31.12.11

Esnesnon 31-12-11

En in de vroegste vroegte van de ochtend van oudejaarsdag keek ik in de spiegel.

Oh my God. Zijn dat rimpels? Zijn dat echt rimpels in mijn voorhoofd?

Ik durf niet meer tegen mijn spiegelbeeld te praten sinds ik mijn spiegelbeeld vertelde dat ik wel eens tegen mijn spiegelbeeld praat. Dat was absoluut het meest zielige moment dat ik in tijden heb meegemaakt. Welnu, sindsdien kijk ik mezelf zwijgend aan. Ik ben verbaasd maar kan de verbazing niet van de vermoeide ogen van mijn spiegelbeeld lezen.

Is dat het gezicht dat ik al jaren zie? Ik zie die kop als het goed is regelmatig: in weerspiegelingen op de ramen van treinen, de spiegels in mijn kamer, toiletten op de universiteit. Het is niet alleen het haar dat anders is, dat weet ik zeker. Er is iets anders aan dat gezicht. Mijn hemel, ik weet dat het rimpels zijn, het kan haast niet anders.

Op een feestje, afgelopen woensdag, vertelde iemand die ik nog nooit eerder had gezien dat ik een bijzonder expressief gezicht had. Ze had nog nooit iemand ontmoet die zoveel gezichtsuitdrukkingen kon tonen terwijl hij iets vertelde. Dit vond ik enig om te horen. Per slot van rekening, het is best leuk om te weten dat je uitzonderlijk bent. Althans, dat is leuk om te weten zolang het je niet distantieert van andere mensen, in dat geval treedt de beruchte 'eenzaamheid aan de top' in. Ik haat dat gevoel, maar de behoefte mezelf te onderscheiden wordt er niet minder om. Ik verwar mezelf.

Er zijn mensen die me gesloten vinden. Ze vinden dat ik mijn gevoelens niet prijs geef en besluiten vervolgens dat ze zelf kunnen besluiten wat die gevoelens zijn. Met die beslissing ben ik het niet eens, maar daar heb ik het misschien ooit nog over. Niet op oudejaarsdag. Ik heb overwogen om dat eens een keer heel anders aan te pakken, daar niet van. Zo nu en dan vat ik het absurde plan op om eens een keer eerlijk tegen mensen te zijn en te recht voor hun raap te vertellen wat ergens mijn insteek over is of wat in mij opkomt. Ik zal u vertellen dat ik geen genoegen schep uit de resultaten van mijn eerlijkheid. Tot zover lijk ik mensen alleen maar af te schrikken of te verwarren. De voorgaande teksten op deze site zijn een assortiment verdwaalde gedachten waarvan ik het idee heb dat ik het maar moet laten om ze in een gewoon gesprek ten tonele te voeren. Vandaar dat ze hier terecht zijn gekomen.

Misschien heeft iedereen dingen die ze liever niet zeggen. Maar in dat geval denk ik dat ik beter dan vele anderen me bewust ben van iedere niet verwoorde wens, van iedere verworpen uitspraak, van elke verlaten droom. Ik maak ze aan in bosjes tegelijk en laat ze even goed gelijk weer vallen. Na hun dood achtervolgen ze me als spoken. Ik zie hun gezichten en ik hoor mezelf de woorden zeggen die ik had kunnen zeggen.

Even ben ik stil en dan komt de vraag bij me terug die eigenlijk meteen achter het afgrijzen en de verwondering over mijn voorhoofd opkwam. Is dit nou wat het heden is? Om naar een verleden te kijken en 'nee' te zeggen? Om bewust te worden van een afwezigheid van passerende tijd, om te bemerken dat ieder moment en iedere gebeurtenis die je je voor kan stellen in het verleden ligt? Om met groeiende verontrusting te bemerken dat die vraag niet nieuw is? Ik kom niet bepaald woorden tekort om te beschrijven wat er hier en nu is, maar er is een ander kenmerk van die tegenwoordige tijd wat onbespreekbaar aanvoelt. Elke keer dat ik probeer te schrijven wordt het schrijven mijn nieuwe heden. Elke keer dat ik het probeer te vertellen wordt de vertelling mijn nieuwe heden. Ik leef in een ondeelbare staat van zijn. Binnenkort passeert die staat van zijn het moment dat universeel (ook informeel in China) als het begin van het nieuwe jaar geldt.

2011? Er is veel gebeurd. De wereld maakte allerhande zooi mee. Interessant als de wereldtoestand moge wezen, voor mij is dit jaar het eerste jaar dat ik me oud begon te voelen. En dat terwijl ik daar eigenlijk nog veel te jong voor ben. Ik voel me oud en moe. De hele wereld is onwerkelijk geworden. Ik ben vervreemd van mijn medemens, mijn eigen gedachten en nu zelfs mijn eigen gezicht.

Ik val stil, en mijn onherkenbare spiegelbeeld met mij. De wereld maakt een hels kabaal.

Hugo Maat

22.12.11

Esnesnon 22-12-11

Goedenavond.

Nu, zo dicht bij het meest duistere deel van het jaar, wil ik iets schrijven over een dieptepunt uit mijn eigen leven. Het staat me nog helder voor de geest, hoewel het pad dat me daar geleid had me nog steeds niet helemaal duidelijk is. Ik durf niet te denken wat het verhaal achter dat moment is, omdat emotionele momenten vijandig zijn aan heldere gedachten. In een oogwenk spreek ik mezelf meermalen tegen en een verklaring lijkt altijd te verbergen of te omzeilen wat op dat moment het middelpunt was waar alle ellende zich om wentelde. Ik ben een vijand van de onherleidbare ervaring omdat ze ondeelbaar en asociaal is, omdat er geen fatsoenlijk gesprek over gehouden kan worden. De hele opzet om iets te schrijven over een bijzonder negatieve persoonlijke ervaring is strijdig met die opvatting, en deze opzet is op die manier ook strijdig met zichzelf. Dit probleem behandel ik, zoals het meestal gaat, met een overpeinzing.

Er is een opvatting over trauma en verhaal die stelt dat trauma's (in dit geval interpreteer ik mijn ervaring maar even als zodanig) door een verhaal kunnen worden opgenomen: een trauma kan worden opgenomen in de 'narrative' van iemands identiteit en zo opgelost worden. Ik weet nog niet precies waar dit idee vandaan komt, maar ik ben het er niet mee eens. Om een trauma in een verhaal te veranderen lost de ervaring niet op. Een ervaring, puur persoonsgebonden, individueel en onherleidbaar, is onverenigbaar met de per definitie gedeelde taal. Een ervaring verandert niet in taal. Taal dient als een vertaling, wat niet wil zeggen dat de bron verdwijnt. Los van het principe van 'lost in translation' of mijn favoriet 'adaptation decay' is de brug tussen ervaring en taal vooral groot omdat taal altijd een subject-object relatie aangaat, die bij een dergelijke ervaring niet bestaat omdat gevoelens zich in het subject afspelen, wat zichzelf niet goed kan objectiveren. Om dat te doen zou de mens boven zichzelf moeten kunnen staan, maar zolang de mens zichzelf is gaat zoiets niet. Dus, taal is een geborneerde vertaling van iets dat feitelijk onbespreekbaar is, en vertalingen betekenen niet het verdwijnen van hetgeen vertaald is. Ik hoop dat ik te volgen ben.

Als een mens een verhaal componeert over een ervaring blijft die ervaring bestaan, die blijft 'echt' in de Stoïsche zin (het wordt beïnvloed door andere zaken en het beïnvloedt andere zaken) terwijl het verhaal in de vorm van taal een eigen leven begint te leiden. Trauma's worden zo niet opgelost, ze worden niet verweven in de 'narrative' van een identiteit, er wordt een poging gedaan ze weg te moffelen door erover te praten of te schrijven totdat het lijkt alsof het verhaal de ervaring ís en de oude, taal-vrije versie weg kan kwijnen. En zoals bekend met onderdrukte trauma's lukt dit niet altijd. Ergens over praten is in een aantal gevallen geen oplossing, maar een vlucht uit de werkelijkheid.

Wat rest dit mij, met mijn voornemen om iets te zeggen over een eigen onherleidbare ervaring? Ik beschouw de scheiding tussen ervaring en taal als onoverkomelijk: de taal is een eigen wereld met eigen regels, wat ons mensen in staat stelt het als platform te gebruiken voor deelbare kennis en andere nuttige zaken. Ik ben een fan van taal, het idee, het principe en de uitvoering. Ervaring moet buiten al het nuttige en het zinnige worden gehouden - de poging is zinloos en zorgt voor onnodige verwarring. Mijn ervaring kan ik niet delen, ik kan alleen een gesublimeerde versie leveren die in mijn logische denktrant gebruikt wordt. Misschien doe ik dat om de ervaring te doden, misschien bij wijze van gedachte-experiment, misschien gewoon in de wens om wat te schrijven waarbij dit onderwerp gewoon het volgende is dat de revue passeert.

Om in te beelden: iemand zit met opgetrokken knieën op een tafel, bevend van de kou te huilen. Het is vergelijkbaar met iemand die probeert te stoppen met roken en op het vriespunt van de koude kalkoen zit, ware het niet dat de persoon in kwestie niet rookt. De sigaren die hij al maanden heeft zonder ze te roken zijn in handbereik, maar de persoon in kwestie ontzegt zichzelf de tabak. Hij zegt tegen zichzelf dat in eenzaamheid roken een teken van zwakte is. De fles wijn staat binnen een afstand van tweemaal handbereik. Zonder dat de tranen afnemen zegt de persoon tegen zichzelf dat in eenzaamheid drinken ook zwak is. Hij overziet de ruimte door wazige ogen en ziet alle voorwerpen: uitgetrokken schoenen, een stoel, een oude spiegel, een boek, een deur: allemaal dingen die gegooid of geslagen kunnen worden, misschien zelfs gebroken. Misschien is het een manier om jezelf te verwonden. Hij doet niets en blijft zitten huilen. Woede-uitbarstingen en geweld tegen levenloze voorwerpen is zinloos en zelfverwonding uit zelfmedelijden of frustratie is zwak. Zelfmoord valt onmiddellijk af. Zwak. Zeuren bij iemand? Slap. Heel veel eten en alles uitbraken om vervolgens ziek te melden? Laag, walgelijk, zinloos en zwak. Helpt niet. Mag niet. Hoort niet. Werkt niet. Zwak, laf, nutteloos, waardeloos. Kan niet. Wil niet. Moet niet. Zwak, zwak, zwak. "Er zat een klein zigeunermeisje, huilend op een steen. Huilend, huilend, hele dag alleen. Sta op, zigeunermeisje, droog je traantjes af, en kies een kindje uit de kring waarmee je dansen mag." Stop met dat zelfmedelijden, nergens voor nodig. Mag niet, hoort niet. Volgens mij overdrijf je best wel heel erg. Zwak.

En je zit daar, wachtend tot de storm in een glas water overwaait. De dag erna zijn er weer mensen die een glimlach willen zien.

Hugo Maat

14.12.11

Esnesnon 14-12-11

Good lord.

Zoals ik ooit ins blaue hinein tegen iemand zei, tijdens een Turks ontbijt: 'Terwijl je even voor je uit staarde zijn er drie maanden voorbij gegaan.' De amusementswaarde was gelegen in verrassing, niet in een oordeel over de lengte van het staren. Nu, echter, krijg ik de neiging om het over mezelf te denken, of te verwachten dat het over me gezegd wordt. Die ettelijke uren die ineens vervlogen zijn met niets anders dan half bewustzijn en gedachten die nooit helderheid bereiken: ik heb het dit jaar nog niet vaak zo erg gehad. Het is alsof ik probeer een huis te bouwen zonder te weten hoeveel mensen erin moeten wonen, waar de materialen zijn, om vervolgens een plan op te zetten voor de bouw van een kantoorpand om dat vervolgens weg te gooien. Ik heb wat ik al dacht en in eerdere tijden geformuleerd heb, maar de volgende stap ligt buiten mijn bereik. Zou ik op een tweesprong staan, dan viel het nog mee. In dit geval weet ik niet waar de wegen lopen - deels omdat ik hun bestaan betwijfel. Maar ik dwaal af. Mijn gedachten staren evenzeer als mijn gezicht dat alleen maar die gedachten volgt.

Moet ik dan in de wereld leven, en voor de wereld? Ik voel er niet zoveel voor. We hebben zo weinig gemeen, de wereld en ik. De wereld is een plek van actie: handeling en gebaar. Ik ben steeds meer een denker, steeds passiever en ook steeds besluitelozer. De wereld heeft haar werkelijkheid, ik heb mijn constructies en bewuste aannames. En waar in de wereld besluiten worden genomen en conflicten ontstaan door botsende interesses of verlangens slaat mijn objectivering door: ik begin mijzelf als denkend mens buiten mijn opvattingen te rekenen. Ik kan niet meer iets vinden of iets denken of ik ontmantel dat gevoel of die gedachte tot analyses: 'ik denk dit want en dit persoon vindt dit want' in plaats van de zoveel helderdere mening. "You gotta have an opinion," zegt Vincent Vega tot de man op de achterbank. Helaas ben ik niet in staat om hem van repliek te dienen. Ik heb zoveel gedaan om mijn opvattingen bij te snoeien en te verwerpen omdat ze niet zuiver genoeg waren dat ik niet veel meer over heb om te vinden. Ik vind vrijwel niets meer. De wereld van mijn gedachten is geordend en leeg. Ik heb niets meer te vertellen, lijkt het wel. Een leven vol gedachten die zichzelf in de staart bijten en geen actie. Ik staar in de leegte. Het is de enige sublieme ervaring die ik heb. Ik staar en het wordt stil.

Hugo Maat

11.12.11

Esnesnon 11-12-11

Goedenavond.

Ik schrijf niet altijd om het zelf te lezen. Het op schrift stellen is voor mij een bijproduct van een specifiek type denkproces waarbij er afbakeningen en vorm moeten worden aangebracht in wat daarvoor een idee van zuiverder aard is. Schrijven nodigt uit tot reflectie, verfijning en concretisering van de gedachte. Reflectie omdat ik veel sneller denk dan ik schrijf (of praat, maar daar spelen andere factoren nog meer een rol), waardoor mijn gedachten ver genoeg op de tekst vooruitlopen om alvast te denken aan wat komen gaat en hoe dat erin past; verfijning omdat een tekst veel meer mogelijkheden heeft tot structuur dan een ongebonden gedachte, die niet gedwongen is van een begin tot een eind te lopen of samenhang te vertonen; concretisering omdat een tekst een communicatiemiddel is en net als alle vormen van communicatie in staat moet zijn begrepen te worden door andere mensen. Ondanks dat laatste schrijf ik niet altijd om daadwerkelijk te communiceren. Meestal schrijf ik om communicabiliteit aan te brengen in een idee dat vervolgens een idee blijft, maar wel helderder en beter geïntegreerd in andere ideeën zal zijn.

Deze toepassing van schrijven heeft me een aantal stukken tekst opgeleverd, onder andere een behoorlijk aantal van de teksten binnen dit blog. Onlangs stuitte ik nog op een stuk dat ik in dezelfde geest neerpende, ongeveer drie jaar geleden. Het was op de eerste bladzijde van een (toen al) oud schrift dat vrijwel niet gebruikt was. Ik ben er onlangs weer in gaan schrijven voor andere doeleinden, maar deze eerste bladzijde kom ik elke keer weer tegen. Het verontrust me hoezeer ik nog begrijp wat er staat, hoezeer ik het er nog mee eens ben, en dat de problemen die ik voor mezelf uiteenzette nog steeds gelden. Als een idee over een spanne van jaren nog steeds opgeld doet en even begrijpelijk is vind ik dat ik mag concluderen dat het een serieuze gedachte is. Voor mij is het nieuw: een constante tendens in mijn denken. Voor mij toont het aan dat ik dit soort dingen vooral schrijf voor mezelf. En al lees ik zelden wat ik zelf geschreven heb, al deze teksten zijn waardevol materiaal voor de sporadische zoektocht naar wie ik ben - in plaats van wie ik kies te zijn. Maar ik betrap mezelf al op schandalige vaagheid. Ik moet ook toegeven dat zoiets een dwaze onderneming is.

De eerste zin blijft me verbazen omdat ze multi-interpretabel is: "Nietzsche had een punt, hij ging alleen niet ver genoeg." Ergens in 2008 schrijf ik deze woorden op en ik kan me goed voorstellen dat de rest van de tekst minuten op zich heeft laten wachten. En daar is de tekst onvolkomen en inferieur aan de gedachte. Toen ik het schreef moet ik alles begrepen hebben, stel ik me voor. Nu ik het lees kan ik alleen datgene vinden dat ik nagelaten heb: de concrete versie van die gedachte. Wat er staat is taal, geen persoon. Dat onderdeel kan ik alleen construeren, inbeelden, maar niet ervaren. Net zoals ik nu de storm der gedachten voel razen in mijn hoofd om de schamele woorden heen en ooit op een dag terug zal kijken en als spoor alleen gesublimeerde overdenking heb.
Er is zoveel dat ik niet zeg maar wel weet. Ik begin er niet aan. Ik raad het iedereen ook ten zeerste af.

Hugo Maat

7.12.11

Esnesnon 7-12-11

Gegroet.

Ik wil enkele dingen zeggen over het onderwerp ervaringen. Dit is niet bedoeld in de zin van 'dingen die ik heb ervaren' - het tegendeel zelfs, maar daar kom ik zo op, of 'dingen die anderen hebben ervaren' maar meer in de brede, abstracte zin. Ik ben tot deze mijmeringen gekomen door een filosofische discussie enkele dagen terug. Als ik mijmer is dat niet in de vorm van een twijfel. Ik twijfel immers nooit. Mijn mijmeringen zijn een zoektocht, of een bouwproject. Er zijn zaken die ik voor waar aanneem, zaken die ik niet voor waar houd en dingen die nog onbepaald zijn, en van die drie zaken bouw ik een opvatting. Een discussie, zoals die van enkele dagen terug, is een startpunt; het dient als het kavel waar ik op kan bouwen. Het proces kost tijd en in veel gevallen vind ik een lange tijd na het begin van de bouw nog nuttige bouwstenen - om de basis mee te versterken of om de muren hoger te maken.

De discussie ging over een specifiek soort ervaringen: niet die van het zintuiglijke soort waar we allemaal bekend mee zijn, maar 'historische' en 'sublieme' ervaringen. Om alvast op de zaken vooruit te lopen: ik geloofde er geen snars van. Een historische ervaring is een direct contact met het verleden dat iemand onverwachts overkomt en bovenal authentiek is. Een sublieme ervaring is een ervaring van het zelf gelijk aan de ervaring van de wereld, voortgebracht door een paradox van cognitieve vermogens en heeft een overweldigende uitwerking. Ik heb nog nooit één van beiden meegemaakt, waarop mijn opponent met een licht lachje opmerkte dat het een zekere Romantische instelling vereist. Dat ik het nooit heb meegemaakt is natuurlijk een uitstekende reden om me ervan te betichten dat ik niet weet waar ik het over heb, maar ik meen het tegenovergestelde. Ik beschouw een 'historische ervaring' simpelweg als een illusie van iemand met een Romantische instelling die niet in staat is om zijn fantasieën te onderscheiden van de werkelijkheid - twee zaken die geen direct contact met elkaar hebben.

Mijn vooronderstellingen, oftewel de fundamenten van mijn opgebouwde opvatting: er bestaat een werkelijkheid onafhankelijk aan ons denken. Ervaringen zijn subjectief, ondeelbaar, feilbaar, en vereisen een zintuiglijk verband met hetgeen ervaren wordt. (Dat wil zeggen dat een natuurwetenschapper geen elektron ervaart, dat Sherlock Holmes bij een plaats delict geen misdaad ervaart, en dat een toerist in Brugge niet de Middeleeuwen ervaart.) De eerste laag van het bouwsel is de 'historische ervaring' onmiddellijk vijandig gezind. In de eerste plaats omdat het verleden niet ervaren wordt. We treffen sporen en restanten en bouwen daaruit een beeld op. We deduceren informatie uit zintuiglijke gegevens: teksten over of uit het verleden, een potscherf hier en een oud kasteel daar, om het maar even makkelijk te stellen. Dit moet omdat er tussen de observant en het verleden een barrière staat, de zogeheten spatio-temporele context. Makkelijk gezegd: historische toestanden en gebeurtenissen zijn op een andere plek en in een andere tijd en daarom niet te observeren. We kunnen Caesar niet ervaren, ten eerste omdat hij al lang dood is en ten tweede omdat hij vooral rond de Middellandse Zee hing. We ervaren zaken zoals tafels, buikpijn en telefoontjes omdat ze bij ons in de buurt gebeuren (zonder de Alpen ertussen, bijvoorbeeld) en omdat ze erg kort geleden of in het heden plaatsvinden (rekening houdend met de tijd die het kost voor de zintuigen om de afgeketste fotonen of veroorzaakte trillingen waar te nemen). Als 'ervaringen' die niet uitgaan van zintuiglijke waarnemingen geen ervaringen zijn, wat zijn ze dan wel? Ik heb het deels al gezegd: illusies. Het zijn Romantische fabricaties die voor ervaring worden gehouden.

Mijn 'fundamentele opvatting' heeft een tweede probleem met met het idee van 'sublieme' of 'historische' ervaringen: het feit dat deze incommunicabel en onkenbaar zijn. Ze leveren geen bijdrage aan kennis. Nou hoeft dit geen probleem te zijn - tenzij je toevallig een opleiding volgt tot historicus en kennis over het verleden te krijgen, te maken en te presenteren het doel van je toekomstige vak is. In dat geval is het belangrijk om alle 'historische ervaringen', al waren ze echt te verwerpen als schadelijk voor het wetenschappelijk proces. Het geweldige en nuttige aan bijvoorbeeld een Middeleeuwse oorkonde of een potscherf is dat ze niet voorbehouden zijn aan één persoon (ervaringen zijn niet deelbaar en volkomen subjectief) en dat iedere uitspraak die op basis van observatie van deze bronnen wordt gedaan gecontroleerd kan worden door een ander die hetzelfde voorwerp kan 'ervaren'. De feilbaarheid van menselijke kennis en ervaringen (oh boy, ga me niet vertellen dat ik hier voorbeelden bij moet geven) maakt het communiceren en controleren van bevindingen een voorwaarde voor het proces van wetenschap. 'Peer control' heet dat met de meest gangbare term. Het feit dat wetenschappers elkaars onderzoek kunnen bevestigen of ontkrachten geeft meerwaarde aan hun werk. Dit is ook precies waarom wetenschappelijke teksten annotaties hebben. Ervaringen, hoe authentiek ze ook zijn, kunnen niet geannoteerd worden, niet gecontroleerd, en zijn anti-wetenschappelijk. [1]

Ook nog even iets over sublieme ervaringen. Onder andere Kant heeft hier iets over geschreven, wat ik ten zeerste betreur. Het wordt beschreven als een paradoxale ervaring, van de strijdigheid van cognitieve vermogens. Kant geeft als voorbeelden het plein van de Sint-Pieter, de Piramiden, de rollende donder of de kolkende zee. Helaas voor mijn grote waardering voor Immanuel Kant, maar dit is onzin. (Zoals ik enigszins gestoken tijdens de discussie uitriep: "Ik ben nog bij de Sint-Pieter geweest. Niks gemerkt!") Een paradox in een ervaring staat bij mij te boek als een cognitieve dissonantie. Het wordt veroorzaakt door de neiging van ons verstand om complete plaatjes te maken uit gedeeltelijke waarnemingen. Die neiging is volkomen noodzakelijk als je beseft hoe weinig het menselijk oog alleen al eigenlijk opneemt: probeer de volgende keer dat je met iemand praat eens je ogen dicht te doen en dan te kijken of je verschillende onderdelen van het gezicht nog voor de geest kan halen: hoe zag de mond eruit, hoe de ogen, hoe de oren? Je hersenen geven maar een klein deel echt aan je mee, de rest is constructie. Zo gaat het ook met totaalplaatjes: als we een dobbelsteen in onze hand houden verwachten we de vierkante vorm ook te kunnen zien zodra we deze voor ons houden. Als we cola proeven verwachten we dat deze vloeistof ook zwart is. Cognitieve dissonantie treedt op wanneer twee onverenigbare verwachtingen betrekking hebben op hetzelfde. Een hap patat nemen terwijl iemand onopgemerkt het zout heeft vervangen door suiker: dissonantie. Een beer van een vent die een hoog vrouwelijk stemmetje heeft: dissonantie. Geen sublieme ervaring, gewoon een verwachting die bij de neus genomen wordt en even schrikken. Ten grondslag daarvan ligt een hele normale en verklaarbare werkelijkheid. Misschien dat je ergens de blauwdrukken van de Sint-Pieter kunt vinden zodat je kan zien dat het alleen maar een heel erg groot en (vind ik) indrukwekkend gebouw is. Niet een onoplosbare paradox.

Ik denk dat ik op dit punt van bouw (eerste verdieping staat) wel even kan stoppen voor een bredere blik. De uitspraak die ik eerder noemde, dat historische of sublieme ervaringen een zekere Romantische instelling vereisen en dat ik er daarom ongevoelig voor ben snijdt hout. Ik ben bereid om me daarbij neer te leggen, maar niet voordat ik duidelijk gesteld heb dat ik best wel een gevoelig mens kan zijn maar dat ik me bij voorkeur laat leiden door logica. En het wonderlijke, het geweldige en het fantastische daaraan is dat ik kan vertellen waarom ik dat denk. Ik kan verantwoording afleggen en verklaren wat ik bedoel, omdat we taal delen. Het maakt het mogelijk het niet alleen met me eens of oneens te zijn, maar ook om dit onderbouwd te doen. Ik vind logisch denken meer dan wetenschappelijk. Ik vind het sociaal.

Hugo Maat

[1]: Dit stuk tekst is onwetenschappelijk, vandaar dat dit geen echte annotatie is.