5.11.09

Dr. Whoohoo's Novel Chapter 4.

Toen Camille door een priesteres gewekt werd zat de reiziger al rechtop op het bankje bij de fontein. Irene was bezig de windsels van de dag ervoor te verwijderen. De wonden waren gesloten en op veel plaatsen verdwenen. Camille ging rechtop zitten, zich schamend dat ze door was geslapen. Ze rekte zich uit. De reiziger tastte naar zijn hoofd en fronste.
‘Ik ben erg snel genezen,’ zei hij.
‘Dat, of je ligt hier erg lang,’ zei de priesteres met een glimlach. ‘Nee, we hebben je gisteren pas verbonden. Je was behoorlijk toegetakeld.’
‘Wat hebben jullie gedaan,’ vroeg hij terwijl hij alle plaatsen afging waar de stenen hem getroffen hadden. ‘Dit is normaal niet zo snel geheeld.’
‘Dat is ons geheim,’ zei de priesteres. ‘We zullen je het antwoord schuldig blijven. Het doet als mysterie niet onder voor de herkomst van die wonden.’
De reiziger ging er niet op in.
‘Ik dank u voor uw hulp,’ zei hij.
De priesteres boog licht. De reiziger ging staan en inspecteerde ook even de geheelde schrammen op zijn armen. Hij wreef in zijn ogen.
‘Ik neem aan dat je hier niet lang blijft,’ zei Irene ineens ernstig.
‘Dat klopt,’ zei de reiziger. ‘Ik moet verder.’
‘Kunnen we jullie nog iets te eten aanbieden voordat jullie vertrekken?’ vroeg ze.
‘Dat is goed. Ook wil ik nog iets vragen.’
‘Dat kan altijd,’ zei de priesteres. ‘Kom, dan krijgen jullie een ontbijt. We zouden jullie niet laten vertrekken zonder eerst goed gegeten te hebben. Dat geldt helemaal voor jou, reiziger. Je bent eigenlijk nog een herstellend patiënt.’
‘Ik ben niet langer gewond,’ zei de reiziger. ‘Ik ben goed in staat verder te gaan, ware het niet dat ik eerst wil weten waar ik uw wederhelft kan vinden.’
‘Pardon?’ vroeg de priesteres zacht terwijl ze gingen zitten. ‘Wat zei je?’
‘U sprak over een wederhelft van deze Tempel, een wederhelft van de priesteressen. Ik wil weten waar ik dat kan vinden.’ De priesteres ging wat rechter zitten.
‘Ik meen dat je de weg moet kunnen vinden met wat wij je verteld hebben,’ begon ze. ‘Het is niet nodig onze wederhelft te bezoeken.’
‘U heeft mij getoond hoe ik de richting moet vinden. Dat is erg belangrijk. Het feit blijft echter dat ik niet weet waar de Engel is. Ik kan nu wel de weg vinden maar ik weet niet waarheen. U zei dat deze wederhelft wel weet waar de Engel is. Die kennis heb ik nodig.’
‘De kennis waar de Engel zich bevindt is een ander antwoord op dezelfde vraag, met dezelfde uitkomst. Het is slechts een andere visie,’ zei de priesteres.
‘Dat mag zo zijn,’ zei de reiziger. ‘Ik zal deze wederhelft bezoeken en achterhalen waar de Engel is. Daarbij weet ik dan ook hoe ik er moet komen. Dat is samen voldoende om mijn reis te volbrengen. Ik heb besloten. Nu wil ik graag van u weten hoe ik uw wederhelft vind.’
Een priesteres was binnen gekomen met eten. Camille mengde zich niet in het gesprek en luisterde terwijl ze at. De reiziger negeerde het bord volkomen.
‘Onze wederhelft ziet de wereld anders,’ zei Irene. Ze beet op haar lippen. ‘Het is moeilijk hen te raadplegen.’ De reiziger knikte maar bleef kijken. ‘Ik zal je vergezellen naar hen toe.’
‘Dank u,’ zei de reiziger. ‘Hoe komen we daar?’
‘Er loopt een pad uit de bergen, een pad dat uitkomt op een rivier in de vallei beneden. Als je dan de rivier volgt kom je uit bij de plaats waar ze wonen.’
‘Wie zijn die mensen dan?’ vroeg Camille.
‘Zij zoeken hetzelfde als wij,’ zei de priesteres. ‘Ook zij dienen het Goddelijke, of wenden het tenminste voor. We verschillen alleen van mening over de wijze waarop dit zou moeten gebeuren. Zij zijn de priesters. Hun huis noemen zij eveneens de Tempel, hoewel,’ de blik van de priesteres werd koud. ‘Hoewel die plaats zijn naam niet waardig is. Evenmin verdienen zei het werkelijk priesters te worden genoemd. Wij leven in stilte en rust, dicht bij het Goddelijke. Zij daarentegen hebben gekozen bij de gewone mensen te leven, om als gewone mensen te leven. Erger nog. Ze hebben hun pseudo-Tempel tenmidden van de woningen van het volk geplaatst. Zij leven op een plaats die zij de stad noemen.’
‘Maar zij weten wel waar de Engel is,’ zei Camille.
‘Dat klopt. In de Tempel hebben we nooit veel waarde gehecht aan die kennis en dat is ook nooit overgeleverd. De ware kennis is altijd toegankelijk in het Goddelijke, dus wij hebben geen behoefte gezien dergelijke feiten op schrift te stellen.’
‘Het is opgeschreven?’ vroeg de reiziger.
‘Ja,’ zei Irene. ‘De priesters hebben hun kennis en hun denken toevertrouwd aan het perkament, al eeuwen. Hun kennis ligt daar opgeslagen, veilig voor de vergankelijkheid van de mens. Ze vertrouwen op het perkament, alsof dat onvergankelijk is. Ze zijn echter hun blik verloren op hetgene dat werkelijk onvergankelijk is en als enige bron van kennis zou moeten dienen. Ik blijf erbij dat het weinig goeds zal doen om hen te bezoeken, reiziger, maar als dat jouw keuze is zal ik je daarheen vergezellen.’
‘Het is mijn besluit,’ zei de reiziger.
‘Is het niet erg als u de Tempel verlaat?’ vroeg Camille.
De priesteres schonk haar een glimlach. ‘Mijn zusters zullen tijdelijk mijn taken overnemen. Het is belangrijker, meen ik, dat ik met jullie help onderweg.’
De reiziger was begonnen met eten. ‘Als ik klaar ben zal ik vertrekken,’ zei hij.

Onderweg naar de andere uitgang van de Tempel passeerden de reiziger en Camille een aantal vertrekken die ze nog niet hadden gezien, waaronder een achthoekige kamer die zich precies in het midden van de koepel bevond en helemaal leeg was, afgezien van het felle licht dat op de muren weerkaatste. Ze kwamen bij een versierde houten deur, die uitkwam op een lange rechte stenen trap naar beneden. Twee andere priesteressen deden Irene uitgeleide. Ze bogen voor elkaar en de priesteressen gaven Irene twee tassen met voedsel, die de priesteres weer doorgaf aan Camille en de reiziger.
‘Hier,’ zei ze. ‘Jullie zijn een stuk jonger en fitter dan ik, dus ik denk dat het beter is als jullie dit dragen.’ De reiziger nam de tas aan zonder iets te zeggen en bond hem op zijn rug.
‘Ik wens jullie een voorspoedige reis,’ zei een van de priesteressen. ‘Wees voorzichtig.’
‘Bedankt,’ zei Camille. ‘Misschien tot ziens!’
Irene glimlachte en de reiziger begon de trap af te lopen. De anderen volgden hem snel.

Aan het einde van de trap begon een smal pad dat van de witte berghelling af liep, af en toe onderbroken door een stuk houten trap waar het pad te moeilijk begaanbaar was geworden. Soms was een deel van het pad begeleid door een houten railing aan de rand van zeer steile hellingen.
‘Dit is aangelegd om het voor bezoekers eenvoudiger te maken om bij de Tempel te komen,’ vertelde de priesteres. ‘Zonder deze trappen is de helling nagenoeg onbegaanbaar.’
‘Zijn er vaak bezoekers?’ vroeg Camille.
‘Nee,’ antwoordde de priesteres. ‘We leven in rust. Het gebeurt soms dat mensen uit de vallei op zoek gaan naar de wijsheid van de Tempel, maar veelal houden zij zich bezig met andere zaken. Het is een zeldzaam voorrecht om je leven te kunnen wijden aan wijsheid en de Goddelijkheid.’
De reiziger sprak niet onder het lopen. Hij liep vooraan en vorderde sneller dan de anderen, die zich af en toe haastten om hem niet kwijt te raken. Ze vroegen hem niet om langzamer te lopen of om even te wachten. Af en toe keek Camille achterom om hoog op de berghelling de witte en zwarte torens van de Tempel te kunnen zien, steeds kleiner in de verte, tot een bocht in het pad en de gestage daling die ze maakten de torens uit het zicht lieten verwijnen. Voor hen begon zich in de verte al meer van de vallei te tonen.
‘Dat is de rivier,’ zei Irene, wijzend op een zilveren lint in het landschap.
‘Hoe ver is het lopen vanaf daar?’
‘We kunnen daar in de buurt wel een boot vinden, de mensen die aan de rivier wonen gaan soms op en neer naar de stad.’
‘Dat zal niet nodig zijn,’ zei de reiziger. ‘We kunnen het makkelijk te voet.’
‘Dan zijn we vele dagen onderweg,’ bracht de priesteres tegen hem in. ‘Het is veel gemakkelijker de boot te nemen en sneller ook.’
‘We reizen te voet,’ zei de reiziger, zonder om te kijken. ‘Voordat de nacht valt zullen we de stad bereiken. Volg me.’
Als reactie op zijn woorden begon Camille iets sneller te lopen en bleef ze vlak achter de reiziger. De priesteres twijfelde even maar zette toen ook een snellere pas in.
‘Als Michael voorop loopt maakt het niet uit hoe ver we reizen,’ zei Camille tegen de priesteres hoewel de reiziger dichtbij genoeg was om het te horen. ‘Dat merkte ik ook toen we naar de Tempel gingen. Ik weet niet hoe het komt.’
‘Hij is de reiziger,’ zei Irene. ‘Ik denk dat het één van de machten is die de roep aan hem heeft toegekend. We zullen zien hoever we het vandaag halen.’
‘We zullen voor de nacht in de stad zijn,’ zei de reiziger alleen.

Het pad liep vanuit de bergen een stuk grasland in, sporadisch bebost. Hier en daar waren nog heuvels en rotspartijen, maar het land was duidelijk een stuk lager. De rivier was dichtbij. De lucht was blauw en op een paar dunne wolken na helemaal leeg. Het pad was een zandpad geworden.
‘Kijk,’ zei Camille met een lach na een tijdje. ‘We zijn niet alleen.’ Ze wees op twee geitjes die op het gras stonden. Er klonk meer geblaat in de verte.
‘Dan zal er ook wel een herder zijn ergens. Zeker weten of we niet even naar een boot zullen vragen?’ zei de priesteres tegen de reiziger.
‘We gaan te voet,’ zei hij. ‘Dat is alles wat we nodig hebben.’
‘Bent u moe?’ vroeg Camille. De priesteres schudde haar hoofd.
‘Dat is het niet,’ zei ze. ‘Ik kan heus nog wel lopen. Ik weet alleen niet of ik dat nog veel langer kan.’
‘Ik vertrouw op Michael. Als hij zegt dat we voor de avond bij de stad zijn dan is dat zo.’
‘Je bent al bijna zo vastberaden als de reiziger,’ zei Irene. De reiziger zei niets.

Ze kwamen bij de rivier. Het pad was hier verder uitgesleten door karresporen en liep langs de lengte van de rivier, geflankeerd door populieren. Camille trok in haar hoofd een denkbeeldige lijn langs de toppen van de ruisende populieren en langs de kanten van de weg. In haar hoofd volgde ze het perspectief van het verzicht voor zich.
‘Zullen we even pauze houden en iets eten?’ vroeg de priesteres.
‘Waarom?’ vroeg de reiziger. Hij hield voor het eerst sinds hij van de trap bij de Tempel af was begonnen te lopen de pas in.
‘We zijn al een flinke tijd onderweg,’ zei ze. ‘We moeten wel zo haast iets eten.’
‘Heeft u honger?’ vroeg de reiziger.
‘Nou, nee,’ antwoordde ze. ‘Maar laten we toch wat eten.’
‘Ik weet niet of we wel echt zo lang onderweg zijn,’ zei Camille.
‘Maar we zijn al zo ver gekomen,’ zei de priesteres. ‘We hebben al veel gelopen.’
‘De reis is nog niet afgelopen,’ zei de reiziger. ‘Ik moet voor het einde van de dag in de stad zijn. We zullen verder gaan en eten wanneer dat nodig is.’
‘Ik geloof niet dat we echt lang onderweg zijn,’ zei Camille terwijl de reiziger de pas weer inzette en zij volgde. ‘Ik zou niet weten hoe laat het is of hoe laat we vertrokken.’
De priesteres zweeg terwijl ze meeliep. Ze kwamen af en toe langs een hutje langs het pad, en soms kwam er een bootje langs, gezeild of gewoon rustig meedrijvend met de stroming. De priesteres zag het aan maar zei niets. Iedereen die ze tegenkwamen groette het gezelschap beleefd, vooral de in het wit geklede dame, een zeldzame verschijning buiten de Tempel. De stukken land aan beide zijdes van de rivier werden steeds minder heuvelachtig en ook minder bebost. In plaats van kuddes geiten en schapen waren er nu steeds vaker akkerlanden te zien.
‘Een stad moet eten,’ zei de priesteres tegen Camille. ‘Deze mensen staan een deel af wat ze van het land halen aan de priesters, en houden net genoeg over om van te leven.’
‘Waarom zouden ze dat doen?’ vroeg Camille terwijl ze naar de boeren keek die argwanend opkeken naar het voorbijlopende drietal.
‘De priesters worden gehoorzaamd omdat de mensen hier denken dat ze dat moeten. Als de priesters om eten vragen geven deze boeren gehoor. Niet dat het allemaal verkeerd is, een deel van het opgehaalde eten wordt aan de andere mensen in de stad gegeven. Het meeste gaat echter naar de priesters zelf.’
Camille was even stil. ‘Maar waar halen u en de andere priesteressen het eten dan vandaan, daar boven in de tempel?’ vroeg ze toen.
‘Dat is een deel van de gratie en overvloed die de Goddelijkheid ons biedt,’ zei de priesteres. ‘Wij kunnen vertrouwen op dergelijke vrijgevigheid. De priesters kunnen dat ook, maar geven de voorkeur aan het zich toeëigenen van wat de arbeid hier opbrengt. Dat is één van de redenen dat we niet goed met elkaar overweg kunnen, onze orde en de hunne.’
‘Zijn jullie altijd al apart geweest?’ vroeg Camille. De priesteres schudde haar hoofd. ‘Ooit zijn we als gelijken als dienaren van de Goddelijkheid begonnen. Die tijd is nu voorbij, we verschillen teveel van elkaar. Mijn bezoek aan hun Tempel zal het eerste contact tussen de priesteressen en priesters zijn in jaren. Ik weet niet wat we kunnen verwachten.’
‘Maakt u zich zorgen?’ vroeg Camille.
‘Niet echt,’ antwoordde ze. ‘We respecteren elkaar nog wel. Ik weet alleen niet hoe hoffelijk we onthaald worden en of ze wel gehoor zullen geven aan de reiziger.’
‘Ik moet weten waar de Engel is,’ is het enige wat de reiziger zei. ‘Daar zullen we het antwoord vinden.’ Hij wees vooruit, naar de stad die op hen wachtte.

-----------

Na even een dagje rust te hebben genomen van het schrijven ga ik vandaag weer even fanatiek eraan. Ik zit erover te denken om vandaag even drie dagen quotum in één dag te pakken. Mogelijk staat hoofdstuk vijf voor het avondeten online. Ik geniet van het schrijven.

Hugo Maat.

Geen opmerkingen: