Goedemorgen.
Oh, ik ben zo ijdel. Ik ben waanzinnig ijdel. Ook al vertik ik het quotum van de gemiddelde moderne mens te bereiken qua aandacht voor fysieke verschijning in esthetische zin, ofwel hoe ik eruit zie, kan ik het niet laten belang te hechten aan de presentatie van mijzelf voor de grillige woestenij van het publiek. Dit weliswaar niet zozeer op het gebied van mijn uiterlijk maar eerder als het gaat om kunst. Zoals het ieder rechtgeaard omhooggevallen intellectueel betaamt begeef ik mij op kunstzinnig gebied veelal om de schoonheid van de kunsten zelf voor mijn eigen artistieke vermaak, maar soms schep ik genoegen in het blootstellen van dergelijke prestaties aan andere mensachtigen in de ijdele hoop erkenning te verkrijgen. Als een individu van enig organisatorisch inslag mij de kans aanbiedt om in het openbaar mijn vaardigheden ten toon te spreiden weet ik aldus zelden hoe snel ik mijn teken van goedkeuring moet geven. Ik heb het genoegen vandaag te mogen optreden na daar twee dagen geleden voor gevraagd te zijn, zonder zelf enige moeite te hebben hoeven doen. Vanzelfsprekend, gezien de voorgaande tekst, word ik daar erg blij van.
Ondanks wat een eerdere post van mij insinueerde geloof ik dat ik behoorlijk vrolijk ben. Ik luister ook muziek die dat gevoel onderstreept. Mijn stemmingswisselingen, die zich binnen een week kunnen voltrekken, doen mij vermoeden dat ik misschien wel ernstig bipolair ben, dat ik minder moet drinken, of dat ik me op regelmatige basis aanstel. Ik ben niet zeker over dat laatste, net als het eerste en het tweede. Wat betreft mijn humeur denk ik dat er een specifieke verandering in mijn gedrag is die een groot effect teweeg heeft gebracht op dit gebied, zijnde het zonlicht. Ik heb vorige week teveel tijd in duisternis doorgebracht, waar een heel normaal menselijk instinct op inhaakt. Ik spendeer een paar dagen in het licht, in de duinen, buiten op straat, terwijl ik gedurende de verduisterde uren veelal in bed lig, en mijn stemming gaat zienderogen de goede kant op. Of het nu vitamine D, evolutionair bepaald gedrag, mijn nieuw verworven romantische geest of louter toeval is kan ik niet zeggen. Ik zeg alleen: vandaag ben ik zo vrolijk. (Morgen ben ik zo dronken.)
Hugo Maat
20.6.10
19.6.10
Esnesnon 19-6-10
Menselijke vooruitgang.
"Ik vind het mooi dat dertig jaar geleden het bekendste woord uit Zuid-Afrika Apartheid was; en nu is het Vuvuzela."
Intussen werk ik al halfhartig aan een nieuwe carnavalshit voor volgend jaar, getiteld Vuvuzela. Ik bedacht het als volgt: het nummer 'Ik heb een toeter op mijn waterscooter' of hoe het ook heet, sloeg wel aan maar was niet een echt succes voor carnaval omdat zo verrekte weinig mensen een waterscooter met goed klinkende toeter hebben. Volgend carnaval hebben echter bijzonder veel mensen in Nederland een vuvuzela waar ze niets meer mee kunnen omdat het WK in Zuid-Afrika voorbij is en waarschijnlijk niet meer terugkomt binnen de levens van degenen die de instrumenten gekocht hebben. Het zou leuk zijn als ze er wat aan hadden met carnaval. Iedereen is dronken, de slechte smaak is reeds tot een soort kunstzinnig ideaal verheven en op het gebied van muziek hoef je totaal niet innovatief of creatief uit de verf te komen. De belangrijkste strofe van het nummer is 'Voulez-vous vuvuzela! *twee keer toeteren op de vuvuzela*'
Maar wacht eens, is dat wel te verenigen? Ben ik niet een elitair, kunstzinnig, hoogdravend intellectueel persoon die compleet hoort te walgen van het gedrag van de plebeëers? Dan zou je zeggen dat ik niet eens aan carnaval moet denken, laat staan dingen ervoor bedenken. Incorrect. Het is juist een geschikte bezigheid voor de hoge heer om manieren te fabriceren om het lagere volk eronder te houden, door ze ongevoelig te maken voor het waardeloze aspect van hun bestaan. Blinde mensen kunnen geen oogkleppen zien, als je begrijpt wat ik bedoel. Een nog edeler sport voor de superieure mens is het gewone volk manipuleren in strijd tegen een andere speler in het spel, of tegen meerderen. Sommige mensen gaan daar heel ver in. Zo ver zelfs dat onze samenleving zich over verloop van tijd heeft geschikt naar dat spel en op die manier ieders leven beïnvloedt. Voetbal is, in termen van manipuleren van het plebs, gigantisch ondergeschikt aan de beoefening van politiek.
Dit is echter geen uitgemaakte strijd. Dit WK zien we al duidelijke tekenen van een jaloerse steek van de wereld van voetbal naar de wereld van politiek. Een strijd van de ene soort onderdrukkende elite tegen de ander, een interdisciplinaire krachtmeting, is op handen. De FIFA tegen de regeringen van de wereld, te beginnen met Zuid-Afrika. Wie wint er? All bets are open. Eén ding staat vast: Nederland komt in ieder geval niet door de halve finale heen, dus ik richt me al op een FIFA-coalitie in plaats van de onzin die we nu hebben.
Hugo Maat
Ps. Fifazela?
"Ik vind het mooi dat dertig jaar geleden het bekendste woord uit Zuid-Afrika Apartheid was; en nu is het Vuvuzela."
Intussen werk ik al halfhartig aan een nieuwe carnavalshit voor volgend jaar, getiteld Vuvuzela. Ik bedacht het als volgt: het nummer 'Ik heb een toeter op mijn waterscooter' of hoe het ook heet, sloeg wel aan maar was niet een echt succes voor carnaval omdat zo verrekte weinig mensen een waterscooter met goed klinkende toeter hebben. Volgend carnaval hebben echter bijzonder veel mensen in Nederland een vuvuzela waar ze niets meer mee kunnen omdat het WK in Zuid-Afrika voorbij is en waarschijnlijk niet meer terugkomt binnen de levens van degenen die de instrumenten gekocht hebben. Het zou leuk zijn als ze er wat aan hadden met carnaval. Iedereen is dronken, de slechte smaak is reeds tot een soort kunstzinnig ideaal verheven en op het gebied van muziek hoef je totaal niet innovatief of creatief uit de verf te komen. De belangrijkste strofe van het nummer is 'Voulez-vous vuvuzela! *twee keer toeteren op de vuvuzela*'
Maar wacht eens, is dat wel te verenigen? Ben ik niet een elitair, kunstzinnig, hoogdravend intellectueel persoon die compleet hoort te walgen van het gedrag van de plebeëers? Dan zou je zeggen dat ik niet eens aan carnaval moet denken, laat staan dingen ervoor bedenken. Incorrect. Het is juist een geschikte bezigheid voor de hoge heer om manieren te fabriceren om het lagere volk eronder te houden, door ze ongevoelig te maken voor het waardeloze aspect van hun bestaan. Blinde mensen kunnen geen oogkleppen zien, als je begrijpt wat ik bedoel. Een nog edeler sport voor de superieure mens is het gewone volk manipuleren in strijd tegen een andere speler in het spel, of tegen meerderen. Sommige mensen gaan daar heel ver in. Zo ver zelfs dat onze samenleving zich over verloop van tijd heeft geschikt naar dat spel en op die manier ieders leven beïnvloedt. Voetbal is, in termen van manipuleren van het plebs, gigantisch ondergeschikt aan de beoefening van politiek.
Dit is echter geen uitgemaakte strijd. Dit WK zien we al duidelijke tekenen van een jaloerse steek van de wereld van voetbal naar de wereld van politiek. Een strijd van de ene soort onderdrukkende elite tegen de ander, een interdisciplinaire krachtmeting, is op handen. De FIFA tegen de regeringen van de wereld, te beginnen met Zuid-Afrika. Wie wint er? All bets are open. Eén ding staat vast: Nederland komt in ieder geval niet door de halve finale heen, dus ik richt me al op een FIFA-coalitie in plaats van de onzin die we nu hebben.
Hugo Maat
Ps. Fifazela?
15.6.10
Esnesnon 15-6-10
Goedemiddag.
Ik kwam tot een soort openbaring, afgelopen zaterdag. Niets dan goeds over mijn vrijdagavond, of mijn zondag for that matter, of eigenlijk de invulling van mijn gehele week. In een bui van opperste vermoeidheid, teleurstelling en melodrama besloot ik dat ik op moest houden mezelf kwaad aan te doen. Dat idee is minder onconventioneel, noch op dergelijke basis gestoeld, als de conventionele denkwijzes aan zouden geven. Ik wil daarbij duidelijk stellen dat ik geen nonconformist ben vanuit overtuiging. Antideestablishmentalism.
In de eerste plaats bedoel ik dat lichamelijk. De afgelopen twee weken, pak 'm beet, ben ik bijzonder ongezond aan het leven. Ik slaap weinig en zonder goed schema, ik eet veel minder, ongezonder, en onregelmatiger, terwijl ik niet eens bijzonder lui leef. Ik wijt dat alles aan het feit dat ik met mijn aanstormende vakantie besloot al mijn tijd vol te plannen met leuke dingen om te doen, waardoor alles met elkaar in de weg loopt, ik het drukker heb dan tijdens mijn studiedagen en ik me uiteindelijk helemaal niet goed voel. Het is echt vreemd. Ik ben niet gewend me ongezond te voelen, met uitzondering van die enkele ochtend na een aardige dosis aqua vitae. Het feit dat die gewaarwording nieuw voor me is geeft me het idee dat ik het anders aan moet pakken en dat ik terug moet naar een iets beter leven. Dat wil zeggen dat ik geen last heb van mijn gezondheid terwijl ik leuke dingen probeer te doen.
Slaap is ook zoiets grappigs. Als ik eerder opsta is mijn dag meer waard. Als ik uitslaap krijg ik niet meer energie maar verlies ik mijn hele ochtend en maak ik mijn middag slap om vervolgens de hele avond te zitten gapen en pas laat in een energiekick te geraken waar ik dan niets aan heb. Beter is het om met de zon mee op te zijn, wat natuurlijker is en lichamelijk verantwoorder. Ik heb geen zin om mijn vakantie weg te gooien door al mijn uren slapend of slaperig door te brengen. Per slot van rekening heb ik nog steeds genoeg boeken thuis staan om een fatsoenlijk hunebed van te bouwen, met name de Propyläen, die stuk voor stuk zwaar genoeg zijn om ezels te castreren.
In de tweede plaats moet ik mezelf mentaal wat minder aan gaan doen. Ik ben het spuugzat dat ik me ouder voel dan dat ik ben. Ik ben veel te jong om me te oud te voelen. Ik ben te jong om te denken dat ik kostbare tijd verlies met alles wat ik doe. Het ergste van allemaal is dat ik consequent bezig ben niet naar mezelf te luisteren. Ik volg noch mijn gevoel noch mijn eigen verstand, voor zover iets dergelijks bestaat. Ik doe dingen waar ik achteraf niet vrolijker van word alleen op basis van een ondoordachte, onwillekeurige blindheid. Het feit dat ik dit doe, net als het feit dat ik in staat ben het bij mezelf te constateren maakt me ronduit razend. Ik moet er eigenlijk mee ophouden, maar het is moeilijk.
Alles draagt bij aan dat vreemde gevoel van leegte, de regressie. Het is het gevoel van uit frustratie tegen een muur te willen slaan en het dan niet doen omdat je weet dat het niets uitricht. Het is het gevoel van thuis aan tafel zitten en over de telefoon iemand vertellen dat je op dat moment net in de trein zit en geen tijd hebt voor iets leuks. Het is het gevoel dat iemand gedag tegen je zegt en je vergeet diegene te omhelzen. Het is de loszittende veter die je weigert vast te knopen. Het is de ouder die bezorgd vraagt of er aan de hand is om vervolgens te horen dat alles goed gaat. Het is de traan die weigert te komen. Het is de gezichtsuitdrukking die mensen als chagarijnig interpreteren terwijl het niets anders is dan ontspanning. Het is de iets lichtere streep huid rond mijn pols. Het is het ene biertje waarvan je volhoudt dat het al je vijfde is. Het is het schuldbewuste staren naar een onopgeruimde kast. Het is opstaan, weglopen, terugkomen en weer gaan zitten.
Ik liep door Amsterdam en zag een bordje 'Almere.' Ik herinner me duidelijk dat ik in alle ernst dacht: 'Als ik gewoon ga lopen haal ik het voor de zon weer opkomt.' Regressie is de uren die je te voet doorbrengt, die verdwijnen bij aankomst. Als het ver genoeg gaat is het september in een oogwenk, mocht ik dan nog leven. Het is het toetje over datum dat je achteloos in de vuilnisbak gooit. Een oud advies, om zin te geven aan je leven als die er niet is, wordt verstandiger en onmogelijker met de dag.
Hugo Maat.
Ik kwam tot een soort openbaring, afgelopen zaterdag. Niets dan goeds over mijn vrijdagavond, of mijn zondag for that matter, of eigenlijk de invulling van mijn gehele week. In een bui van opperste vermoeidheid, teleurstelling en melodrama besloot ik dat ik op moest houden mezelf kwaad aan te doen. Dat idee is minder onconventioneel, noch op dergelijke basis gestoeld, als de conventionele denkwijzes aan zouden geven. Ik wil daarbij duidelijk stellen dat ik geen nonconformist ben vanuit overtuiging. Antideestablishmentalism.
In de eerste plaats bedoel ik dat lichamelijk. De afgelopen twee weken, pak 'm beet, ben ik bijzonder ongezond aan het leven. Ik slaap weinig en zonder goed schema, ik eet veel minder, ongezonder, en onregelmatiger, terwijl ik niet eens bijzonder lui leef. Ik wijt dat alles aan het feit dat ik met mijn aanstormende vakantie besloot al mijn tijd vol te plannen met leuke dingen om te doen, waardoor alles met elkaar in de weg loopt, ik het drukker heb dan tijdens mijn studiedagen en ik me uiteindelijk helemaal niet goed voel. Het is echt vreemd. Ik ben niet gewend me ongezond te voelen, met uitzondering van die enkele ochtend na een aardige dosis aqua vitae. Het feit dat die gewaarwording nieuw voor me is geeft me het idee dat ik het anders aan moet pakken en dat ik terug moet naar een iets beter leven. Dat wil zeggen dat ik geen last heb van mijn gezondheid terwijl ik leuke dingen probeer te doen.
Slaap is ook zoiets grappigs. Als ik eerder opsta is mijn dag meer waard. Als ik uitslaap krijg ik niet meer energie maar verlies ik mijn hele ochtend en maak ik mijn middag slap om vervolgens de hele avond te zitten gapen en pas laat in een energiekick te geraken waar ik dan niets aan heb. Beter is het om met de zon mee op te zijn, wat natuurlijker is en lichamelijk verantwoorder. Ik heb geen zin om mijn vakantie weg te gooien door al mijn uren slapend of slaperig door te brengen. Per slot van rekening heb ik nog steeds genoeg boeken thuis staan om een fatsoenlijk hunebed van te bouwen, met name de Propyläen, die stuk voor stuk zwaar genoeg zijn om ezels te castreren.
In de tweede plaats moet ik mezelf mentaal wat minder aan gaan doen. Ik ben het spuugzat dat ik me ouder voel dan dat ik ben. Ik ben veel te jong om me te oud te voelen. Ik ben te jong om te denken dat ik kostbare tijd verlies met alles wat ik doe. Het ergste van allemaal is dat ik consequent bezig ben niet naar mezelf te luisteren. Ik volg noch mijn gevoel noch mijn eigen verstand, voor zover iets dergelijks bestaat. Ik doe dingen waar ik achteraf niet vrolijker van word alleen op basis van een ondoordachte, onwillekeurige blindheid. Het feit dat ik dit doe, net als het feit dat ik in staat ben het bij mezelf te constateren maakt me ronduit razend. Ik moet er eigenlijk mee ophouden, maar het is moeilijk.
Alles draagt bij aan dat vreemde gevoel van leegte, de regressie. Het is het gevoel van uit frustratie tegen een muur te willen slaan en het dan niet doen omdat je weet dat het niets uitricht. Het is het gevoel van thuis aan tafel zitten en over de telefoon iemand vertellen dat je op dat moment net in de trein zit en geen tijd hebt voor iets leuks. Het is het gevoel dat iemand gedag tegen je zegt en je vergeet diegene te omhelzen. Het is de loszittende veter die je weigert vast te knopen. Het is de ouder die bezorgd vraagt of er aan de hand is om vervolgens te horen dat alles goed gaat. Het is de traan die weigert te komen. Het is de gezichtsuitdrukking die mensen als chagarijnig interpreteren terwijl het niets anders is dan ontspanning. Het is de iets lichtere streep huid rond mijn pols. Het is het ene biertje waarvan je volhoudt dat het al je vijfde is. Het is het schuldbewuste staren naar een onopgeruimde kast. Het is opstaan, weglopen, terugkomen en weer gaan zitten.
Ik liep door Amsterdam en zag een bordje 'Almere.' Ik herinner me duidelijk dat ik in alle ernst dacht: 'Als ik gewoon ga lopen haal ik het voor de zon weer opkomt.' Regressie is de uren die je te voet doorbrengt, die verdwijnen bij aankomst. Als het ver genoeg gaat is het september in een oogwenk, mocht ik dan nog leven. Het is het toetje over datum dat je achteloos in de vuilnisbak gooit. Een oud advies, om zin te geven aan je leven als die er niet is, wordt verstandiger en onmogelijker met de dag.
Hugo Maat.
13.6.10
Esnesnon 13-6-10
Vandaag is het net een beetje anders. Ik heb voor de grap een recensie geschreven voor een boek, uit vrije wil, om te vieren dat ik al een jaar van de middelbare school af ben.
Vogelvrij – Angus Donald
Vogelvrij is verfrissend, vlot en meeslepend. Donald zet het klassieke Robin Hood verhaal, bekend van Disney en Kevin Costner, met gemak overboord. Hoewel het werk fictief is leest het alsof de auteur een boek heeft geschreven over ‘De ware Robin Hood.’ Ik had het gevoel een boek te lezen dat de mythe ontkrachtte en het geheim ontrafelde.
Dat ligt in de eerste plaats aan Donalds oog voor historisch correcte details. Voedsel, kleding en omgangsvormen tot aan middeleeuwse geneeskunde of krijgskunst zijn in het verhaal opgenomen, zonder als gedwongen smaakmakers over te komen. Al deze elementen worden verantwoord en realistisch gegeven wat het verhaal tot een historisch geheel maakt.
Ten tweede heeft de auteur goed rekening gehouden met de context van de tijd waar het zich afspeelt, wat het fictieve gedeelte van het verhaal, Robin Hood zelf, voor het gevoel uit de fictie weghaalt. Het vermelden van de politieke situatie in Engeland gebeurt ook zeer ongedwongen, verweven in het verhaal en nonchalant gehanteerd als de dagelijkse werkelijkheid in het boek. Dit maakt voor mij het boek een historische roman, in plaats van alleen een avonturenroman.
Ook wordt het personage van Robin flink genuanceerd en een paar tinten duisterder gemaakt. De lachende, sluwe schelm in maillots is er op zich nog wel, maar Donald verbreedt het personage door een flinke scheut koelbloedige killer en inspirerende leider toe te voegen. De overduidelijke heldenrol van Robin wordt niet veranderd in een antiheld en de ware antagonisten blijven duidelijke slechteriken, maar het gedrag van de bekende held is moreel moeilijker te rechtvaardigen dan eerst.
De algemene tendens van het boek is er een van grauw, wreed realisme. Donald slaagt erin de grijstinten goed naar voren te brengen en door middel van gruwelijkheden, een geprononceerd moreel middenvlak en een andere tijdsgeest de personages en hun handelingen geloofwaardig te maken en voor de lezer ook gerechtvaardigd te maken. Zo weet hij een realistischer Robin Hoodverhaal te schetsen zonder Robin of zijn medestanders (zoals de hoofdpersoon van het boek) hun heldenrecht te ontnemen.
De grauwe en realistische stijl neemt een aardige hoeveelheid seks en geweld met zich mee. De bloederige details van de gevechtshandelingen in het boek en de enkele expliciete seksscènes dragen bij aan het gevoel voor detail en historische accuratesse, maar wekken soms de indruk dat het opzettelijk grof gemaakt is voor een schokeffect op de lezer. Sommige lezers zouden hier misschien zelfs door afgeschrikt kunnen worden. Ik vind zelf het realisme hierin wel aangenaam maar gezien de geringe relevantie van dergelijke passages voor het verhaal zou ik de vloed aan details bijna vergelijken met de ‘historische’ series op SBS6.
Het verhaal wordt verteld uit het gezichtspunt van Alan Dale, een Engelse boerenjongen in zware tijden die opgenomen wordt in de legendarische bende vogelvrijen van Robin, om een van hen te worden. Alan begint als zwakke, kleine jongen en gaat gedurende het boek door een uitgebreid curriculum aan lichamelijke, geestelijke en emotionele ontwikkeling. Hij wordt hierin gedreven door een grenzeloze bewondering voor de charismatische aanvoerder, rancune tegen de sheriff van Nottingham, die een weergaloos niveau van verachtelijkheid bereikt vergeleken met zijn andere vertolkingen, en een hoofse liefde die met een opmerkzame mate geloofwaardigheid gebracht wordt.
Het boek is geschreven als de memoires van een zestigjarige Alan die terugkijkt op zijn tijd met Robin. De overdenkingen over de gebeurtenissen zijn hier en daar voorzien van hints naar gebeurtenissen die duidelijk nog op een later punt in het boek of in latere boeken langs zullen komen en doen de poging om een groter doorlopend verhaal van meerdere delen aan te geven. Omdat deze gedeeltes soms geen referentie hebben aan gebeurtenissen in het boek en dus om hints naar nog niet verschenen delen gaan leidt het tot onduidelijkheden en zijn ze moeilijker te lezen. Ze halen de vaart en scherpte uit het boek.
De auteur slaagt er gelukkig wel in om Alan als kroniekschrijver niet tot een toeschouwer van Robin te maken. De jongen onderneemt zelf voldoende en speelt ook een duidelijke rol in het verhaal, zonder de glans van Robin te stelen maar zonder in de achtergrond te verdwijnen en de spots weer teveel op Robin te zetten. Niet slecht voor een kleine jongen.
De schrijver slaagt erin om van Alan een middeleeuws, vogelvrij Zwitsers zakmes te maken: de jongen kan muziek maken, goed zingen, schrijven in meerdere talen, maar ook goed zwaardvechten, paardrijden en hij is ook nog eens een vaardig zakkenroller, allemaal voordat hij eigenlijk oud genoeg is om zich te scheren. Als zestigjarige is hij zo bescheiden om nog toe te geven dat hij nooit echt het hanteren van de Welse boog onder de knie gekregen heeft, maar dat brengt er geen balans in. De veelzijdigheid van de jonge held is leuk voor het verhaal maar schaadt de geloofwaardigheid van het personage. Robin Hood zelf lijkt niet veel meer vaardigheid te hebben dan vechtkunst, charisma, sluwheid en lef, waardoor hij regelmatig afhankelijk is van hulp van anderen. Dit wekt sympathie en geloofwaardigheid. Alan had iets minder getalenteerd gemogen, het verhaal had het goed aangekund.
Al met al is het boek sterk geschreven. Als lezer bouwde ik snel sympathie op voor de personages en de kant waar ze aan stonden, wat altijd aangenaam is. De vooruitwijzingen die binnen het boek bleven maakten me nieuwsgierig naar verdere ontwikkelingen zonder teveel te verklappen. Het boek was geloofwaardig, zowel door de historische context als de consequent verantwoorde handelingen van de personages en de hoofdpersoon Alan Dale als sidekick en kroniekschrijver van Robin was een leuke invalshoek voor het verhaal. Ik kijk zeker uit naar de volgende avonturen, als Donald meer en meer van het klassieke platgetreden Robin Hoodverhaal afgaat. Er waait een frisse wind door Sherwood.
Hugo Maat
Vogelvrij – Angus Donald
Vogelvrij is verfrissend, vlot en meeslepend. Donald zet het klassieke Robin Hood verhaal, bekend van Disney en Kevin Costner, met gemak overboord. Hoewel het werk fictief is leest het alsof de auteur een boek heeft geschreven over ‘De ware Robin Hood.’ Ik had het gevoel een boek te lezen dat de mythe ontkrachtte en het geheim ontrafelde.
Dat ligt in de eerste plaats aan Donalds oog voor historisch correcte details. Voedsel, kleding en omgangsvormen tot aan middeleeuwse geneeskunde of krijgskunst zijn in het verhaal opgenomen, zonder als gedwongen smaakmakers over te komen. Al deze elementen worden verantwoord en realistisch gegeven wat het verhaal tot een historisch geheel maakt.
Ten tweede heeft de auteur goed rekening gehouden met de context van de tijd waar het zich afspeelt, wat het fictieve gedeelte van het verhaal, Robin Hood zelf, voor het gevoel uit de fictie weghaalt. Het vermelden van de politieke situatie in Engeland gebeurt ook zeer ongedwongen, verweven in het verhaal en nonchalant gehanteerd als de dagelijkse werkelijkheid in het boek. Dit maakt voor mij het boek een historische roman, in plaats van alleen een avonturenroman.
Ook wordt het personage van Robin flink genuanceerd en een paar tinten duisterder gemaakt. De lachende, sluwe schelm in maillots is er op zich nog wel, maar Donald verbreedt het personage door een flinke scheut koelbloedige killer en inspirerende leider toe te voegen. De overduidelijke heldenrol van Robin wordt niet veranderd in een antiheld en de ware antagonisten blijven duidelijke slechteriken, maar het gedrag van de bekende held is moreel moeilijker te rechtvaardigen dan eerst.
De algemene tendens van het boek is er een van grauw, wreed realisme. Donald slaagt erin de grijstinten goed naar voren te brengen en door middel van gruwelijkheden, een geprononceerd moreel middenvlak en een andere tijdsgeest de personages en hun handelingen geloofwaardig te maken en voor de lezer ook gerechtvaardigd te maken. Zo weet hij een realistischer Robin Hoodverhaal te schetsen zonder Robin of zijn medestanders (zoals de hoofdpersoon van het boek) hun heldenrecht te ontnemen.
De grauwe en realistische stijl neemt een aardige hoeveelheid seks en geweld met zich mee. De bloederige details van de gevechtshandelingen in het boek en de enkele expliciete seksscènes dragen bij aan het gevoel voor detail en historische accuratesse, maar wekken soms de indruk dat het opzettelijk grof gemaakt is voor een schokeffect op de lezer. Sommige lezers zouden hier misschien zelfs door afgeschrikt kunnen worden. Ik vind zelf het realisme hierin wel aangenaam maar gezien de geringe relevantie van dergelijke passages voor het verhaal zou ik de vloed aan details bijna vergelijken met de ‘historische’ series op SBS6.
Het verhaal wordt verteld uit het gezichtspunt van Alan Dale, een Engelse boerenjongen in zware tijden die opgenomen wordt in de legendarische bende vogelvrijen van Robin, om een van hen te worden. Alan begint als zwakke, kleine jongen en gaat gedurende het boek door een uitgebreid curriculum aan lichamelijke, geestelijke en emotionele ontwikkeling. Hij wordt hierin gedreven door een grenzeloze bewondering voor de charismatische aanvoerder, rancune tegen de sheriff van Nottingham, die een weergaloos niveau van verachtelijkheid bereikt vergeleken met zijn andere vertolkingen, en een hoofse liefde die met een opmerkzame mate geloofwaardigheid gebracht wordt.
Het boek is geschreven als de memoires van een zestigjarige Alan die terugkijkt op zijn tijd met Robin. De overdenkingen over de gebeurtenissen zijn hier en daar voorzien van hints naar gebeurtenissen die duidelijk nog op een later punt in het boek of in latere boeken langs zullen komen en doen de poging om een groter doorlopend verhaal van meerdere delen aan te geven. Omdat deze gedeeltes soms geen referentie hebben aan gebeurtenissen in het boek en dus om hints naar nog niet verschenen delen gaan leidt het tot onduidelijkheden en zijn ze moeilijker te lezen. Ze halen de vaart en scherpte uit het boek.
De auteur slaagt er gelukkig wel in om Alan als kroniekschrijver niet tot een toeschouwer van Robin te maken. De jongen onderneemt zelf voldoende en speelt ook een duidelijke rol in het verhaal, zonder de glans van Robin te stelen maar zonder in de achtergrond te verdwijnen en de spots weer teveel op Robin te zetten. Niet slecht voor een kleine jongen.
De schrijver slaagt erin om van Alan een middeleeuws, vogelvrij Zwitsers zakmes te maken: de jongen kan muziek maken, goed zingen, schrijven in meerdere talen, maar ook goed zwaardvechten, paardrijden en hij is ook nog eens een vaardig zakkenroller, allemaal voordat hij eigenlijk oud genoeg is om zich te scheren. Als zestigjarige is hij zo bescheiden om nog toe te geven dat hij nooit echt het hanteren van de Welse boog onder de knie gekregen heeft, maar dat brengt er geen balans in. De veelzijdigheid van de jonge held is leuk voor het verhaal maar schaadt de geloofwaardigheid van het personage. Robin Hood zelf lijkt niet veel meer vaardigheid te hebben dan vechtkunst, charisma, sluwheid en lef, waardoor hij regelmatig afhankelijk is van hulp van anderen. Dit wekt sympathie en geloofwaardigheid. Alan had iets minder getalenteerd gemogen, het verhaal had het goed aangekund.
Al met al is het boek sterk geschreven. Als lezer bouwde ik snel sympathie op voor de personages en de kant waar ze aan stonden, wat altijd aangenaam is. De vooruitwijzingen die binnen het boek bleven maakten me nieuwsgierig naar verdere ontwikkelingen zonder teveel te verklappen. Het boek was geloofwaardig, zowel door de historische context als de consequent verantwoorde handelingen van de personages en de hoofdpersoon Alan Dale als sidekick en kroniekschrijver van Robin was een leuke invalshoek voor het verhaal. Ik kijk zeker uit naar de volgende avonturen, als Donald meer en meer van het klassieke platgetreden Robin Hoodverhaal afgaat. Er waait een frisse wind door Sherwood.
Hugo Maat
1.6.10
Esnesnon 1-6-10
Goedemorgen.
Ik zit een beetje met deze post in mijn maag. Om die reden probeer ik mezelf te forceren zo helder en duidelijk mogelijk te schrijven. Misschien krijg ik het zo helder op een rijtje, in ieder geval vanuit mijn standplaats. Ik heb bij mijn weten geen bijbedoelingen met deze post en ik probeer niemand iets duidelijk te maken. Ik wil ook niets aan iemand duidelijk maken. Gelieve bij deze post dus de titel van het blog in ogenschouw te nemen.
In de droom die ik me van vannacht nog herinner zat ik op een hotelkamer die iets van mijn eigen kamer weghad. Het verschil zat hem vooral in de ruimte en meubilair. Zo was er een tweepersoonsbed, een extra matras op de vloer, meer lege muur, geen schuin plafond en een paar voorwerpen die ik niet meer helder voor de geest kan halen maar die absoluut niet uit mijn kamer komen. Ik droeg mijn blauwe badstof kamerjas. De andere aanwezige in de kamer was een vrouw, iets onder de vijfentwintig gok ik (soms weet je ook gewoon feiten in dromen), die afgezien van een witte kamerjas naakt was. Op een bepaald punt was ze gewond; ze verloor bloed uit sneeën bij haar sleutelbeen en iets onder haar navel. Ze werd verbonden (door iets in de droom terwijl ik even niet oplette denk ik) maar de witte verbanden, die al snel doordrenkt met bloed raakten, dekten haar geslachtsdelen niet af. Bovendien hing haar kamerjas open. Enigszins wulps stelde ze voor de kamerjas helemaal weg te doen zodat ik goed zicht had, maar ik zei dat het sexyer was als ze nog een beetje verborgen hield. Halverwege het verwijderen van het kledingstuk stopte ze daarom en begon ze me uit te dagen met haar half zichtbare lichaam. Het feit dat zij zich voegde naar mijn suggestie werd instinctief opgevat als een algemene goedkeuring en ik drukte haar tegen de muur aan en mijzelf tegen haar en kuste haar. Op een bepaald punt lieten onze benen het afweten, maar toen hoorden we stemmen dichterbij komen. Om niet op deze wijze op een hotelkamer betrapt te worden kroop ik maar snel het tweepersoonsbed in, om afstand te doen ontstaan tussen haar en mij tot een stem op de gang vermeldde dat iemand 'maar beter niet net kon doen alsof er niets aan de hand was' en dat hij beter 'er gewoon voor uit kon komen.' Ik herkende deze venijnige en scherpe stem en gaf er min of meer gehoor aan. Ik en de witte-kamerjas-dame kropen onder de deken van het (behoorlijk brede) matras op de grond en wendden voor daar in slaap te zijn of iets dergelijks. Ik probeerde bij haar in de buurt te komen maar ze lag te ver weg op hetzelfde matras. Het laatste wat ik me herinner voor alles vaag wordt is de cynische constatering dat ik deed alsof ik sliep en het hervatten van het gewone leven van deze hotelkamer.
Ik wil even duidelijk stellen dat dit geen seksuele fantasie was. Ik was op geen punt tijdens de droom en het opschrijven en herinneren ervan lichamelijk opgewonden. Ik ben vooral een beetje verbaasd en nieuwsgierig. In een droom ben je niet veel meer dan een observant, vooral je gezichtsvermogen functioneert goed terwijl onder andere je tastzin het (bij mij) erg laat afweten. Het heeft dus meer weg van het zien van een filmscène waar ik zelf in speel. Ik heb het idee dat ik mezelf probeer te verdedigen tegen een bevooroordeeld standpunt dat misschien niet eens gedeeld wordt door anderen, dat alles met blote vrouwen erin een seksuele fantasie moet zijn. Niet dat daar iets inherent mis mee is. Ik zou echter niet beginnen hierover als het onderwerp niet meer was dan iets dat ik werkelijk privé hoor te houden volgens die paar slecht gedefinieerde normen in mijn bestaan.
De vrouw in kwestie is geen persoonlijk bekende van me. Sterker nog, ik kan me niet heugen haar ooit ontmoet te hebben. Ik heb wel vaker haar in een droom gezien. Dat maakt haar, hou je vast, mijn droomvrouw. Misschien is ze samengesteld uit een aantal mensen die ik in de loop van mijn leven gezien heb tot een naamloze onbekende. Misschien is ze mijn persoonlijk ideaal, ofwel in kunstzinnig of instinctief evolutionair aspect, bepaald door mijn esthetische principes of mijn genen. En heel misschien heeft de FSM haar in mijn brein geplaatst, maar dan hebben we de onwaarschijnlijkheden ook in een klap genoemd.
Ik ben echter wel in staat andere dingen in de droom te identificeren. Een droom is volgens mij een verwerking van herinnering waardoor je kunt speculeren over de herkomst van elementen uit de droom door te kijken naar de gebeurtenissen van de dagen, en vooral de eerste dag, daarvoor. Ik speculeer al flink. Ik voel me echter een amateuristische psychoanalyticus terwijl het eigenlijk over helemaal niets gaat. Op zijn meest is dit gewoon zelfreflectie, het begrijpen van mijn eigen gevoelens over dingen die buiten dromen gebeurd zijn. Het is dwaas om spijt te hebben voor dingen die buiten je verantwoordelijkheid of vermogen om te beïnvloeden liggen. Zie deze hele verwerking dus maar als mijn zelfverdediging tegen de ingebeelde toekijkende ogen die ons ook aan enige moraal houden als we moederziel alleen zijn.
Hugo Maat
Ik zit een beetje met deze post in mijn maag. Om die reden probeer ik mezelf te forceren zo helder en duidelijk mogelijk te schrijven. Misschien krijg ik het zo helder op een rijtje, in ieder geval vanuit mijn standplaats. Ik heb bij mijn weten geen bijbedoelingen met deze post en ik probeer niemand iets duidelijk te maken. Ik wil ook niets aan iemand duidelijk maken. Gelieve bij deze post dus de titel van het blog in ogenschouw te nemen.
In de droom die ik me van vannacht nog herinner zat ik op een hotelkamer die iets van mijn eigen kamer weghad. Het verschil zat hem vooral in de ruimte en meubilair. Zo was er een tweepersoonsbed, een extra matras op de vloer, meer lege muur, geen schuin plafond en een paar voorwerpen die ik niet meer helder voor de geest kan halen maar die absoluut niet uit mijn kamer komen. Ik droeg mijn blauwe badstof kamerjas. De andere aanwezige in de kamer was een vrouw, iets onder de vijfentwintig gok ik (soms weet je ook gewoon feiten in dromen), die afgezien van een witte kamerjas naakt was. Op een bepaald punt was ze gewond; ze verloor bloed uit sneeën bij haar sleutelbeen en iets onder haar navel. Ze werd verbonden (door iets in de droom terwijl ik even niet oplette denk ik) maar de witte verbanden, die al snel doordrenkt met bloed raakten, dekten haar geslachtsdelen niet af. Bovendien hing haar kamerjas open. Enigszins wulps stelde ze voor de kamerjas helemaal weg te doen zodat ik goed zicht had, maar ik zei dat het sexyer was als ze nog een beetje verborgen hield. Halverwege het verwijderen van het kledingstuk stopte ze daarom en begon ze me uit te dagen met haar half zichtbare lichaam. Het feit dat zij zich voegde naar mijn suggestie werd instinctief opgevat als een algemene goedkeuring en ik drukte haar tegen de muur aan en mijzelf tegen haar en kuste haar. Op een bepaald punt lieten onze benen het afweten, maar toen hoorden we stemmen dichterbij komen. Om niet op deze wijze op een hotelkamer betrapt te worden kroop ik maar snel het tweepersoonsbed in, om afstand te doen ontstaan tussen haar en mij tot een stem op de gang vermeldde dat iemand 'maar beter niet net kon doen alsof er niets aan de hand was' en dat hij beter 'er gewoon voor uit kon komen.' Ik herkende deze venijnige en scherpe stem en gaf er min of meer gehoor aan. Ik en de witte-kamerjas-dame kropen onder de deken van het (behoorlijk brede) matras op de grond en wendden voor daar in slaap te zijn of iets dergelijks. Ik probeerde bij haar in de buurt te komen maar ze lag te ver weg op hetzelfde matras. Het laatste wat ik me herinner voor alles vaag wordt is de cynische constatering dat ik deed alsof ik sliep en het hervatten van het gewone leven van deze hotelkamer.
Ik wil even duidelijk stellen dat dit geen seksuele fantasie was. Ik was op geen punt tijdens de droom en het opschrijven en herinneren ervan lichamelijk opgewonden. Ik ben vooral een beetje verbaasd en nieuwsgierig. In een droom ben je niet veel meer dan een observant, vooral je gezichtsvermogen functioneert goed terwijl onder andere je tastzin het (bij mij) erg laat afweten. Het heeft dus meer weg van het zien van een filmscène waar ik zelf in speel. Ik heb het idee dat ik mezelf probeer te verdedigen tegen een bevooroordeeld standpunt dat misschien niet eens gedeeld wordt door anderen, dat alles met blote vrouwen erin een seksuele fantasie moet zijn. Niet dat daar iets inherent mis mee is. Ik zou echter niet beginnen hierover als het onderwerp niet meer was dan iets dat ik werkelijk privé hoor te houden volgens die paar slecht gedefinieerde normen in mijn bestaan.
De vrouw in kwestie is geen persoonlijk bekende van me. Sterker nog, ik kan me niet heugen haar ooit ontmoet te hebben. Ik heb wel vaker haar in een droom gezien. Dat maakt haar, hou je vast, mijn droomvrouw. Misschien is ze samengesteld uit een aantal mensen die ik in de loop van mijn leven gezien heb tot een naamloze onbekende. Misschien is ze mijn persoonlijk ideaal, ofwel in kunstzinnig of instinctief evolutionair aspect, bepaald door mijn esthetische principes of mijn genen. En heel misschien heeft de FSM haar in mijn brein geplaatst, maar dan hebben we de onwaarschijnlijkheden ook in een klap genoemd.
Ik ben echter wel in staat andere dingen in de droom te identificeren. Een droom is volgens mij een verwerking van herinnering waardoor je kunt speculeren over de herkomst van elementen uit de droom door te kijken naar de gebeurtenissen van de dagen, en vooral de eerste dag, daarvoor. Ik speculeer al flink. Ik voel me echter een amateuristische psychoanalyticus terwijl het eigenlijk over helemaal niets gaat. Op zijn meest is dit gewoon zelfreflectie, het begrijpen van mijn eigen gevoelens over dingen die buiten dromen gebeurd zijn. Het is dwaas om spijt te hebben voor dingen die buiten je verantwoordelijkheid of vermogen om te beïnvloeden liggen. Zie deze hele verwerking dus maar als mijn zelfverdediging tegen de ingebeelde toekijkende ogen die ons ook aan enige moraal houden als we moederziel alleen zijn.
Hugo Maat
Abonneren op:
Posts (Atom)