19.4.10

Esnesnon 19-4-10

Waarschuwing: ik probeer mijn digitale pen aan een vorm van meta-ethisch relativisme dat erg weinig realistische raakvlakken heeft. Deze post zal dus flink onzinnig zijn.

Wat is een groter kwaad? Is kwaad het gedrag wat je zelf als slecht ziet of dat wat anderen als slecht zien? Het goede antwoord is natuurlijk een beetje van allebei en een beetje van Maggie. Dat komt omdat dit antwoord erg in het midden ligt en discussies zo op en neer schommelen naarmate tijd en plaats variëren dat de beste oplossing voor het menselijk ras het laten liggen van het vraagstuk inhoudt. Elk mens doet dit op zijn tijd, soms omdat ze doodgaan. Ofwel gezond verstand ofwel de dood is de uitweg van ieder filosofisch vraagstuk. Maar nu maak ik het mezelf een beetje te gemakkelijk.

Naar mijn mening wordt bepaald of iets slecht is of niet door beide partijen. Het is gemakkelijker om slecht te zijn dan niet-slecht. Dat zit zo:



Quod erat demonstrandum. Als je het zelf niets vindt voel je je ongemakkelijk erover, als andere mensen het niets vinden zullen ze er vaak voor zorgen dat je je ongemakkelijk voelt. In de wereld van oordelen van binnen en buiten is er vrijwel alleen afkeuring te vinden, afkeuring en wanhoop. (NB: Dit valt te voorkomen door geen eigen vermogen tot oordelen te hebben en gewoon willoos met de massa meegaan, zoals veel mensen doen in de hoop veilig te zijn. Dit werkt aardig voor veel mensen.)

Wat is wat mij betreft de relevantie van dit hele gezwam? Ik ben bezig met iets waar ik iemand blij mee maak (even geen discussie of ik gelijk heb hierin) en ik zelf blij word. Ik zorg dus voor een toename van geluk. Puur teleologisch gezien zou een dergelijke handeling mij tot een goed mens doen promoveren. Natuurlijk gaat het niet zo makkelijk. Het heeft iets van doen met gebruik maken van iemands naïve, kwetsbare geest om mijn eigen lage verlangens te kunnen vervullen. Dat vind ik persoonlijk slecht. Dat maakt mijn handeling slecht, maar eigenlijk alleen voor mij. Gevolgtrekking: mijn kwaadaardigheid is goed. Pijnlijke tweede gevolgtrekking: ik zou door moeten gaan met iets dat ik persoonlijk immoreel vind.

Nare extrapolatie: als je iets slechts aan het doen ben zou je door mogen gaan, als mensen het maar niet merken en om die reden denken dat je toch goed bent. Consequentie: liegen is ook goed. Kortom: de wereld is een nare plaats.

Hugo Maat

17.4.10

Esnesnon 17-4-10

Goedemiddag.

De sakura bloeit in de achtertuin. Het is een joekel van een boom en een schoonheid. Het zegt iets over mijn (bij vlagen) deficiente studiediscipline dat ik gelijk denk aan mezelf verhangen als ik de volle roze glorie van de boom in me opneem. Om maar te zwijgen over het feit dat ik probeer niet geraakt te worden door de blaadjes.
Ik heb zitten lezen in de tuin (ik denk dat ik zometeen lekker daarmee doorga), ik zit te zwijmelen over een bloeiende boom, ik ben blootsvoets en mijn armen zijn continu onbedekt. Kortom, de lente is weer terug in mijn gedrag. Koppel daaraan een 'laid back attitude,' een lichte euforie en een verhoogde paringsdrang en je zou zeggen dat ik ook weer helemaal in het element lente zit. Míjn element.
Het nadeel van dit alles is wel dat ik op een heel erg laag pitje sta. Ik ben aartslui, hangerig en mijn hoofd dwaalt erger af dan de dwarrelende kersenbloemblaadjes. De enige manier waarop ik op het moment nog kan leren is door mezelf wijs te maken dat Nederland een exotisch fantasieland is vol luchtkastelen en dat ik een redelijk omvangrijke en gedetailleerde roman aan het lezen ben vol intrige. Gek genoeg lukt het aardig. Dat wordt vooral geholpen door het feit dat het teksten over het oude politieke bestel van dit land (dat van begin vorige eeuw) erg op een legende of mythe zonder relatie tot de werkelijkheid lijken als het wordt vergeleken met de totale warboel waar we vandaag de dag op moeten stemmen.
...
Eekhoorn.

Hugo Maat

Ps: Haargrensconflict.

13.4.10

Esnesnon 13-4-10

Ik verkeer in een staat van ernstige wanhoop en verdriet, maar daarover later meer.
Ik hou van laptops! Ik was eerst een beetje onwennig om nieuwe technologie te leren kennen en iets te doen dat niet vertrouwd is, knoppendom en luddiet als ik ben, maar ineens zit ik regelmatig op een laptop te tikken en schrijf ik dit ook in een willekeurig lokaal in een zijvleugel van de Vrije Universiteit. Ik vind het een heerlijk gevoel van vrijheid geven dat ik ergens kan neerstrijken en een potje kan gaan zitten tikken terwijl ik mijn vleugels laat drogen in de zon. Het lijkt alsof ik in het gehele universiteitsgebouw een draagbare studeerkamer heb. Op elk gewenst moment ga ik ergens zitten, bij voorkeur op een plek waar de zon wel door de ramen binnen komt stralen maar in mijn gezicht staat, hou ik de deur wagenwijd open en word ik even elektronisch.
Natuurlijk is dit alles voor de gemiddelde Nederlander niets nieuws en ik heb sterk het gevoel dat ik met deze ervaring flink achterloop op iedereen die dit leest en het allang niet meer als bijzonder beschouwt. Ik wil gebruik maken van die gelegenheid om even een nadenkmomentje te scheppen waarbij we allemaal even zuchten, naar het plafond kijken en ons afvragen hoeveel van de dingen die wij tegenwoordig als vanzelfsprekend zijn gaan beschouwen vroeger volstrekt nieuw waren.

Nadenkmomentje is voorbij. Ik heb weer eens een keertje een goed cijfer gehaald, iets dat ik ga vieren door de rest van deze dag enkel en alleen aan de kunsten ga wijden. Dat wil zeggen dat ik vermoed binnen twee uur aardig aangeschoten te zijn, dat ik tot half vijf Brits theater repeteer en dat ik vanavond, voor of na het musiceren aan de jonkoe ga. Morgen idem dito, naar mijn idee, hoewel ik ook nog wel wat tijd over zal houden voor de wetenschap. Ik vind het geweldig! Mijn leven is een aaneenschakeling van slapen, eten, kunst en wetenschap! Ik werk niet, ik sport niet, ik ben gezond en op de koop toe hou ik ook nog eens van tijd op tijd er wat sociaal contact op na. Het is een ideaal studentenleven, met uitgebreide voeding voor de geest en het lichaam. Ik verzwijg maar even de schaamteloze braspartij van afgelopen zaterdag. Sommige dingen kunnen maar beter niet herinnerd worden. (Ik voeg nu de daad bij het woord.)

Hugo Maat

Ps: Ik vind het erg fijn weer een keertje een onverdund positieve post te schrijven.

12.4.10

Esnesnon 12-4-10

Hello.

De volgende post is opgedragen aan mijn eerste verliefdheid en mijn eerste romantische liefde. Ik ben ze helemaal niets schuldig en zij nog minder aan mij, maar wat ik heden ten dage denk heeft veel met ze te maken in een onconventionele manier. Ik wil aan hen, zonder dat ze het lezen (ik hoop van niet, eigenlijk) de volgende woorden richten: 'Als ik je kan doorzien / kan ik op je neerkijken. / Als ik je niet kan respecteren / kan ik niet van je houden.'

Kunst is voor mijn gevoel altijd gebonden aan het gehoor, met de muziek, terwijl macht iets is dat ik lichamelijk voel. Liefde in mijn leven is iets dat ik associeer met het zichtvermogen. Mijn eerste criterium ligt bij de ogen, die van mij en die van de ander. Het gebaar van de liefde is voor mij dan ook het oogcontact, in plaats van het vasthouden van handen, de kus of anderszins overwegend lichamelijke handelingen. Romantiek begint bij een blik en eindigt op het punt waar bepaalde hormonen in de hersenen zorgen voor verwijding van de pupillen en ik mijn ogen moet sluiten tegen de toegenomen helderheid van de wereld.
Wat doen ogen? Ogen zijn tegelijkertijd een poort van de wereld naar de mens en een weg terug van de mens naar de wereld - specifieker, een weg van de mens naar een ander. Het is kortzichtig om te denken dat jouw ogen de enigen zijn die kijken en de enigen die zien. Ik, onder andere, ben ook altijd aan het kijken en ook altijd aan het zien. Je zoekt en leest de mensen om je heen maar vergeet in dat proces dat je een mens bent en niet alleen een paar ogen. Je kan niet alleen maar nemen en nooit iets geven, dat laatste gebeurt de hele tijd al.
Heb je daar op gerekend? Heb je daar aan gedacht? Terwijl je zoekt, kijkt, ziet en leest, besef je dan ook de priemende ogen in jouw richting? Ik denk van niet. Je was, zij het maar kort, van je stuk gebracht toen ik jouw eigen situatie aan je voorstelde. Wat moet ik daar van denken, als wij in oogcontact staan, als we allebei kijken, maar ik de enige ben die niet alleen de ander aankijkt en ook probeert in te zetten dat wij, nou ja, elkaar aankijken?
Jij kijkt wel naar me, maar je ziet me slechts deels. Je ziet het mens dat ik ben, of probeert het, maar je slaat geen acht op het feit dat ik op zijn minst evengoed zelf ook kijk. Ik kan je zien en ik probeer je te bereiken met mijn blik. Het lukt niet zo goed. Onze lichamen zijn dichtbij genoeg om elkaar te kunnen omhelzen, maar er zit teveel afstand tussen onze ogen voor mij om je aan te kunnen raken. Ik sla mijn ogen neer.

Hugo Maat

1.4.10

Esnesnon 1-4-10

Goedemorgen.

Ik heb het volgende al aan een paar mensen verteld, maar ik wilde het toch even opschrijven, wegens het hoge onzinnigheidsgehalte, mocht dat een geldig woord zijn.

Een paar dagen terug maakte ik een wandelingetje. Dat is een eufemisme voor lopen naast een fiets met een lekke band, wat weer een verhulde bekentenis over mijn eigen slordigheid is. Tijdens dat lopen, op een prille ochtend in maart, passeerde ik een golden retriever en zijn bron van onderhoud, een man. De retriever was bezig met een écht wandelingetje, die strekte even zijn poten en deed met de Franse slag hier en daar zijn behoefte, terwijl zijn menselijke butler hem vergezelde.
Het was een prachtbeest. Retrievers zijn in mijn verbeelding een missende schakel tussen een leeuw en een wolf, met een grote bos gulden haar, een scherpe snuit en mysterieuze, glanzende ogen. (Stel je eens een mens voor met de ogen en het haar van een retriever.) Dat dier liep rustig mijn blikveld door, statig als een aristocraat, maar zonder de fatterige air van een poedel. Voor mijn ogen stond één van de hoogste uitingen van de schoonheden van het hondenras, in volle glorie, grootmoedig genoeg om zijn wonderbaarlijkheid met mij, de onwaardige, te delen, en wat was de énige zin die door mijn verwonderde hoofd ging?
'Die man is vast een PVV-stemmer.'
Het gaat niet goed met mij. De synthese van wilde schoonheid en statige verfijndheid in natuurlijke vorm passeert in mijn ooghoek op zijn dagelijkse inspectie van zijn domein, en mijn eerste associatie is gevuld met weerzin en beelden van achterlijke intolerantie en een inhoudelijk hol schreeuwbeleid. Ik verkeer in een staat van ernstige wanhoop; deze wereld van gepopulariseerde politiek die mij retrievers laat koppelen aan geblondeerd haar heeft mij tot wanhoop gebracht.
Waarom hou ik een dergelijk absurd denkbeeld erop na? Omdat de massamedia (lees: tweedehands krant) mij hebben wijsgemaakt dat veel PVV-stemmers honden bezitten. Op basis van dat statistische gegeven concludeerde mijn irrationele denkvermogen (dat nog altijd een stuk sneller functioneert dan mijn rationaliteit om onduidelijke reden) dat de man die achter de golden retriever aanhobbelde die ochtend wegens het feit dat hij een hond zou 'bezitten' PVV stemt. Dat is geen correcte redenering. Sterker nog, achteraf gezien ben ik van mening dat zowel rationeel als irrationeel gezien die redenering helemaal niet voor de hand ligt.
Als iemand een natuurlijke schoonheid als een retriever in zijn huis opneemt kan het toch geen kortzichtige idioot zijn? Dat moet wel een goed mens zijn en dus geen PVV-stemmer. Dát is de irrationele redenatie die ik had moeten maken. In plaats daarvan heb ik mijn geest vervuild met dat politieke geraaskal en mijn beeld van de wereld verpest. Ik zou alle golden retrievers willen zeggen dat het me spijt.

Hugo Maat