Goedenmiddag.
Er was eens een spiegel. Het was de bovenkant van een schoolgebouw, waar water op dreef dat onder de juiste hoek de grijze wolkenluchten liet zien, die over een helderblauwe ondergrond dreven, die ergens anders de bovenkant is maar in een spiegel nou eenmaal de uiterste afgrond is.
De spiegel was rimpelend water, maar ook een metalen scherf. Op de plekken waar het metaal op zijn gladst was, zonder onregelmatigheden, zonder onzuiverheden, kon je terugkijken, kon er iets terugkijken dat je kende. Hoewel je eerder naar het spiegelbeeld zou kijken, was er ook nog een spiegel onder. Echter kon je de spiegel niet zien op het punt waar die het meest een spiegel was. De onzuiverheden op de scherf van staal laten alleen zien dat het nog werkelijk iets op zichzelf is. De spiegel was een druppel bloed. Het moment dat een klein kind beseft dat hij zich ergens gesneden heeft, zonder het te merken, maar wel in paniek raakt, wetend dat het gebeurd is. Geen pijn, alleen de gewaarwording dat het lichaam beschadigd is. Het kind heeft iets gezien dat hem doet beseffen dat hij gewond is, maar echt gewond voelt hij zich niet. Hij heeft zich niet gesneden, maar iemand anders. Het is niet echt zijn bloed op zijn handen, waar hij angstvallig naar staart. Dat kan ook een spiegel zijn.
De spiegel was een harp. Iemand sloop door een donkere hal, terwijl licht onder deurposten in kamers doorscheen. Hij liep langs de woonkamer, waarvan hij niet wilde dat het licht hem zou zien. De harp die in de kamer speelde hoorde hem niet, en kon hem niet zien, maar toch veranderde er iets in de muziek, en elke stap in de hal kwam gelijk met de maat. Een sluiper in schaduw liep gelijk met een harp in het licht, beiden zonder het echt te merken.
De spiegel was een heuvel, begroeid door heide en lang gras, doorwoven met distels. Heuvels ernaast staken verder uit naar de lucht, en waren door mooiere planten bedekt, maar ze droegen geen reiziger. De reiziger was van ver gekomen en wist het. Hij was ver van huis. In zijn hand hield hij een stok. De stok was ruw van buiten, maar had een kern van blank, hard hout, glad onder de schors die hem een tijdlang had verborgen. De stok was sterk, had kracht vanbinnen, meer dan de reiziger. Voordat de reiziger op reis was gegaan was hij sterk geweest, maar op de spiegel ontgleed zijn laatste kracht hem, en hij had een andere keuze dan te leunen op de stok. Een stok geeft geen kracht aan een vermoeide reiziger, alleen steun. Een spiegel geeft geen kracht aan een vermoeide reiziger, maar alleen een andere vermoeide reiziger. Twee reizigers die op een stok steunen, maar niet op elkaar. Als ze het zouden proberen zouden ze op een spiegel steunen, en uiteindelijk languit in het gras liggen, starend naar de hoogtes en de afgrond.
De spiegel was ijs en sneeuw, een meer in een ijskoude winter. Er was geen spiegelbeeld in het water te zien, alleen het koude grijs dat weigert beelden te tonen. Er was niets te horen, omdat de kou al het leven al het zwijgen op had gelegd. Toch was het een spiegel. Over het hele meer, dat enkel nog een plaat dood ijs was, was de geur van verse rozen te ruiken, de rozen waarvan elders de bloemblaadjes in een heldere vijver dreven, een vijver die aan alle kanten omgeven was door groen, en bedekt werd door het fabelachtige rood van de roos.
De spiegel was iemand. Ik weigerde te herkennen dat het mijn eigen gezicht was dat ik terugzag, ik wilde alleen de spiegel zien zonder het beeld. En ik zag de spiegel en ik zag dat de spiegel maar erg weinig is zonder iemand die erin kijkt.
Karo
28.3.08
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten