10.5.10

Esnesnon 10/11-5-10

Ik dacht: 'Weer eens wat anders.'

Vorige week woensdag, op vijf mei, zat ik in de bus naar Berlijn. 65 jaar daarvoor, voorlopig nog genoeg om met pensioen te gaan, werd de capitulatie van Duitse troepen in Nederland officieel. Het is me een partij toevallig, dit alles. Hetzelfde geldt voor mijn terugkeer in Nederland over de Duitse grens, een dag voor het zeventig-jarige jubileum van de Duitse inval in Nederland. Ik zou er bijna opmerkingen over gaan maken, zo komisch is het.

Ik heb ongeveer vier dagen doorgebracht in Duitsland. Aanzienlijk veel tijd was in een bus, te weinig tijd was in een bed, precies genoeg tijd was aan een bar, en teveel tijd werd doorgebracht al twijfelend over verschillende zaken aangaande romantiek. Kortom, ik was geheel in mijn element als kunstenaar. Dan moet je nagaan dat ik ook nog eens muziek gemaakt heb in die dagen.

-Mijn linkeroog brandt en jeukt, al meer dan een dag. Het neemt af, maar ik maak me nog steeds licht zorgen. Ik hou mezelf voor dat ik mijn ogen gewoon teveel gebruikt heb. Je zou kunnen aanvullen dat ik meer andere delen van mijn lichaam aan het werk had moeten zetten, of dat ik mijn ogen minder had moeten laten doen. Beter vind ik het om de gehele Berlijn-reis te zien als geslaagd in wat zij zelf is. Dat is verstandiger dan een activiteit van meerdere dagen geforceerd te meten aan een onbekend ideaal.-

Berlijn is een stad die ik niet zal proberen te beschrijven in één blogpost. Ik ben bang dat ik eerst een decennium langer zal moeten leven en er een roman over moet schrijven. Tot die tijd kom ik niet verder dan de beschrijving van een vriend, wiens visie ongenuanceerd maar wel eerlijk was: de stad is schizofreen, getraumatiseerd en gewoon kapot. Berlijn is mijn reden om de laatste honderd jaar van de menselijke geschiedenis te haten. Alle dystopische werken zijn fictie gebaseerd op een waargebeurd verhaal, waarvan ik het decor heb mogen zien. Ik heb mijn handen en schoenen gezet op stenen waar meer mensen om gestorven zijn en geleden hebben dan menselijk bevattingsvermogen kan voorstellen. Kort gezegd voel ik me er niet erg vrolijk over.

De grenzen van het menselijk vermogen om lijden te omvatten ken ik nu iets beter. Vorige week woensdag, vijf mei, is de moeder van mijn moeder overleden, na een lange tijd op het randje te hebben gezeten. Ik hoorde het twee dagen later, omdat ik mijn telefoon in Berlijn niet opnam en mijn moeder de organisatie had gebeld. Een man of zes, zeven, kwam het te weten, voor de rest heb ik het voor mezelf gehouden om de gezelligheid van de reis niet te verstoren. Om maar te zwijgen over de eerder genoemde romantische aangelegenheden. Ik zal het nog sterker zeggen: ik heb mijn schouders opgehaald, de situatie gerelativeerd en grappen gemaakt. Dat werd mogelijk gemaakt door mijn beste vriend en mijn officieuze oudere zus, die allebei een eenvoudige en eerlijke steun boden toen ik evengoed ook in een solitaire stemming had kunnen verzakken.

De laatste twee dagen Berlijn werd de situatie niet meer benoemd en ik werkte de herinnering zo snel mogelijk uit de directe sociale kring weg. Ik verstop dat soort menselijke trekjes het liefst snel als ik ook nog iemand moet wezen en voorstellen. Dat werkte aardig. Vandaag en morgen (of gisteren) kom ik er niet meer onderuit: ik moet me onder familie begeven en rouwen. De dood, ditmaal niet ikzelf, zal door alle gesprekken zweven, in iedere gezichtsuitdrukking te zien zijn, met mij mee de kist dragen, de bloemen leggen, 's ochtends zijn pak op komen halen bij zijn moeder die het klaar had gelegd, een dankwoord uitspreken aan de verzorgsters van het bejaardentehuis, vertellen wie mijn oma was, huilen, achteraf een kopje thee drinken en bovenal zal hij naast mij aan de piano zitten.

Ik ben vóór alles een romanticus. De Dood fluistert mijn naam en streelt zachtjes mijn gelaat, biedt me de koele drank van stof en tranen aan. Overal waar ik ga houdt de Kunst mij gezelschap, aan mijn linkerzijde. We staan hand in hand, soms leidt zij, soms ik. De Geschiedenis kijkt me in het voorbijgaan aan met een ondoorgrondelijke blik, en het beeld van haar terwijl zij haar dekens voor me openslaat keert kort terug voor mijn innerlijk oog.

De romanticus weet zich in dergelijk gezelschap, met zoveel verleidingen, haast niet meer voor de voeten van de Liefde te werpen. Is dat zijn gemis? Ik zou zoiets niet zeggen van een man met drie beeldschone minnaressen.

Hugo Maat

Geen opmerkingen: