gekozen voor de roep?’ vroeg Camille.
De bazuindrager draaide de dwarsfluit rond tussen zijn vingers zonder er naar te kijken. Het instrument draaide snel rond en veranderde in een wazige zilveren cirkel.
‘Hij is gekozen omdat hij de taak zal volbrengen,’ zei de bazuindrager. ‘Omdat ik geloof in zijn kunnen zal hij de roep aannemen. Sterker nog, hij heeft de roep al aangenomen.’
‘Hij koos mij omwille van mijn trouw,’ verklaarde de reiziger achter Camille.
‘Trouw en doorzettingsvermogen,’ vulde de bazuindrager glimlachend aan. ‘Goede eigenschappen. Sterke eigenschappen. Hij moet de Engel doden daar hij de meest geschikte is.’
‘Maar waarom,’ begon ze.
‘Dat zou het antwoord moeten zijn dat je zoekt,’ zei de bazuindrager. ‘Het is alles wat je hoeft te weten. Michael had er genoeg aan. Niet waar?’
De reiziger knikte. Camille gaf het op.
‘Ik moet de weg zien te vinden vanaf waar ik nu ben. De gastvrouw van het gasthuis aan het begin van de wereld heeft me in deze richting gewezen om naar een plaats van kennis te gaan,’ zei de reiziger. ‘Ik moet nu door een deur gaan. Daarna zal ik achterhalen waar de Engel is en ik zal het doden.’
De bazuindrager knikte. ‘Het was me een genoegen jullie ter dienst te staan,’ zei hij.
Terwijl de reiziger zijn hand uitstrekte naar Camilles hoofd wees de bazuindrager de dwarsfluit weer naar het plafond. Hij wees met zijn vrije hand naar de reiziger en glimlachte warm. Camille en de reiziger keerden terug.
‘De deur is open,’ zei de reiziger voordat hij zijn hand op de klink gelegd had.
‘Wat was dat?’ vroeg Camille. ‘Hoe zijn we weer hier?’
‘Ik heb je getoond waar je naar vroeg,’ zei de reiziger, terwijl hij de deur opende. ‘Kom je?’
Voorbij de deur was een pad, bezaaid met steentjes en gruis, dat zich in de verte uitstrekte. Aan weerszijden van het pad waren gapende afgronden, in de verte waren besneeuwde toppen te zien. De lucht was kil en blauw, de wind sneed. De reiziger begon te lopen.
‘Wacht!’ riep Camille. ‘Waar ga je heen?’ Ze keek achter zich naar de wenteltrap die achter de deur naar beneden liep.
‘Ik ga naar een plaats van kennis en richting,’ zei hij. ‘Het ligt aan het einde van dit pad.’
Ze waagde een paar passen door de deuropening en werd gegrepen door de kou die op de hoogte waar het pad liep heerste. Ze waagde een blik in de afgrond.
‘Ik kan dit niet!’ riep ze de reiziger toe. ‘Het is te gevaarlijk en het is koud. Kom terug!’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Ik ga verder,’ zei hij. ‘Ga je met me mee?’
Ze probeerde weer een stukje verder te lopen, maar de wind bracht haar bijna uit balans. Ze liep snel terug naar de deuropening waar ze weer veilig kon staan. De tranen stonden haar in de ogen. De reiziger verroerde zich niet. Ze gebaarde dat hij naar haar toe moest komen maar hij bleef staan waar hij stond.
‘Alsjeblieft, Michael! Dit kan ik niet. Wat nou als ik val? Wat nou als jij valt?’ Zelfs buiten de snijdend koude wind en binnen bereik van de warmte die vanuit de wenteltrap meekwam rilde ze. De afstanden en de heldere kou deden haar duizelen.
‘Ik kan niet terug. Ik moet de Engel doden,’ zei hij.
‘Ik kan niet zo verder, ik durf het niet,’ bracht ze er tegenin.
De reiziger zweeg. Hij wees met één hand naar de kille hemel. Zijn mouw viel iets naar beneden, de haren op zijn arm stonden recht overeind van de kou. Hij rilde licht maar hield zijn kaken op elkaar geklemd. Zijn andere hand stak hij naar Camille uit.
‘Ik roep je, Camille,’ zei de reiziger. ‘Kom met me mee.’
Camille zette een stap op het pad, en nog één. De kou deed haar pijn en de wind sleurde aan haar zodat ze soms het gevoel had dat ze zou vallen, maar ze liep door. Met elke stap kwam de uitgestoken hand dichterbij en werd de wind minder hard. De kou nam af. Camille veegde de tranen, half van angst, half van de bijtende wind, uit haar ogen en greep met haar andere hand de uitgestoken arm van de reiziger beet. Ze stonden allebei even stil, Camille’s schouders schokten een beetje en ze hapte naar adem. De reiziger zei niets maar liet wel de hand die hij naar de hemel had uitgestoken zakken. Toen Camille weer op adem was gekomen begon de reiziger te lopen. Camille volgde, maar ze hield onder het lopen met één hand de arm van de reiziger vast, die hierdoor een beetje onhandig achter hem aan hing. Zo wandelden ze het pad af.

----------------------

Het is nog altijd dag 1. Voor muziek 'Liar Liar, Pants on Fire' van de Castaways. Bijna drie dagen aan wordcount, en ik heb in theorie vanavond nog. Commentaar op het geschreven werk is overigens toegestaan, maar wordt waarschijnlijk straal genegeerd.

Hugo Maat.

Dr. Whoohoo's Novel Chapter 0.

De poort aan het begin van de wereld is geen deur van hout of ijzer, en is ook niet gezet in een stenen boog of een houten deurpost. Er is geen sleutel, er is geen slot. Er zijn geen hengsels, geen kieren, geen scharnieren. Een poort is niets meer dan een plek die zowel een doorgang als een grens is. Een poort is gesloten of niet, maar het vermogen te wisselen tussen beide statussen maakt een poort tot wat het is. Zo is een doorgang die altijd gesloten of altijd open is geen poort, maar een grens dan wel een doorgang. De poort aan het begin van de wereld is geen uitzondering, zij is de belichaming van de paradox van de poort, die het open-zijn en het gesloten-zijn reeds in zich draagt en slechts één van de twee tegelijk presenteert. Voor sommigen is de poort aan het begin van de wereld het einde van de wereld en een reden om om te keren en terug te gaan. Voor anderen, vergeleken met de eerste groep een kleine minderheid, is de poort aan het begin van de wereld een passage. Een jonge man had een wandelstok ter hand genomen en was door de poort gelopen, alleen. Hij liep uren achtereen, met een strak gelaat en geen enkele zin om achterom of naar beneden te kijken. Hij was alleen. Er waren geen mensen maar ook geen honden om hem te achtervolgen en hij kon alleen gedreven worden tijdens zijn oversteek door de andere kant die hem trok of zijn eigen wil die hem voortbewoog. Zonder die dingen is het vrijwel onmogelijk om door de poort aan het begin van de wereld te gaan.

Aan het einde van de reis, als de wandelaar door het limbo eindelijk weer voet op vaste grond kan zetten, is er een grote weide op een glooiende helling. Het gras tiert welig en madeliefjes steken hun koppen tussen de sprieten door. De lucht is nog zo grauw als eerst en de stilte heerst. Het is op dit moment dat de reiziger zijn wandelstok terzijde werpt; eenmaal voorbij de poort heeft hij hem niet meer nodig, nu kan hij op eigen kracht verder lopen en de horizon bereiken. De horizon biedt hem op dit punt een gebouw. De reiziger die een grote afstand afgelegd heeft is altijd toe aan een moment van rust en gemak, een behoefte waar velen over verloop van tijd op hebben ingehaakt, zo ook hier. Het bouwsel, het zou een huis kunnen heten, telde vijf verdiepingen en een torentje. Het was opgetrokken uit okerkleurige baksteen met een vaal rood dak, met grote glas-in-lood ramen die tussen de stenen door drongen. Het was een plaats te groot voor het opvangen van de reizigers door de poort aan het begin van de wereld, omdat het geen veelgebruikte doorgang was. De reiziger ging naar de deur, want het pad leidde hem daar. En waar het pad hem leidde moest hij gaan, na het oversteken van de poort aan het begin van de wereld was hij de richting verloren en moest hij verder. Hij klopte op de grote houten poort, sierlijk met ijzer beslagen en voorzien van hengsels en een slot, en wachtte. De reiziger bleef een uur lang voor de poort staan. Er werd die gehele tijd niet opengedaan en hij klopte geen tweede maal. De strijd werd opgegeven door de poort, en toegang werd verschaft aan de reiziger. Hij trad binnen in de hal en veegde zijn schoenen af aan de mat opdat ze het plaveisel niet zouden bevuilen. Hij keek de bedompte ruimte kort rond en wachtte weer. Ditmaal duurde het geen uur eer hij verwelkomd werd. ‘Kom verder,’ zei een magere vrouw in een zwarte jurk. Zij was de gastvrouw. De jonge man volgde haar terwijl ze hem voorging naar een hal met dezelfde glas-in-lood ramen, maar dan van de andere kant. Er stonden lege picknicktafels en er waren verdwaalde reizigers die op de banken zaten, knipperend tegen het halve licht en stomverbaasd, ieder verbaasd over zijn eigen besognes. Niemand keek naar de reiziger. Eén van de gestrande reizigers keek uiteindelijk wel naar hem, maar pas toen de man zich tegenover hem had neergezet op het bankje. Het was een blik zonder gevoel, schaamteloos en betekenisloos. Er gebeurde niet veel meer dan het richten van de ogen, er werd niets gezien en niet gekeken.

‘Ik ben door de poort aan het begin van de wereld gekomen,’ zei de reiziger.
‘Iedereen hier is door de poort aan het begin van de wereld gekomen,’ zei de ander prompt. De rust in de hal bleef intact, niemand luisterde. Beide sprekers waren de eersten die dag die een woord hadden uitgesproken, maar zij waren ook de eersten die dag die een woord hadden aangehoord en begrepen. De verdwaalde reiziger herkende het woord poort. De jonge man die door de poort was gekomen herkende het woord iedereen. De poort zei hem niets.
‘Heb je de poort gezien?’ vroeg de zittende man. ‘Het is lang geleden voor mij.’
De reiziger schudde zijn hoofd. ‘Ik wist dat ik door de poort moest en dat heb ik gedaan. Ik ben op reis. De poort aan het begin van de wereld was het begin van de reis.’
De man die er al zat was oud. Zijn haar was meer grijs dan bruin en het stond in warrige plukken van de zijkant van zijn hoofd af, de top van zijn hoofd was kaal. De reiziger bezag de bruine pij waarin de man gekleed was.
‘Bent u een monnik?’ vroeg hij.
‘Ik ben geen monnik,’ was het antwoord. ‘Ik ben alleen een monnik als bewoner van het Klooster. Dat is hoe we het hier noemen.’ Hij maakte een nauwelijks zichtbaar gebaar met zijn kin om de hele omgeving te omvatten met zo min mogelijk moeite.
‘Waarom is dit een klooster? Wat doet een klooster aan het begin van de wereld?’
‘Niet een klooster,’ verbeterde de monnik. ‘Het Klooster. Het is geen klooster en ik ben geen monnik. In werkelijkheid is dit een herberg, een verblijfplaats, een onderkomen voor de verdwaalde en verdwaasde reiziger. Niet veel gaan er voorbij de poort aan het begin van de wereld om vervolgens gelijk door te gaan. Kijk naar jezelf.’
‘Ik ben er net,’ verweerde de reiziger zich. ‘Ik zie niet in waarom ik al op een plek aan het blijven ben als ik er net binnen kom. Dit is een onderdeel van mijn reis, denk ik.’
‘Welke reis, als ik me tenminste met je zaken mag bemoeien?’ Eén van de ogen van de man richtte zich aandachtig op de nieuwkomer.
‘Ik moet naar het andere uiteinde. Naar de poort aan het einde van de wereld.’
‘Wat is er daar dat er hier niet is?’ vroeg de monnik.
De jonge reiziger zweeg. Hij bleef de monnik aankijken en zijn gelaat en houding bleven strak. Hij overwoog op te staan en door te lopen, maar hij was nog niet klaar op deze plek.
‘Wat wil je daar doen?’ vroeg de monnik.
‘Wat ik daar moet doen,’ zei de reiziger. ‘Ik moet de Engel doden.’

Hij had zijn wandelstok achtergelaten in de velden toen hij door de poort was gekomen. De klimop die zich rond de staf wikkelde vond haar weg de grond in en groeide daar opnieuw tot vele wandelstokken. Hij had zijn tas met alle benodigdheden voor een reis neergezet vlak voor de poort en niet opnieuw opgepakt daarna. Om door de poort te gaan had hij niets meer nodig dan de wandelstok. Nu was die echter ook zijn betekenis kwijtgeraakt. De reiziger had niets meer nodig dan zichzelf.

