De stad van de priesters was een kolos van zwart en grijs. De stenen van de muren en de torens hadden de kleur van een stormachtige lucht, het hout van andere gebouwen was grijzig of gewoon heel donker. Alle daken waren ofwel zwart van betering of zwarte dakpannen, of helder grijs van leisteen. De stad stond dichtbij de rivier in het landschap als een groot schip alleen op zee. Het vlakke land rond de rivier werd plotseling onderbroken door de kolossale muren en de daartussen oprijzende berg van steen en hout, steeds hoger wordend alsof de gebouwen tegen de zijden van een kegelvormige berg op waren gebouwd. Helemaal in het midden van de stad rees boven alle andere gebouwen een ronde stenen toren op, zo breed als de koepel van de Tempel. De top van de toren was vlak en aan de randen afgezet met afgeronde kantelen. Een enkel raam gluurde door de muren uit over het landschap.
Het was nog redelijk licht buiten, maar de stad leek in zijn verschijning het licht van de wereld te negeren en van zich af te schudden. Het leek alsof er een eeuwige donkere wolk over hing, alsof er een vuur brandde in de straten dat dikke roetwolken langs de ronde toren naar de hemel uitstootte. Nabij de muren hielden de akkers en graslanden op en was de grond hard en zanderig. Het zandpaadje ging halverwege het gezelschap en de stadsmuren over in een geplaveide weg. Nabij de poorten heerste ook meer bedrijvigheid. De weg was druk bezet met komende en gaande stedelingen, met handelaren die bij de poorten hun waren uitstalden en omroepers die elkaar probeerden te overtreffen.
‘We zijn inderdaad voor de avond aangekomen,’ zei Camille.
De priesteres schudde vertwijfeld haar hoofd. ‘Van de Tempel naar de stad is geen dagreis. Verre daarvan. Te voet is het meer dan een week lopen uit de bergen en langs de rivier.’
‘We zijn er,’ zei de reiziger. ‘Waar kom ik te weten waar de Engel is?’
‘De toren in het midden van de stad is de Tempel van de priesters.’
‘Daar gaan we heen.’
‘Misschien kunnen we er wel als gasten verblijven,’ opperde Camille. ‘Het zal niet lang duren voordat de avond invalt.’
‘Als de nacht valt sluiten de poorten,’ zei de priesteres. ‘We zullen hoe dan ook een verblijfplaats moeten vinden in de stad. Ik hoop dat ze ons vriendelijk ontvangen. Ik hoop dat het iets voor ze betekent dat ik een priesteres ben, hun verwante.’
‘Ze zullen ons ontvangen,’ zei de reiziger alleen. Hij liep zonder vertraging op de open poorten toe. Daarachter was de drukte en bedrijvigheid in de kleine straatjes al te zien. Camille bleef dicht bij hem terwijl de mensenmassa en het lawaai groter werd, Irene kon weinig anders doen. Camille probeerde onder het lopen nog dingen te vragen aan de reiziger of aan de priesteres, maar de eerste hoorde haar niet door het gedruis van het stadsleven en de ander had al genoeg moeite met zichzelf door de drukte heen te werken.
‘Hoe weet je waar je heengaat?’ vroeg Camille uiteindelijk aan de reiziger. De straatjes waren redelijk smal en kronkelden tussen de hoge huizen door. Het was redelijk donker, niet alleen door de langzaam invallende avond maar ook door de huizen die aan beide kanten van de straat lichtjes overhelden en een hoge boog vormden boven de straten. Er waren allerlei uithangborden maar geen wegwijzers. Allerlei mensen liepen allerlei kanten op, zowel op de straten als op trappen, overspanningen en balkons, touwbruggen tussen gebouwen die verdiepingen boven de grond hingen, maar de reiziger baande zich een pad door de menigte, richting een gebouw dat niet in het zicht lag.
‘Ik volg de weg die de roep wijst,’ zei hij alleen maar.
Halverwege onder het lopen moest Camille de reiziger even aan zijn arm trekken en tegenhouden omdat Irene het niet goed meer bijhield. De reiziger kon zichzelf veel gemakkelijker en sneller door de menigte verplaatsen dan de dame met de grijze haren. Hij wachtte geduldig tot Camille zijn arm losliet en hij weer even snel doorliep.
‘Hoe kan iemand hier ooit zijn weg vinden?’ vroeg Camille aan de priesteres, maar ze kreeg geen antwoord. Blijkbaar had de priesteres zelf genoeg moeite met de weg te vinden.
Toen de reiziger de Tempel vond bestond er geen twijfel of het de juiste plaats was of niet. Voor de Tempel was een groot plein, het enige plein dat ze tot dusver tegen waren gekomen, dat vrijwel leeg was, zeker vergeleken met de straten waar ze net doorheen waren gelopen. De meeste mensen bewogen zich langs de randen van het plein, alsof er nog een gebouw middenin stond. Aan de overzijde van het plein stond een grote zuilengalerij op een verhoging die met brede trappen bereikbaar was. Daarboven begon zich de toren uit te strekken. In de zuilengalerij was ook een brede houten deur te zien. Tussen de zuilen bevonden zich geen gewone stedelingen. Wel stonden er wachten, die in de rest van de stad nauwelijks te vinden waren. De wachten droegen lange maliënkolders en zwarte mantels, hun voeten gestoken in stevige laarzen. In hun handen hielden ze lange hellebaarden met zwarte vaandels aan de bovenkant bevestigd. Hun gezichten richten zich allemaal op de reiziger toen hij zonder zijn pas te vertragen de trappen naar de zuilengalerij betrad. Ze gingen verstaan en twee van hen liepen op hem toe. Camille en Irene hielden in voor de trappen maar de reiziger liep door richting de deur. De twee wachters versperden hem de weg.
‘Halt,’ zei er een. ‘U kunt hier niet verder.’
‘Ik moet verder,’ zei de reiziger. ‘Ik wens toegang tot de Tempel.’
‘En wat zijn uw zaken daar dan?’ vroeg de wachter. ‘We laten niet zomaar paupers toe in de heilige plaats. U kunt maar beter een goede reden hebben.’
‘Ik moet weten waar de Engel is.’
‘Want?’ De wachter fronste en keek met toegeknepen ogen naar de reiziger, die niet verblikte of verbloosde. De andere wachter had het niet goed genoeg verstaan naar zijn zin.
‘Ik sta voor hem in,’ zei de priesteres, die zo snel als ze kon de trappen op liep, voordat de reiziger iets zou zeggen wat hen compleet de toegang zou ontzeggen. De wachters deden een stap terug en rechtten hun rug.
‘Priesteres,’ zei een van de wachters bars.
‘Vergeef hem,’ zei ze, terwijl ze de schouders van de reiziger pakte. ‘Hij is niet bekend met de gebruiken hier.’ De reiziger zweeg.
‘U wenst toegang tot de Tempel?’ vroeg de andere wachter.
‘Jazeker. Ik wens mijn broeders te raadplegen. We zijn van ver gekomen.’
De wachters stapten terug. Eén liep naar de deur en opende die.
‘Komt u verder. Ik zal uw aanwezigheid bekend maken.’
De priesteres liep met statige waardigheid naar binnen, op de voet gevolgd door de reiziger en Camille. Binnen in de Tempel zette de zuilengalerij zich voort. Ze betraden een ronde zaal, die de complete breedte van de toren in beslag nam. De hele zaal was gevuld met grote zwarte pilaren die naar een rijkelijk versierd plafond met witte en zwarte patronen rijkten. De vloer was van graniet, erin waren ringen van zwarte steen die als steeds verder uitwijdende kringen om het midden van de zaal heen lagen. Langs de anthracietgrijze wanden liepen lange trappen omhoog en acht van de pilaren waren aan de binnenkant voorzien van een wenteltrap. Fakkels hingen in ijzeren houders aan de muren, maar het werkelijke licht was overal en nergens, een spookachtig grijs halfduister dat tussen de zuilen zweefde. De zaal was volkomen leeg en iedere voetstap stierf weg in de omvang van de ruimte. De wachter luidde een bel vlak bij de ingang van de ruimte.
‘Er zal dadelijk iemand komen om u te ontvangen. Ik zal terugkeren naar mijn wacht.’ Met een buiging liep hij naar buiten.
‘De priesters zijn zeker allemaal boven,’ zei Camille op fluistertoon tegen Irene, overweldigd door de grootte en de stilte van de zaal.
‘De meeste priesters zijn nu buiten, in de bordelen, de gokhallen of in de kroegen,’ zei de priesteres verachtelijk. ‘Ze zijn de rijkste inwoners van de stad en leven ernaar. Boven ons zitten de priesters die nog werk te doen hebben of de hogepriesters, wiens inkomen voldoende is om hun pleziertjes binnen de muren te halen in plaats van zelf naar buiten te hoeven.’
Camille zette grote ogen op.
‘Bedoelt u dat...’ begon ze. ‘Ze hebben niet dezelfde visie op het priesterschap als de priesteressen,’ vervolgde Irene. ‘Ze zien zichzelf als de bewaarders van kennis en uitvoerders van een heilige taak, maar ze vinden tegelijkertijd dat ze voor hun taken beloond horen te worden. Dat is ook precies wat ze doen, zichzelf belonen.’
De reiziger liep naar het midden van de ruimte, naar de binnenste granieten cirkel. Hij stond daar temidden van de zwarte kringen en keek om zich heen. De priesteres sloeg hem gade. De reiziger schopte half met zijn laarzen over de stenen heen, alsof hij zijn voeten veegde.
‘Reiziger?’ vroeg de priesteres. Hij keek op. Op dat moment kwam er net een man de wenteltrap afgelopen. Hij droeg een wit gewaad met meerdere lagen, bestikt met goud en omzoomd met purper. De kanten afzettingen zwierden over de grond en ondanks de enorme omvang van het kledingstuk was zijn dikke buik goed te zien. Twee kleine ogen keken over twee gloeiende wangen door een bril naar de drie gasten.
‘Gegroet,’ zei hij met een redelijk hoge stem. ‘Zuster,’ knikte hij de priesteres toe. ‘Geëerde gasten. Welkom in de Tempel. Wij zijn verheugd u te mogen vergasten.’
‘Dank u,’ zei de priesteres. De reiziger bedankte ook, uitdrukkingsloos.
‘Kom maar mee,’ zei de priester. Hij glimlachte als een klont boter. ‘Na uw reizen in de onbeschaafde buitenwereld zult u vast toe zijn aan een goed maal...’ Hij onderbrak zichzelf even om goed te puffen terwijl hij de eerste stappen op de trap nam. ‘Een goeie plaats om even neer te ploffen, iets te drinken. Goede dingen.’
‘Ik heb een vraag,’ zei de reiziger.
‘Laten we eerst even rust nemen, m’n jongen,’ zei de priester over zijn schouder terwijl de reiziger op de wenteltrap toeliep. ‘Tegen de tijd dat ik hier boven ben moet ik nodig op adem komen.’
‘Precies,’ zei de priesteres, terwijl ze achter de priester aanliep. ‘Laten we eerst hun gastvrijheid eren voordat we ons met dergelijke zaken bezighouden.’ Ze wierp een waarschuwende blik op de reiziger. De reiziger volgde de priesteres, Camille sloot de rij.
‘We krijgen niet vaak zulk bijzonder bezoek. Een bijzonder gezelschap zoals jullie, bedoel ik,’ pufte de priester. De trap was redelijk lang. Het viel in het niet vergeleken met de trap die de reiziger en Camille vanaf het Gasthuis hadden afgelegd, maar de priester had al genoeg moeite met deze.
‘Het is wel typisch dat ík juist op en neer moet,’ zei de priester. ‘Ze hadden ook iemand anders kunnen laten traplopen. Ik word er zo moe van.’
‘Hoeveel priesters zijn er?’ vroeg Camille een paar treden lager.
‘We zijn hier toch echt met honderd man, denk ik. Ik kan er een paar naast zitten. Maar er is ook altijd veel te doen, dus dat is wel nodig.’ Hij lachtte en begon gelijk iets meer te puffen. Halverwege hield hij even in om tegen de muur te zakken en met zijn hand op zijn buik op adem te komen.
‘Het zou allemaal niet geven, maar het is zo’n lange klim, vinden jullie ook niet?’ zei hij.
‘Nou,’ begon Camille.
‘Oh ja, jullie komen helemaal uit de bergen,’ zei de priester. ‘Daar zal het helemaal klimmen zijn. Dan heb ik natuurlijk geen recht om te klagen. Hola, daar gaan we weer!’
Hij hervatte zijn klim. De priesteres begon ook al met meer moeite te lopen en de reiziger stapte eindeloos door. Naarmate ze dichter bij het einde van de trap kwamen werd het warmer.
‘Nou, we zijn er,’ zei de priester, terwijl hij de zaal bovenaan de trappen betrad. Het betrof een ronde kamer met aan de randen vier openingen naar de wenteltrappen naar beneden, vier openingen naar andere wenteltrappen verder naar boven, en vier grote bogen. Door de ene boog was een gelagkamer te zien, vol stevige houten tafels, waar kroezen bier op stonden. Een tiental priesters zat er met elkaar te lachen en te zingen en dobbelstenen rolden over de grond. Door de andere boog waren vuren te zien met ijzeren roosters erop. Op de roosters lagen stukken vlees die gebraden werden. Stevige mannen met schorten voor en lange ijzeren poken draaiden het vlees om. Door de derde boog was een ruimte te zien waar priesters met elkaar aten uit houten nappen met hun handen. Vet droop van hun handen en kinnen. Door de derde boog was een gang te zien met meerdere deuren aan weerszijden.
‘Bezoek!’ riep de priester die het gezelschap naar boven had geleid. Ze werden met gejuich door een aantal priesters begroet. ‘Welkom,’ zei een monnik met pullen bier in zijn handen. ‘Kom en drink met ons mee.’
‘We worden vereerd met de aanwezigheid van een priesteres!’ zei een ander. ‘Dat is lang geleden!’
De reiziger ging vlak achter de priesteres staan en fluisterde in haar oor.
‘Dit is alleen maar afleiding. Ik moet weten waar de Engel is.’
De priesteres knikte.
‘Dat weet ik,’ fluisterde ze terug. ‘Maar we moeten ze eerst hun zin geven en op hun uitnodiging ingaan. Hou je rustig in de tussentijd.’
De reiziger ging zitten aan één van de tafels in het drinkvertrek en dronk het bier mee. Hij nam geen deel in het feestgedruis en zijn gezicht veranderde niet. Camille ging tegenover hem zitten. Haar gezicht glom en ze keek lachend naar alle vrolijkheid om haar heen. Ook zij kreeg een bierpul, waar ze kleine slokjes uit nam. De priesteres dronk niet maar praatte geanimeerd met een priester over hoe de omgeving erbij lag en hoe de reis was verlopen. Het verbaasde Camille hoe eenvoudig de priesteres in de menigte meedraaide. Ze viel erg op: haar gewaad was relatief er sober en zijzelf was broodmager vergeleken met de priesters. De reiziger dronk alsof het bier water was en gaf geen krimp. Ze keek hem bezorgd aan.
‘Wat is er?’ vroeg ze hem. Hij keek koud. ‘Ik moet weten waar de Engel is,’ zei hij.
Het duurde minstens een uur. De priesteres hoorde verhalen aan van de priesters, ze hadden het over velerlei zaken, maar geen van de gespreksonderwerpen waren verheven. De reiziger ledigde zijn bierpul, kreeg er nog één, dronk die ook leeg, en al die tijd hield hij zich alleen maar rustig, zoals de priesteres hem gezegd had. Af en toe werd hij op zijn rug geslagen, of gewoon vreemd aangekeken, maar hij toonde geen reactie. Camille deelde in zijn stilte. Uiteindelijk vroeg de priesteres aan één van haar gespreksgenoten of ze iets konden bespreken, de ware reden dat ze daar waren gekomen. De priester drong er eerst op aan dat ze nog wat zouden eten en langer zouden blijven, maar de priesters drong zacht maar dwingend aan. De reiziger keek scherp op en maakte aanstalten op te staan. Camille keek op van haar eerste pul, die nog niet leeg was.
‘Serieuze zaken,’ zei de rood aangelopen priester. ‘Voor serieuze zaken moet u denk ik een hogepriester spreken. Wij voeren de minder grootse taken uit. Ik denk dat u voor uw vragen ook boven moet zijn.’
‘Kunt u me even begeleiden en aankondigen?’ vroeg de priesteres. De priester gaf met tegenzin toe aan het verzoek een wenteltrap op te lopen. De reiziger en Camille volgden.
Ze liepen door de hoger gelegen vertrekken, die aan alle wanden voorzien waren van kunstige tapijten en standbeelden of frescos. De lucht was zoet en warm. De priester leidde hen tot een schrijfvertrek en draaide zich toen met een groet om. Hij ging weer naar beneden om het einde van de dag te vieren. Het schrijfvertrek was al even rijk versierd, met rode tapijten op de vloer en kandelaars in alle hoeken. De boekenkasten stonden vol. Achter een brede tafel zat een brede man met een rode halve mantel over zijn wit met gouden gewaad heen. De priesteres en Camille namen plaats op stoelen voor het bureau, de reiziger bleef staan.
‘Zuster,’ zei de hogepriester met een hoofdknik. ‘Welk een genoegen. Kan ik u van dienst zijn?’
‘Ik ben hier niet om zelf vragen te stellen,’ zei de priesteres. ‘Ik wil graag het woord geven aan de reiziger.’
De hogepriester keek naar de reiziger, die midden in het vertrek op het rode tapijt stond.
‘Ik moet de Engel vinden,’ zei hij.
-----------------------
69.918 tekens. Ik ben bijna op een derde van de wordcount en in ieder geval over een kwart van mijn verhaal. Veel van mijn buitensporige hoeveelheden energie van vanavond zijn te danken aan de consumptie van meer dan een dagelijkse aanbevolen hoeveelheid voedsel voor een volwassen man in één maaltijd. Daar ga ik pas van stuiteren. As always, thanks for reading.
Hugo Maat.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten