1.11.09

Dr. Whoohoo's Novel Chapter 1.

1
De reiziger vertrok niet meteen. Eerst luidde hij de bel om de gastvrouw te ontbieden en vroeg haar om normale kleding voor Camille. Zijn verzoek werd ingewilligd, geen vragen werden gesteld. Het feit dat hij besloten had dat het meisje met hem mee zou gaan en het Klooster zou verlaten scheen geen enkel probleem op te leveren; hij was de geëerde gast en mocht blijkbaar doen wat hij wilde. De reiziger vroeg hier ook verder niet naar. Hij zei tegen Camille dat hij het niet nodig vond te begrijpen waarom het werkte zolang het werkte. De denkwijze van de gastvrouw bevragen zou het aanvallen van hun voordelen zijn.
‘Wat er toe doet is dat ik bij de Engel kom,’ zei hij als enige verklaring terwijl Camille zich achter zijn rug om verkleedde. ‘Als er iets is dat mijn reis makkelijker maakt heb ik geen bezwaren en geen vragen.’
‘Wat vind je?’ vroeg ze. Ze had de doorschijnende kledij ingewisseld voor een eenvoudige jurk in aardekleuren. Kleding voor op reis, had de reiziger om gevraagd.
‘Goed. Functioneel,’ zei hij zonder lang te kijken of na te denken. ‘Kom, we gaan.’
‘Waar gaan we heen?’
‘Daar probeer ik achter te komen.’ Hij trok aan het koord om de gastvrouw te roepen. Ze was snel ter plaatse, waarschijnlijk was ze al ergens in de buurt. Ze opende de deur van de kamer zelf en vroeg of alles naar wens was.
‘Ik wil weten waar ik heen moet,’ zei de reiziger. ‘Is er iemand hier die mij kan vertellen waar ik heen moet, iemand die wel eens door deze gebieden gereisd heeft?’
‘Reizigers blijven niet in het gasthuis,’ zei de gastvrouw, haar gerimpelde gelaat samengeknepen. ‘Zij die blijven, blijven hier, zij die verder reizen komen niet meer terug. Dit is het gasthuis bij het begin van de wereld.’
‘Dat weet ik,’ zei de reiziger. ‘Maar ik zoek aanwijzingen voor de verdere route. Ik moet verder.’
Camille stond stil op de achtergrond. Ze keek de gastvrouw niet aan, en die keurde haar ook geen blik waardig. Alle aandacht van de gastvrouw leek alleen te zijn gericht op de reiziger.
‘Er is een plaats van kennis en richting. Daar zijn uw aanwijzingen te vinden.’
De reiziger begon nu ook zijn gezicht toe te knijpen.
‘Kunt u mij naar die plek wijzen? Ik moet die richting vinden.’
De gastvrouw knikte. ‘Komt u maar mee.’ Ze draaide zich om en liep de gang op.
De reiziger volgde. Hij merkte dat Camille hem niet uit eigen beweging volgde en hij gebaarde haar mee te komen. Ze liep achter hem aan zonder op te kijken.
‘U kunt vinden wat u zoekt in de top van de toren,’ zei de gastvrouw zonder om te kijken.
‘Wat is dit voor een plek, als ik vragen mag?’ vroeg de reiziger.
‘Het is een plaats van kennis,’ antwoordde de gastvrouw.
‘Dat weet ik,’ zei de reiziger, en hij vroeg niets meer. De gastvrouw liep in stilte verder.
De gastvrouw wees hen, of eigenlijk alleen de reiziger, naar een okergele stenen wenteltrap en stapte zelf aan de kant.
‘U kunt zelf vanaf hier de weg vinden, neem ik aan,’ zei ze.
De reiziger keek kort naar de oude vrouw, haalde adem alsof hij iets wilde zeggen, maar liep toen de trap op. Hij was al bijna door de draaiing van de treden uit het zicht verdwenen toen hij een kort bedankje uitte. Camille volgde hem zonder de gastvrouw aan te kijken.
‘Wat is er bovenaan de trap?’ vroeg de reiziger aan haar.
‘Ik weet het niet,’ zei ze. ‘Ik stel geen vragen.’
‘Heb je het ook nooit gehoord? Ik stel me voor dat je hier al enige tijd bent.’
‘Ik weet het niet. Ik ben hier misschien al lang, maar ik weet het niet, ik hoor het niet te weten dus dat gebeurt niet. Het is niet de taak van gezelschap om zich daarmee bezig te houden. Ik...’
Ze onderbrak zichzelf in haar zin en zweeg.
‘Je hebt niet langer die taak,’ zei hij. ‘Ik heb je gevraagd om mee te gaan. Je bent met me meegegaan, dus ben je nu niet langer een gezelschapsdame. Je mag nu vragen en je mag weten.’
Naarmate ze hoger klommen werden ze vermoeider. De trap was erg lang.
‘De toren is toch niet zo hoog,’ zei Camille na een tijd.
‘De toren is zo hoog als de klim lang is. Van het begin tot het einde.’
‘Je hebt gezegd dat ik mag weten,’ zei ze. ‘Hoe kan ik iets weten als je me het niet vertelt?’
‘Ik heb gezegd dat je mag weten,’ antwoordde hij. ‘Ik kan je niet meer vertellend dan ik zelf weet. Deze trap leidt niet langer naar de top van de toren die je aan de buitenkant ziet. Sterker nog, dat heeft hij waarschijnlijk nooit gedaan. De gastvrouw zei dat de trap naar een plaats leidde. Dat is de weg die we nu volgen. En een weg die je lang genoeg volgt komt ergens op uit.’
De trap eindigde op een deur.
‘Je hebt gelijk,’ zei ze. Hij probeerde de deur te openen maar er kwam geen beweging in.
‘Misschien zit hij op slot,’ opperde Camille. ‘Zullen we teruggaan en de sleutel vragen?’
De reiziger keek haar kort aan en schudde zijn hoofd.
‘We gaan niet terug. Ik moet door deze deur.’
Hij probeerde de deur nogmaals te openen, klopte aan, en wachtte.
‘Volgens mij lukt het echt niet,’ zei Camille.
‘Het moet lukken,’ zei de reiziger. ‘We zullen wachten voor de deur tot hij opengaat.’
‘Waarom denk je dat de deur open zal gaan?’ vroeg ze.
‘De deur moet opengaan,’ zei hij alleen. ‘De deur moet open omdat ik verder moet.’
‘Waarom moet je verder?’
‘Ik moet de Engel doden,’ zei de reiziger opnieuw. Camille ging zitten op de treden, haar rug naar de reiziger toe. Hij ging ook zitten, vlakbij de deur. Camille keek om naar de reiziger.
‘Waarom moet je de Engel doden?’ zei ze. ‘Ik wil dat je die vraag beantwoordt. Ik wil het weten, je zei dat het mocht.’
‘Ik zei dat je niet langer meer je taak hebt, dat klopt. Ik heb mijn taak nog wel. Mijn taak is het doden van de Engel. Ik moet het doen omdat ik tot die taak ben geroepen.’
Camille ging dwars zitten, haar voeten zette op dezelfde tree als waar ze op zat.
‘Wie heeft je geroepen voor die taak dan?’ vroeg ze.
De reiziger stond op. Hij strekte zijn hand uit naar haar gezicht. Ze deinsde even terug en verloor bijna haar evenwicht maar wist zichzelf tegen te houden door haar voeten op de lagere tree neer te zetten. De reiziger trok zijn hand terug.
‘Wat wil je doen?’ vroeg ze.
‘Je wilt het weten. Om het te weten kan ik je het vertellen, maar ik kan de kennis ook aan je geven. Kom hier,’ zei hij. Ze deed wat hij zei. Hij legde zijn rechterhand tegen de zijkant van haar hoofd.
‘Kom,’ zei hij. Toen zei hij, met een vreemde stem: ‘Ik ben geroepen om de Engel te doden.’
Ze waren in een fraaie ruimte. Het plafond was tweemaal zo ver weg als hun voeten en de muren tien maal de afstand die hun armen konden reiken. De vloer was een eindeloos patroon van kleine ingelegde gele steentjes desondanks perfect glad was en glansde. De wanden van de ruimte stonden vol met grote, donkere houten kasten. Sommigen waren gevuld met boeken, anderen bevatten grote stukken steen met ingekerfde letters. Ook waren er kasten waar wapens in lagen, zwaarden en bijlen. Eén kast stond vol met flessen. Het licht was afkomstig van tientallen grote hangende kandelaars van groen geworden brons.Tegenover Camille en de reiziger stond een grote tafel, en erop lagen een zwaard, een paar boeken, een stapel gouden munten, een wijnfles en de wandelstok die de reiziger terzijde had gelegd eerder. Achter de tafel stond een man in een wit gewaad met een rode mantel, een lange en rijzige gestalte. Zijn ogen schitterden.
‘Michael,’ zei hij. ‘Je moet de Engel doden.’
De reiziger keek naar Camille.
‘Als je een vraag wil stellen kan dat,’ zei hij.
Ze keek van de reiziger naar de man achter de tafel en weer terug. De man achter de tafel krabte zich onder zijn kin en zijn donkere ogen richtten zich op Camille.
‘Welnu, waar kan ik je mee helpen?’ vroeg hij.
Camille stapte naar voren.
‘Waarom moet hij de Engel doden?’ vroeg ze.
In plaats van een antwoord stapte de man met de mantel naar één van de kasten aan de muur en pakte een zilveren dwarsfluit die daar op een plank lag.
‘Hij is geroepen,’ zei de man. ‘De roep, verkondigd door de bazuin, heeft hem aan zijn taak gezet.’
‘Maar waarom is hij geroepen? Waarom moet de Engel dood?’ vroeg ze.
‘De tijd is gekomen,’ zei de man. De reiziger bewoog zich niet. ‘Ik ben de roep niet. Ik ontvang de roep en geef hem door, wat mij macht geeft, maar ik ben niet de boodschap die verkondigd wordt. Het enige wat ik doe is het kiezen van de uiteindelijke ontvanger.’ Hij wees met de dwarsfluit naar het plafond en toen naar de reiziger. ‘Ik heb Michael gekozen om de roep te horen. Hij moet de Engel doden.’
Camille zei niets, maar keek alleen naar de man.
‘Ik ben de bazuindrager,’ zei hij. ‘De roep, in dit geval de roep om de Engel te doden, is er. Het is een macht, een beweging van de natuur zoals de getijden. De roep kan niet tegen worden gesproken en niet worden betwijfeld.’
‘Waarom is hij gekozen voor de roep?’ vroeg Camille.
De bazuindrager draaide de dwarsfluit rond tussen zijn vingers zonder er naar te kijken. Het instrument draaide snel rond en veranderde in een wazige zilveren cirkel.
‘Hij is gekozen omdat hij de taak zal volbrengen,’ zei de bazuindrager. ‘Omdat ik geloof in zijn kunnen zal hij de roep aannemen. Sterker nog, hij heeft de roep al aangenomen.’
‘Hij koos mij omwille van mijn trouw,’ verklaarde de reiziger achter Camille.
‘Trouw en doorzettingsvermogen,’ vulde de bazuindrager glimlachend aan. ‘Goede eigenschappen. Sterke eigenschappen. Hij moet de Engel doden daar hij de meest geschikte is.’
‘Maar waarom,’ begon ze.
‘Dat zou het antwoord moeten zijn dat je zoekt,’ zei de bazuindrager. ‘Het is alles wat je hoeft te weten. Michael had er genoeg aan. Niet waar?’
De reiziger knikte. Camille gaf het op.
‘Ik moet de weg zien te vinden vanaf waar ik nu ben. De gastvrouw van het gasthuis aan het begin van de wereld heeft me in deze richting gewezen om naar een plaats van kennis te gaan,’ zei de reiziger. ‘Ik moet nu door een deur gaan. Daarna zal ik achterhalen waar de Engel is en ik zal het doden.’
De bazuindrager knikte. ‘Het was me een genoegen jullie ter dienst te staan,’ zei hij.
Terwijl de reiziger zijn hand uitstrekte naar Camilles hoofd wees de bazuindrager de dwarsfluit weer naar het plafond. Hij wees met zijn vrije hand naar de reiziger en glimlachte warm. Camille en de reiziger keerden terug.
‘De deur is open,’ zei de reiziger voordat hij zijn hand op de klink gelegd had.
‘Wat was dat?’ vroeg Camille. ‘Hoe zijn we weer hier?’
‘Ik heb je getoond waar je naar vroeg,’ zei de reiziger, terwijl hij de deur opende. ‘Kom je?’
Voorbij de deur was een pad, bezaaid met steentjes en gruis, dat zich in de verte uitstrekte. Aan weerszijden van het pad waren gapende afgronden, in de verte waren besneeuwde toppen te zien. De lucht was kil en blauw, de wind sneed. De reiziger begon te lopen.
‘Wacht!’ riep Camille. ‘Waar ga je heen?’ Ze keek achter zich naar de wenteltrap die achter de deur naar beneden liep.
‘Ik ga naar een plaats van kennis en richting,’ zei hij. ‘Het ligt aan het einde van dit pad.’
Ze waagde een paar passen door de deuropening en werd gegrepen door de kou die op de hoogte waar het pad liep heerste. Ze waagde een blik in de afgrond.
‘Ik kan dit niet!’ riep ze de reiziger toe. ‘Het is te gevaarlijk en het is koud. Kom terug!’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Ik ga verder,’ zei hij. ‘Ga je met me mee?’
Ze probeerde weer een stukje verder te lopen, maar de wind bracht haar bijna uit balans. Ze liep snel terug naar de deuropening waar ze weer veilig kon staan. De tranen stonden haar in de ogen. De reiziger verroerde zich niet. Ze gebaarde dat hij naar haar toe moest komen maar hij bleef staan waar hij stond.
‘Alsjeblieft, Michael! Dit kan ik niet. Wat nou als ik val? Wat nou als jij valt?’ Zelfs buiten de snijdend koude wind en binnen bereik van de warmte die vanuit de wenteltrap meekwam rilde ze. De afstanden en de heldere kou deden haar duizelen.
‘Ik kan niet terug. Ik moet de Engel doden,’ zei hij.
‘Ik kan niet zo verder, ik durf het niet,’ bracht ze er tegenin.
De reiziger zweeg. Hij wees met één hand naar de kille hemel. Zijn mouw viel iets naar beneden, de haren op zijn arm stonden recht overeind van de kou. Hij rilde licht maar hield zijn kaken op elkaar geklemd. Zijn andere hand stak hij naar Camille uit.
‘Ik roep je, Camille,’ zei de reiziger. ‘Kom met me mee.’
Camille zette een stap op het pad, en nog één. De kou deed haar pijn en de wind sleurde aan haar zodat ze soms het gevoel had dat ze zou vallen, maar ze liep door. Met elke stap kwam de uitgestoken hand dichterbij en werd de wind minder hard. De kou nam af. Camille veegde de tranen, half van angst, half van de bijtende wind, uit haar ogen en greep met haar andere hand de uitgestoken arm van de reiziger beet. Ze stonden allebei even stil, Camille’s schouders schokten een beetje en ze hapte naar adem. De reiziger zei niets maar liet wel de hand die hij naar de hemel had uitgestoken zakken. Toen Camille weer op adem was gekomen begon de reiziger te lopen. Camille volgde, maar ze hield onder het lopen met één hand de arm van de reiziger vast, die hierdoor een beetje onhandig achter hem aan hing. Zo wandelden ze het pad af.

----------------------

Het is nog altijd dag 1. Voor muziek 'Liar Liar, Pants on Fire' van de Castaways. Bijna drie dagen aan wordcount, en ik heb in theorie vanavond nog. Commentaar op het geschreven werk is overigens toegestaan, maar wordt waarschijnlijk straal genegeerd.

Hugo Maat.

1 opmerking:

missemosse zei

straal genegeerd? that's right.

als je maar weet dat ik nu al in de ban van je verhaal ben. =)