De monnik had gezwegen en nagedacht nadat de reiziger zijn doel van zijn reis had verklaard. De reiziger voelde geen noodzaak meer te zeggen of te vragen en de monnik had genoeg stof tot nadenken ontvangen aan een paar woorden. Zo zaten ze tegenover elkaar en ze zwegen zoals de andere aanwezigen in de ruimte. Toen kwam de gastvrouw. Op haar zachte muiltjes kon ze volkomen onhoorbaar door de hal bewegen en de reiziger schrok ook wel een beetje toen ze hem op zijn schouder tikte. Ze keek tussen haar kraaienpootjes op hem neer en tuitte haar gerimpelde lippen een beetje. Haar handen verdwenen achter haar smalle rug.

‘Uw kamer is gereed,’ vertelde ze de reiziger. De monnik keek verward op.
‘Ik heb geen kamer gevraagd,’ zei de reiziger zonder een spier in zijn gelaat te vertrekken. ‘Bovendien heb ik geen geld om mee te betalen.’
‘Het gasthuis biedt u een kamer aan, met alle geneugten,’ zei ze, zonder het idee te geven dat een vriendelijke klantenservice een onderdeel van de geneugten was.
‘Het gasthuis, zo heette het,’ prevelde de monnik in zichzelf.
De reiziger vroeg niet waar hij het aan te danken had. Er was iets op zijn pad gekomen en hij zou het pad blijven volgen. Hij knikte.
‘Ik ben zeer dankbaar. Wilt u mij voorgaan?’
De monnik bleef in zichzelf prevelen, maar toen de reiziger opstond en de gastvrouw volgde keek hij op en riep hij de reiziger na.
‘Wat is de Engel?’ vroeg hij luid. Zijn kin trilde en één oog keek de reiziger waterig na.
‘Ik weet het niet,’ antwoordde de reiziger, nog op dezelfde toon en sterkte van stem als toen de monnik tegenover hem zat. ‘Ik moet de Engel doden.’
Met die woorden verliet hij, in het kielzog van de gastvrouw, de hal. De monnik beefde terwijl hij in de hal om zich heen blikte.

‘Is het uit vrijgevigheid dat ik een kamer krijg?’ vroeg de reiziger aan de gastvrouw terwijl ze door de bakstenen hallen van het gasthuis liepen.
‘U krijgt een kamer omdat u een gast bent. U bent een geëerd gast.’
‘Ik begrijp het niet,’ zei de reiziger. De gastvrouw nam de moeite niet hem daarmee te helpen. De reiziger zweeg eveneens, hun gesprek verstomde tot het zachte geluid van zijn schoenen op het plaveisel. Ze gingen twee houten trappen op en twee bakstenen gangen door. De kaarsen aan de muren verspreidden een beetje licht, maar niet genoeg om de ruimte zo licht te maken als deze was. Het was of de gangen geen plafonds hadden, maar eigenlijk direct in het bewolkte licht van de dag stonden. Er waren geen schaduwen en er was geen licht. De gastvrouw liep snel, maar had kortere benen. De reiziger hield haar met een wandelpas bij.
‘U zal wel moe zijn van uw oversteek,’ zei de gastvrouw.
‘Nee,’ zei hij en dat was waar.
‘Het zal u een genoegen doen tot rust te kunnen komen en te genieten van een paar welverdiende luxes. We zorgen ervoor dat onze gasten zeer tevreden zijn.’
De reiziger zweeg even en staarde naar haar achterhoofd. ‘Waarom heet dit het Klooster, afgezien van de glas-in-lood ramen?’

‘Ik gebruik die naam zelf niet. Ik denk dat ze het zo noemen omdat de gasten beneden in pij lopen.’
‘Krijgen zij geen eigen kamers dan?’ vroeg de reiziger.
De gastvrouw hield haar pas in voor een deur en pakte een sleutelbos uit de plooien van haar jurk vandaan. De reiziger vroeg zich af hoe ze die bij zich had gedragen.
‘Een kamer wordt niet zomaar verstrekt. U bent een geëerd gast, zij niet.’
Ze opende de deur en liet de reiziger binnen.
‘Als u meer eten of drinken wenst
of ander gezelschap kunt u aan de bel trekken.’
De reiziger trok zijn wenkbrouwen op maar zweeg. De gastvrouw vertrok.

De kamer was groot genoeg om tien reizigers in te vestigen, maar de reiziger kreeg de kamer voor zichzelf. Het delen van de kamer was een mogelijkheid, die hem nadrukkelijk werd aangeboden, zoals hij kon zien aan een meisje in een doorschijnende witte jurk die op een stoel half van hem afgekeerd zat, voor een wit gordijn dat minder licht doorliet dan haar kleding. Er stonden ook een aantal kleine ronde tafels, de helft bezet met grote hoeveelheden eten en flessen wijn, twee witte ligbanken en een groot wit hemelbed. De witte stenen vloer en de witte muren maakte het geheel af. Als dezelfde schemer als in de rest van het gebouw er niet had geheerst was het oogverblindend geweest.
‘Hallo,’ zei de reiziger tegen het meisje. Ze leek hem nog te jong om als gezelschapsdame te werken. Hij was zelf aan de andere kant ook nog maar net oud genoeg om zelf van gezelschapsdames gebruik te maken, iets dat hij nooit deed.
Het meisje gaf geen antwoord, maar kwam overeind en liep op de reiziger af. De reiziger reageerde niet. Ze keek hem even aan, maar toen hij geen teken van interesse vertoonde en zijn ogen alleen op haar gezicht richtte sloeg ze haar ogen neer. Ze ging achter hem staan en legde haar armen om hem heen.
‘U zult wel moe zijn van uw lange reis,’ zei ze zwoel.
‘Nee,’ antwoordde de reiziger. Hij maakte zich los, deed zijn jas uit en ging aan een tafel zitten. Het meisje bleef verbaasd staan waar ze was. De reiziger pakte een pasteitje van de stapels eten op de tafel en begon te eten. Het meisje bleef even staan waar ze was en ging toen ook aan de tafel zitten. Ze wreef met haar voeten langs zijn benen.
‘Hoe heet je?’ vroeg ze.
‘Ik heet Michael,’ zei hij.
‘Ik ben Camille,’ zei ze, nog altijd aan het voetjevrijen. ‘Je hebt een mooie naam.’
De reiziger reageerde niet.
‘Ben je op doorreis?’ vroeg ze.
‘Ik ben onderweg, maar deze kamer lag op mijn pad. Ja.’ Hij at snel.
‘Waar ga je dan heen?’
‘Ik moet de Engel doden,’ zei hij.
Camille zweeg. Hij had het pasteitje op en pakte geen tweede. Hij keek naar haar, maar hij keek haar niet echt aan. Ze zwegen allebei en ze keek ongemakkelijk om zich heen.
‘Zal ik anders maar gaan,’ opperde ze na een tijdje.
‘Als je wilt,’ zei hij. ‘Hij bewoog zich nauwelijks. Ze bleef zitten.
‘Betekent dit dat ik moet gaan?’ vroeg ze.
‘Nee. Als je wilt kun je weggaan,’ zei hij. Ze bleef zitten en keek verward naar de reiziger.
‘Ja, maar...’ begon ze, maar ze maakte haar zin niet af. Ze keek naar de gordijnen en naar de tafel en weer naar de reiziger die niet bewogen had. Af en toe deed ze haar mond open alsof ze iets wilde zeggen maar ze zweeg.
‘Ik ben door de poort aan het begin van de wereld gekomen,’ zei hij. ‘Dit is het begin van mijn reis.’
‘Waar ga je heen?’ vroeg Camille. Haar stem was veranderd, ze had het zwoele toontje van de gezelschapsdame laten varen en keek de reiziger aan. Ze bewoog vrijwel niet, haar handen waren gevouwen in haar schoot en ze hield haar voeten bij zich.
‘Ik moet de Engel doden,’ zei hij weer.
‘Wie is de Engel,’ vroeg ze. ‘Een hij of een zij?’
‘Het,’ zei hij alleen. Ze speurde zijn gezicht af om te achterhalen of ze misschien iets verkeerds had gezegd, maar hij had haar verbeterd op dezelfde wijze als hij al die tijd al praatte, uitdrukkingsloos en zacht. Ze kon hem niet tegenspreken.
‘Wie is de Engel?’ vroeg ze weer voorzichtig.
‘Ik weet het niet,’ zei hij. ‘Maar ik ga het doden.’ Hij viel een moment stil en sloeg zijn ogen neer. Hij dacht na. ‘Ga je mee?’ vroeg hij.
‘Ja,’ zei ze.

------------------------------------

Extra informatie: Ik luister een pianotrio van Fauré, opus 120. Het is lunchtijd, ik ga zo verder om een paar andere deelnemers te ergeren met mijn voortgang.

Hugo Maat.