3.11.09

Dr. Whoohoo's Novel Chapter 2.

De richel slingerde door het landschap als een stuk lint. De afgronden aan weerszijden, diep, mistig en grauw, bleven even onverbiddelijk als eerst. Er was geen zon aan de hemel te bekennen, maar er was ook geen wolk te zien. Alles baadde in een helder, koud licht dat regelrecht van de koude blauwe hemel leek te komen. Camille liep nog steeds achter de reiziger aan, ze liet zijn arm niet los. Hij klaagde niet. Met een gestage pas gingen ze verder, omgeven door een onzichtbare invloed die de kou van de hoogte en de vlijmscherpe winden van hen af hielden.
‘Jij houdt de wind tegen,’ had ze tegen hem gezegd. De reiziger had het voor kennisgeving aangenomen, hij had niet eens de moeite genomen zijn schouders erover op te halen.
‘Kijk, in de verte,’ zei hij. ‘We naderen de plaats.’
Om goed te zien wat hij bedoelde zou ze voorbij de reiziger moeten kijken, en dat lukte haar niet. Hij stond er voor, en ze durfde niet te ver richting de rand te lopen om om hem heen te kunnen kijken. Pas toen het pad weer een lichte slingering maakte kon ze voorbij de reiziger kijken om in de verte de bestemming te aanschouwen.
‘Wat is het?’ vroeg ze aan hem.
‘Het is de plaats waar ik erachter zal komen hoe ik de Engel moet vinden.’
Uit de afgronden rees aan het einde van het pad een rotsplateau op, met daar bovenop een koepel van wit kalksteen, omgeven door een elftal stenen pilaren, drie zwarte van basalt en acht witte van hetzelfde kalksteen. De pilaren waren zo hoog als tien reizigers die op elkaars schouders stonden en liepen iets taps toe. De koepel was eveneens zeer groot. Aan de voorkant was een stuk van de koepel afgeplat en was er een grote ijzeren poort in gezet.
‘Denk je dat we daar naar binnen kunnen?’ vroeg Camille.
‘We kunnen daar naar binnen,’ zei de reiziger bij wijze van antwoord. ‘Laten we er eerst maar eens heen lopen voordat we ons daarmee bezig houden.’
‘Ik hoop dat we daar binnen even kunnen uitrusten. Ik ben best moe.’
‘Ik zal ernaar vragen,’ zei de reiziger.

Camille was erg opgelucht om weer een breder stuk grond onder haar voeten te hebben toen ze voor de ingang stonden. De reiziger zocht naar een klopper voor de deur en toen hij die niet kon vinden bonsde hij gewoon met zijn vuist op de poort.
‘Als ze niet opendoen ga ik niet over dat pad terug,’ zei Camille.
‘Als je niet teruggaat doen ze open,’ zei de reiziger. ‘Dus dat komt wel goed.’
‘Weet je het zeker,’ vroeg ze, maar er werd net opengedaan.
De poort opende naar binnen toe. De reiziger en Camille stapten door het duister heen de koepel in. De deur sloot zich en al het licht verdween. Camille pakte de arm van de reiziger weer vast.
‘Dan weet ik waar je bent,’ fluisterde ze door het donker.
‘Hallo!’ riep de reiziger, en Camille schrok.
De reiziger begon door het donker te lopen. Hij nam geen voorzichtige passen maar liep met stevige tred door het donker. Omdat Camille zijn arm vast bleef houden sleepte hij haar min of meer achter zich aan. Ze probeerde mee te lopen. Gelukkig was de vloer vlak. Uiteindelijk klonk er een harde tik. Ze schrok.
‘Er is hier een muur,’ zei de reiziger vlak. ‘Ik zal hem proberen te volgen.’
‘Waar zoek je dan naar?’ vroeg ze terwijl ze opzij begonnen te lopen.
‘Ik weet het niet. Misschien is er ergens een deur.’
Af en toe stond de reiziger stil, dan bewoog hij ineens weer verder langs de muur, af en toe kloppend, in een rechte lijn bewegend. De duisternis en de stilte waren doordringend. Camille maakte geen geluid, afgezien van hun voetstappen en ademhaling was er ook geen geluid te bekennen.
‘Misschien moeten we de andere kant op proberen,’ zei de reiziger ineens. ‘Ik kan hier niets vinden.’ Camille stootte een zachte overeenstemming uit.

Ze liepen eerst met een flinke snelheid weer terug in de richting dat ze gekomen waren en toen begon de reiziger weer met korte onderbrekingen langs de muur te bewegen. Camille hield zich nog maar met één hand vast en op redelijke afstand.
‘Hoe weet je dat je hier weer verder moet?’ vroeg ze aan de reiziger.
‘Ik heb mijn stappen teruggeteld. Ik geloof dat we daarnet de ene helft van de koepel zijn doorgelopen, dus nu is het een goed idee de andere kant te doen.’
‘Ik weet niet zeker of dit wel werkt,’ zei Camille. ‘Zal er geen deur in het midden zitten?’
‘Er zal een deur zitten. Als die niet in het midden zit dan wel aan de randen.’
Hij liep gestaag verder. Ze zuchtte en volgde de reiziger. Ondertussen was ze geheel het verschil tussen gesloten of geopende ogen kwijt. De ruimte leek haar enorm, vooral omdat er geen onderbreking of verandering was terwijl ze liep. De reiziger was onvermoeibaar en onverstoorbaar.
‘Hier is ook nog steeds geen deur,’ zei hij na een tijd.
‘Ben je op de zijmuur gestuit?’ vroeg ze. Ze probeerde het in het duister verder af te tasten zonder de reiziger los te laten: hij leek in ieder geval te weten waar ze heen moesten. Ze vond de muur niet. 'Is er hier een zijmuur?' vroeg ze opnieuw.
‘Ja,’ zei hij. ‘Maar de deur kan zich ook hier bevinden. De koepel heeft een ronde muur, hebben we aan de buitenkant gezien. Deze muur is vlak, dus er kan nog iets achter zitten.’
Hij begon weer te lopen, ditmaal ongeveer terug in de richting van de ingang.
‘Weet je zeker dat je op deze manier wel de deur vindt?’ vroeg ze.
‘Als we alle muren afzoeken vinden we de deur vanzelf.’ Camille hield stil. Toen de reiziger verder probeerde te lopen hield ze hem tegen.
‘Wat is er,’ vroeg hij.
‘Stop. Ik denk niet dat we zo de deur vinden.’
‘Waarom denk je dat?’ vroeg hij. Er was geen spoortje ergernis in zijn stem, het was een oprechte vraag.
‘Nee, ik weet het. Ik denk het niet alleen, ik weet dat we de deur zo niet vinden. Jij zei dat ik mocht weten, toch? Ik weet dat we de deur zo niet vinden.’
Ze bloosde in het donker en ze trok hem aan zijn arm bij de muur vandaan.
‘Kom mee,’ zei ze. De reiziger bleef staan.
‘Hoezo weet je dat?’ Zijn stem was scherper geworden en door het diepste duister heen was de bedenkelijke frons op zijn gezicht te lezen. Camille haalde diep adem.
‘Kun je de Engel vinden door alle plaatsen voorbij de poort aan het begin van de wereld af te reizen? Ik heb verhalen gehoord van reizigers in het gasthuis. Ik vroeg er naar omdat de bezoekers het leuk vinden als er naar ze geluisterd wordt. Nooit eerder heb ik echt gedacht over wat ze betekenen, maar sinds je me vertelde dat ik mag weten, dat ik vragen mag stellen, is er meer dan gewoon een verhaal. Ik weet dat de wereld groot is.’ Ze was even stil, maar de reiziger zei niets. Hij luisterde. Ze trilde een beetje en greep daarom de arm van de reiziger steviger vast.
‘Ik weet dat deze plek groot is. Ik weet dat we lang kunnen zoeken als we alles langsgaan maar dat er ook een goede richting moet zijn. Ik weet dat er een goede richting is.’
‘Wat is de goede richting?’ vroeg de reiziger.
Ze was even stil. De reiziger deed een stap op haar toe, van de muur vandaan.
‘Leid me,’ zei hij toonloos. ‘Je weet de goede weg.’
Camille begon te lopen, in het duister. Ze liep snel en met grote passen, zo snel dat ze nog net niet rende. De reiziger volgde zonder moeite. Camille knipperde met haar ogen. Er was geen verschil te ontwaren tussen wat ze zag met of zonder ogen. Ze kon niets horen dan de voetstappen in de eindeloze koepel en niets voelen dan de grond onder haar voeten en de arm die ze in haar hand geklemd hield. Ze had geen reden om de richting te kiezen die ze nu volgde, maar ze gehoorzaamde de reiziger. Na een tijd te hebben gelopen vertraagde ze haar pas en ze stak haar vrije hand uit naar voren. Haar vingers vonden houtsnijwerk. Ze zocht verder. Het was een groot stuk, versierd met patronen van waarvan ze vermoedde dat ze planten voorstelden.
‘Waarom stop je,’ vroeg de reiziger achter haar.
‘Ik heb de deur gevonden,’ zei ze. Hij liep haar voorbij en legde zijn hand ook op de deur. Er volgde een metalig geluid toen hij de klink vond en de deur opende. Toen werd alles wit. Het was licht. Vergeleken met de totale duisternis van eerder was het alsof ze recht in de zon staarden. Camille liet de reiziger los om in haar ogen te wrijven.
‘Kom je mee?’ vroeg de reiziger.
‘Ik zie niets,’ klaagde ze. ‘Het licht ging te snel aan.’
‘Je hebt het gevonden,’ zei hij. ‘Kom.’
Toen ze niet bewoog, haar blik nog steeds gevuld met wit, groen en paarse vlekken, legde hij zijn hand op haar schouder en hij leidde haar door de deuropening.
‘Welkom,’ zei een vrouwenstem. ‘Kom verder, reiziger.’

Terwijl Camille nog probeerde wennen aan het licht nam de reiziger het woord.
‘Ik ben op zoek naar aanwijzingen. Ik vernam van een plaats van kennis en richting, iets dat ik nodig heb. Is dit die plaats?’
‘Beide dingen die je zoekt zijn hier te vinden, reiziger,’ antwoordde de stem. ‘Maar eerst zul je ons verblijden met je aanwezigheid en je verhaal.’
‘Akkoord,’ zei de reiziger.
‘Ga gerust zitten,’ zei de stem, op een gemoedelijke toon. ‘Er wordt zo iets te eten en te drinken gebracht.’
‘Dank u,’ zei de reiziger. Camille viel hem bij met meer opluchting.
‘Ik wacht even met gaan zitten tot mijn ogen gewend zijn aan het licht, als u het niet erg vindt,’ zei de reiziger. ‘We komen uit het donker.’
‘Ach, dat krijg je ervan als je vertrouwt op je ogen om te zien,’ zei de stem. ‘Ze zijn zo gemakkelijk verduisterd en evenzo gemakkelijk verblind. Hoe moet je ooit je weg vinden op die manier?’ De stem spotte, maar bleef vriendelijk. Door de verblinding heen werd het mogelijk een gestalte te ontwaren, naarmate de ogen van Camille en de reiziger wat meer gewend begonnen te raken.
‘Buiten je eigen ogen, oren en tastzin is er geen manier om de wereld te kennen,’ zei de reiziger. ‘Ze kunnen verblind of bedrogen worden, maar we hebben niet veel keus.’
‘Als jij het zegt,’ zei de vrouw vriendelijk.
Ze droeg een wit gewaad, wit als de oogverblindende marmeren muren van het vertrek. Haar grijze haar viel lang en recht over haar schouders neer. De reiziger vond een eenvoudige witte houten stoel en ging zitten. Terwijl zijn blik gericht bleef op de dame met het grijze haar nam Camille de tijd om met haar opnieuw verworven gezichtsvermogen de kamer rond te kijken. Aan de bovenkant waren de muren versierd met wijnranken, die in de bovenste hoeken van de ruimte leken te groeien. Openingen zonder deuren leidden naar andere, even witte vertrekken. Deze kamer bevatte een tiental witte stoelen aan de randen van de ruimte en een lege grote witte marmeren troon tegenover de deur. In één hoek had de wijnrank zichzelf langs de muur gewerkt en deze raakte bijna de vloer. Het meest opvallende aan de kamer waren twee pilaren die aan weerszijden van de troon half in de muur verzonken stonden. De één was wit als sneeuw, witter dan het al redelijk verblindende marmer, dat van zichzelf licht leek te geven bij afwezigheid van een lichtbron, de andere pilaar was gitzwart.
‘Wat is deze plek?’ vroeg de reiziger. Camille was gaan zitten.
‘Dit is de Tempel,’ zei de vrouw. ‘Ik ben een priesteres hier. Samen met enkele anderen leef ik hier in rust, temidden van pracht en praal die jullie kunnen zien. De grootste schoonheid echter, is die van de Goddelijkheid die deze plaats vult en doordringt met licht. Mijn gezusters zijn gezegend hier te mogen wonen.’
‘Is dit een plek van kennis en richting?’ vroeg de reiziger. De priesteres knikte.
‘Zelf zou ik die dingen wijsheid noemen, dat is wat jij zoekt,’ zei ze.
‘Als het mij helpt op mijn reis zoek ik inderdaad naar wijsheid,’ zei de reiziger. ‘Ik moet de Engel doden. Daarvoor moet ik het eerst vinden.’
De priesteres sloeg haar ogen neer en speelde met een ring aan haar vinger.
‘Het is een ernstige zoektocht, waar jij je op bevindt,’ zei ze. ‘Je zult alle hulp nodig hebben die je kunt krijgen. Voor die hulp ben je op de juiste plaats.’ Ze keek op en herwon haar statigheid. ‘Over de aard en het doel van je reis zal ik niets zeggen. Je bent hier gekomen om wijsheid te vergaren en die wens zal ik eerbiedigen. Dat is mijn taak.’
De reiziger knikte. Een andere priesteres, ook gekleed in het wit, met even lang zilveren haar, kwam binnen met twee schotels met fruit, zowel vers als gedroogd en noten. De reiziger en Camille namen ze aan en zetten ze op schoot neer. Camille viel gelijk op het eten aan.
‘Jullie zullen ons moeten vergeven voor de voorzieningen voor gasten,’ ze de priesteres. ‘We rekenen niet zozeer op bezoek, en onze eetruimtes zijn niet toegankelijk voor oningewijden. Voor in de toekomst zullen we er wat op vinden. Ik denk niet dat jullie lang blijven,’
De reiziger schudde zijn hoofd. Ze ging verder. ‘Misschien dat latere bezoekers er voordeel bij hebben. We kunnen altijd hopen.’
De priesteres ging zitten, de ander kwam binnen met een kristallen schenkvaas met helder water en twee glazen, die ze op een stoel zette en inschonk. Ze glimlachte. ‘We moeten een beetje improviseren, misschien kunnen we een tafel hierheen dragen.’
De reiziger was nog niet begonnen te eten. Camille was aan het water begonnen. De priesteres zat het verheugd aan te kijken. ‘Ga gerust je gang,’ zei ze. ‘Er is meer dan genoeg en volgens mij zijn jullie al een tijdje onderweg.’
‘Ik weet eigenlijk niet zo goed hoe lang we al lopen,’ zei Camille. ‘Maar ik merk wel dat ik hier aan toe ben.’ Ze bloosde.
‘Je bent zichtbaar aan het genieten,’ zei de priesteres, die ook met plezier naar de etende Camille keek. ‘Als jij toch het eten even uitstelt kun je me mooi even vertellen over je reis tot hier,’ zei ze tegen de reiziger met een glimlach. Ze leunde iets naar voren.
‘We zijn hier gekomen over het pad tussen de afgronden,’ zei de reiziger. ‘Daar kwamen we toen we van de wenteltrap kwamen. De wenteltrap vonden we in het gasthuis aan het begin van de wereld. Het gasthuis aan het begin van de wereld vond ik nadat ik de poort aan het begin van de wereld door was gelopen.’
‘Vertel eens over de poort,’ zei de priesteres. ‘Ik heb hem nooit gezien. Hoe ziet het eruit? Je hebt de poort gezien toch?’
De reiziger krabde zich op zijn achterhoofd. ‘De poort aan het begin van de wereld is een mysterieuze plaats,’ zei hij. ‘Het is wit en grauw als de afgekalfde rotsen aan zee, bleek als mist en zwart als de schaduwen.’ De ogen van de reiziger keken nog in de richting van de priesteres maar ze waren glazig. ‘De poort is een afgrond die naar boven en naar beneden doorgaat zonder einde. Aan mijn rechter en linker zijde was niets te bekennen behalve de rotswanden die zich steeds verder uitstrekken. Op die manier is de poort een oneindige plaats en een bodemloos niets.’
‘Hoe kan een afgrond een poort zijn?’ vroeg Camille.
‘Een poort is een plaats waar je doorheen kan of niet,’ zei de priesteres. ‘Een afgrond is voor veel mensen een gesloten poort, maar voor sommigen is het een doorgang.’
‘Ik liep boven de afgronden en onder de kolkende lucht,’ zei de reiziger, nog altijd voor zich uit starend. ‘Ik had een wandelstok, anders had ik het nooit tot het einde gehaald.’
‘Waar is die wandelstok?’ vroeg de priesteres.
De reiziger dacht even na. ‘Ik heb hem laten liggen toen ik aankwam.’
Camille had het bord eten weer voor zich genomen maar at langzamer.
‘Was dat wat u wilde horen?’ vroeg hij aan de priesteres. Ze knikte.
‘Dat is voldoende. Ik zal nu mijn deel van de belofte nakomen. Maar eerst moet je wat eten en drinken, want anders kun je helemaal niet verder. Dus geen woorden maar hapjes.’
De andere priesteres kwam binnen met een laag tafeltje, die ze voor de reiziger neerzette. Hij zette zijn bord op het tafeltje neer en nam het kristallen glas ter hand.
‘Akkoord,’ zei hij, en dronk.

--------------

Ik zet er vandaag gelijk 2 op, gisteren heb ik wel geschreven maar niets online gezet. Soundtrack is een mix van Gladiator, Rhapsody in Blue en nog iets.

Hugo Maat.

Geen opmerkingen: