8.1.10
Esnesnon 8-1-10
Dit is een datum die ik niet kan laten liggen. Zo uit mijn hoofd is het nu twee jaar geleden dat ik mijn eerste blogpost schreef. Dit is geen feestje waard, gezien de twee of drie keer dat ik dit blog heb laten sterven in plaats van hardnekkig door te schrijven. Ik meen dat ik het al eerder opgemerkt heb, maar ik geef de voorkeur aan viering van prestaties boven de viering van bepaalde hoeveelheden omwentelingen van de aarde. Als u het ernstig met mij oneens bent betreft de feestelijkheid van deze datum is het u toegestaan mij een appeltaart of iets anders lekkers te bezorgen. Dan maak ik wel een uitzondering.
Ik gedraag me even conform een norm van het verjaren met een terugblik op de geschreven stukken van de afgelopen twee jaar. Ik heb sinds het begin 166 stukken gepubliceerd en iets meer dan dat geschreven. Het varieert van gefrustreerde rants tot halve poëzie tot uitzinnige verklaringen van vreugde. Er zit een stuk roman tussen en verslag van een vakantie. Ik heb heel wat digitale inkt verspeeld aan muzikale beschouwingen en een slag naar filosofische denkbeelden. Je zou haast zeggen dat alle stukken samen een totaalbeeld van mijn psyche zouden geven. Quatsch, natuurlijk. Wat alle posts ongeveer verenigt is de gewoonte niet te zeggen wat me bezighoudt op dat moment. Op zijn meest verwijs ik er vaag naar waardoor ik waarschijnlijk de enige ben die begrijpt waar ik het over heb. Dat maakt dit blog tot een geheim dagboek, verkondig ik dan met een glimlach. Ik voel me net een Dan Brown.
Ik wil nog niet ophouden met Esnesnon. Een paar van de redenen staat twee posts naar beneden. Welnu, ik haal mijn hand nog een keer door mijn antisociaal lange haar en sluit af. Want mijn terugblik leert mij ook dat mijn posts stilaan steeds langer zijn geworden en dat hoeft niet zo nodig. Bij deze,
Hugo Maat.
7.1.10
Esnesnon 7-1-10
Ik steek maar van wal en hoop dan tenminste de kant nog een keer te raken.
Dit blog en ik hebben veel met elkaar gemeen. Je zou bijna denken dat we familie zijn. Beiden zijn redelijk zinloos en nutteloos, om maar even met een milde dosis zelfspot te beginnen. Beiden laten vaak lang niets van zich horen, ook zeer typisch. Beiden spelen met hun eigen motieven en meningen tot er niet veel meer over blijft dan een ambivalente gelei met lampenkappen overal. De mooiste overeenkomst, want de bovenstaande gezamelijke kenmerken zijn allemaal een beetje zielig of naar, vind ik het feit dat zowel ik als het blog in een wereld van lege feiten of eerder zelfs een ruwe vorm van bestaan het voor elkaar krijgen om in de uitspanten een spinneweb te weven door alle blinde vlekken en daardoor leven te zijn.
Dat mag ik waarschijnlijk uitleggen. Kort gezegd is het blog een eindeloze reeks van dezelfde twee cijfers. Toch kan het op een verhaal lijken. Ik ben, cynisch gezien, een grote blob van materie, geordend als cellen en chemische processen, vul hier uw uitgebreide kennis van het menselijk lichaam maar in. Maar ik kan denken. Denk maar aan een steen die ergens op de bodem van de zee ligt. Deze steen bestaat. Ik denk dat we hem zelfs kunnen vinden als we er naar gaan zoeken. Voordat ik dit voorwerp hier benoemde bestond het ook al, alleen was het ongenoemd, buiten contexten, onaanschouwd, men had er zelfs geen voorstelling van gemaakt. Toch bestond het. De steen was niet lelijk of mooi, niet groot of klein. Die steen was een ding op zichzelf en koud gezien is hij dat nog altijd. Zojuist heb ik echter de steen herschapen tot een beeld in de gedachten. Die steen bestaat feitelijk, en ik bedoel puur koud feitelijk, niet. Anders gezien bestaat die steen wel. Weer anders gezien bestaat die steen als enige, maar die stroming hang ik niet aan dus dat mag je wat mij betreft vergeten.
Mijn lichaam bestaat. (Even voor de duidelijkheid, ik ben een gelovig mens. Ik hou er een geloof op na dat voor mij noodzakelijk is om de wereld te begrijpen, om te snappen hoe ik moet leven en om het leven zin te geven. Dat geloof houdt simpelweg in dat de dingen die ik om mij heen waarneem echt zijn.) Ik meen dat we dat als feit mogen rekenen. Er zijn ook niet gek veel mensen die eerlijk menen dat ik me vergis als ik dat zeg. Wat er voor de rest aan mij bestaat is natuurkundig en biologisch onaanwijsbaar en onbewijsbaar. Als ik spreek over mijn geest, over mijn fantasie en over, als we toch bezig zijn, mijn ziel, dan zijn er genoeg boze tongen, inclusief die van mijzelf, die beweren dat deze allemaal verzonnen zijn. Ze zijn verzonnen en ze zijn een vernisje over de werkelijkheid. Iedereen die op basis daarvan concludeert dat de menselijke geest niet bestaat, dat de fantasie geen werkelijkheid bevat en dat er geen ziel is die naar de hemel gaat puur omdat mensen dat verzonnen hebben verdient een opgetrokken wenkbrauw.
Vernisjes bestaan ook, weet u. Als mensheid mogen we allemaal trots zijn op die laagjes onwerkelijkheid. Ze zijn onze grootste en mooiste creatie.
Hugo Maat.
6.1.10
Esnesnon 6-1-10
Begrijp me niet verkeerd, ik heb plenty redenen om geen zelfmoord te willen plegen. Begrijp me wederom niet verkeerd, ik heb daarnaast nog eens plenty redenen om het niet te doen ook. De echte redenen zijn te saai of te ingewikkeld om te benoemen. De hier volgende redenen zijn niet even belangrijk of even sterk beargumenteerd, maar het zijn wel de leukste redenen, naar mijn mening.
Ten eerste: Ik zou dolgraag willen weten of iemand zich schuldig zou voelen als ik mezelf om zeep zou helpen. Ik heb het nooit door als mensen me hebben gekwetst of beledigd tot ze het zeggen omdat ik er niet op let. Soms heb ik het gevoel dat er nog iemand rondloopt die meent mij ernstig beledigd te hebben zonder dat ik ervan weet. Met zelfmoord wordt dit wel wat extreem, dan gaat het echt aan me knagen denk ik. De tijd om erachter te komen is dan gewoon om en dat zit me dwars. Vandaar dat ik nog even blijf leven.
Reden twee. Ik zou eigenlijk iemand met me mee moeten nemen. Niet gewoon suicidaal, maar meer een dubbele moord. Het slachtoffer zit dan op de achterbank van de auto die ik bestuur (zonder rijbewijs, eh, met dit weer) en schreeuwt dat ik me nog doodrij waarop ik grijnzend antwoord dat ik dan tenminste hem met mij meeneem. Cue maniakaal gelach en een dodelijk ongeluk. Och, of wat zeggen we dan van een regelrechte aanslag? Bommen omgegord, de Suzuki Swift in zijn twee (ditmaal met explosieven aan boord, anders krijg je nooit een bus stuk) en Pearl Harbor in zicht met de twee torens van het World Trade Center die puur voor de compilatie van voorbeelden veertig jaar en een flink stuk verplaatst zijn. Misschien ben ik dan toch een gezelschapsmens.
Ten derde en hier laat ik het bij. Ik vind het ergste van alles dat ik geen goede methode kan verzinnen. Tuurlijk, mogelijkheden zijn er te over en ik kan heus wat leuks bedenken, maar zelfs het meest gruwelijke is niet goed genoeg. Ik ken toevallig een heel stel morbide mensen en ik beeld me dan in wat ze tegen elkaar zeggen op mijn begrafenis. 'Ze hebben nog stoffelijk overschot gevonden, dat valt me nou van hem tegen.' 'Zelfdoding door seks met een dolfijn in een leren stekelpak, niet zo dramatisch als ik van hem verwacht had.' 'Voor een trein springen in een fluorecerend strak pakje en een groot stopbord? Kom op, verzin dan iets leuks.' Ik kan het niet gek genoeg verzinnen of ik heb het gevoel dat ik mensen teleurstel. Ik heb verwachtingen waar te maken met mijn zelfmoord, dus tot ik de absoluut ultieme krankzinnige methode heb gevonden moet ik maar blijven leven.
Oftewel, het komt allemaal prima deluxe in orde met mij.
Hugo Maat.
6.11.09
Dr. Whoohoo's Novel Chapter 5.
De stad van de priesters was een kolos van zwart en grijs. De stenen van de muren en de torens hadden de kleur van een stormachtige lucht, het hout van andere gebouwen was grijzig of gewoon heel donker. Alle daken waren ofwel zwart van betering of zwarte dakpannen, of helder grijs van leisteen. De stad stond dichtbij de rivier in het landschap als een groot schip alleen op zee. Het vlakke land rond de rivier werd plotseling onderbroken door de kolossale muren en de daartussen oprijzende berg van steen en hout, steeds hoger wordend alsof de gebouwen tegen de zijden van een kegelvormige berg op waren gebouwd. Helemaal in het midden van de stad rees boven alle andere gebouwen een ronde stenen toren op, zo breed als de koepel van de Tempel. De top van de toren was vlak en aan de randen afgezet met afgeronde kantelen. Een enkel raam gluurde door de muren uit over het landschap.
Het was nog redelijk licht buiten, maar de stad leek in zijn verschijning het licht van de wereld te negeren en van zich af te schudden. Het leek alsof er een eeuwige donkere wolk over hing, alsof er een vuur brandde in de straten dat dikke roetwolken langs de ronde toren naar de hemel uitstootte. Nabij de muren hielden de akkers en graslanden op en was de grond hard en zanderig. Het zandpaadje ging halverwege het gezelschap en de stadsmuren over in een geplaveide weg. Nabij de poorten heerste ook meer bedrijvigheid. De weg was druk bezet met komende en gaande stedelingen, met handelaren die bij de poorten hun waren uitstalden en omroepers die elkaar probeerden te overtreffen.
‘We zijn inderdaad voor de avond aangekomen,’ zei Camille.
De priesteres schudde vertwijfeld haar hoofd. ‘Van de Tempel naar de stad is geen dagreis. Verre daarvan. Te voet is het meer dan een week lopen uit de bergen en langs de rivier.’
‘We zijn er,’ zei de reiziger. ‘Waar kom ik te weten waar de Engel is?’
‘De toren in het midden van de stad is de Tempel van de priesters.’
‘Daar gaan we heen.’
‘Misschien kunnen we er wel als gasten verblijven,’ opperde Camille. ‘Het zal niet lang duren voordat de avond invalt.’
‘Als de nacht valt sluiten de poorten,’ zei de priesteres. ‘We zullen hoe dan ook een verblijfplaats moeten vinden in de stad. Ik hoop dat ze ons vriendelijk ontvangen. Ik hoop dat het iets voor ze betekent dat ik een priesteres ben, hun verwante.’
‘Ze zullen ons ontvangen,’ zei de reiziger alleen. Hij liep zonder vertraging op de open poorten toe. Daarachter was de drukte en bedrijvigheid in de kleine straatjes al te zien. Camille bleef dicht bij hem terwijl de mensenmassa en het lawaai groter werd, Irene kon weinig anders doen. Camille probeerde onder het lopen nog dingen te vragen aan de reiziger of aan de priesteres, maar de eerste hoorde haar niet door het gedruis van het stadsleven en de ander had al genoeg moeite met zichzelf door de drukte heen te werken.
‘Hoe weet je waar je heengaat?’ vroeg Camille uiteindelijk aan de reiziger. De straatjes waren redelijk smal en kronkelden tussen de hoge huizen door. Het was redelijk donker, niet alleen door de langzaam invallende avond maar ook door de huizen die aan beide kanten van de straat lichtjes overhelden en een hoge boog vormden boven de straten. Er waren allerlei uithangborden maar geen wegwijzers. Allerlei mensen liepen allerlei kanten op, zowel op de straten als op trappen, overspanningen en balkons, touwbruggen tussen gebouwen die verdiepingen boven de grond hingen, maar de reiziger baande zich een pad door de menigte, richting een gebouw dat niet in het zicht lag.
‘Ik volg de weg die de roep wijst,’ zei hij alleen maar.
Halverwege onder het lopen moest Camille de reiziger even aan zijn arm trekken en tegenhouden omdat Irene het niet goed meer bijhield. De reiziger kon zichzelf veel gemakkelijker en sneller door de menigte verplaatsen dan de dame met de grijze haren. Hij wachtte geduldig tot Camille zijn arm losliet en hij weer even snel doorliep.
‘Hoe kan iemand hier ooit zijn weg vinden?’ vroeg Camille aan de priesteres, maar ze kreeg geen antwoord. Blijkbaar had de priesteres zelf genoeg moeite met de weg te vinden.
Toen de reiziger de Tempel vond bestond er geen twijfel of het de juiste plaats was of niet. Voor de Tempel was een groot plein, het enige plein dat ze tot dusver tegen waren gekomen, dat vrijwel leeg was, zeker vergeleken met de straten waar ze net doorheen waren gelopen. De meeste mensen bewogen zich langs de randen van het plein, alsof er nog een gebouw middenin stond. Aan de overzijde van het plein stond een grote zuilengalerij op een verhoging die met brede trappen bereikbaar was. Daarboven begon zich de toren uit te strekken. In de zuilengalerij was ook een brede houten deur te zien. Tussen de zuilen bevonden zich geen gewone stedelingen. Wel stonden er wachten, die in de rest van de stad nauwelijks te vinden waren. De wachten droegen lange maliënkolders en zwarte mantels, hun voeten gestoken in stevige laarzen. In hun handen hielden ze lange hellebaarden met zwarte vaandels aan de bovenkant bevestigd. Hun gezichten richten zich allemaal op de reiziger toen hij zonder zijn pas te vertragen de trappen naar de zuilengalerij betrad. Ze gingen verstaan en twee van hen liepen op hem toe. Camille en Irene hielden in voor de trappen maar de reiziger liep door richting de deur. De twee wachters versperden hem de weg.
‘Halt,’ zei er een. ‘U kunt hier niet verder.’
‘Ik moet verder,’ zei de reiziger. ‘Ik wens toegang tot de Tempel.’
‘En wat zijn uw zaken daar dan?’ vroeg de wachter. ‘We laten niet zomaar paupers toe in de heilige plaats. U kunt maar beter een goede reden hebben.’
‘Ik moet weten waar de Engel is.’
‘Want?’ De wachter fronste en keek met toegeknepen ogen naar de reiziger, die niet verblikte of verbloosde. De andere wachter had het niet goed genoeg verstaan naar zijn zin.
‘Ik sta voor hem in,’ zei de priesteres, die zo snel als ze kon de trappen op liep, voordat de reiziger iets zou zeggen wat hen compleet de toegang zou ontzeggen. De wachters deden een stap terug en rechtten hun rug.
‘Priesteres,’ zei een van de wachters bars.
‘Vergeef hem,’ zei ze, terwijl ze de schouders van de reiziger pakte. ‘Hij is niet bekend met de gebruiken hier.’ De reiziger zweeg.
‘U wenst toegang tot de Tempel?’ vroeg de andere wachter.
‘Jazeker. Ik wens mijn broeders te raadplegen. We zijn van ver gekomen.’
De wachters stapten terug. Eén liep naar de deur en opende die.
‘Komt u verder. Ik zal uw aanwezigheid bekend maken.’
De priesteres liep met statige waardigheid naar binnen, op de voet gevolgd door de reiziger en Camille. Binnen in de Tempel zette de zuilengalerij zich voort. Ze betraden een ronde zaal, die de complete breedte van de toren in beslag nam. De hele zaal was gevuld met grote zwarte pilaren die naar een rijkelijk versierd plafond met witte en zwarte patronen rijkten. De vloer was van graniet, erin waren ringen van zwarte steen die als steeds verder uitwijdende kringen om het midden van de zaal heen lagen. Langs de anthracietgrijze wanden liepen lange trappen omhoog en acht van de pilaren waren aan de binnenkant voorzien van een wenteltrap. Fakkels hingen in ijzeren houders aan de muren, maar het werkelijke licht was overal en nergens, een spookachtig grijs halfduister dat tussen de zuilen zweefde. De zaal was volkomen leeg en iedere voetstap stierf weg in de omvang van de ruimte. De wachter luidde een bel vlak bij de ingang van de ruimte.
‘Er zal dadelijk iemand komen om u te ontvangen. Ik zal terugkeren naar mijn wacht.’ Met een buiging liep hij naar buiten.
‘De priesters zijn zeker allemaal boven,’ zei Camille op fluistertoon tegen Irene, overweldigd door de grootte en de stilte van de zaal.
‘De meeste priesters zijn nu buiten, in de bordelen, de gokhallen of in de kroegen,’ zei de priesteres verachtelijk. ‘Ze zijn de rijkste inwoners van de stad en leven ernaar. Boven ons zitten de priesters die nog werk te doen hebben of de hogepriesters, wiens inkomen voldoende is om hun pleziertjes binnen de muren te halen in plaats van zelf naar buiten te hoeven.’
Camille zette grote ogen op.
‘Bedoelt u dat...’ begon ze. ‘Ze hebben niet dezelfde visie op het priesterschap als de priesteressen,’ vervolgde Irene. ‘Ze zien zichzelf als de bewaarders van kennis en uitvoerders van een heilige taak, maar ze vinden tegelijkertijd dat ze voor hun taken beloond horen te worden. Dat is ook precies wat ze doen, zichzelf belonen.’
De reiziger liep naar het midden van de ruimte, naar de binnenste granieten cirkel. Hij stond daar temidden van de zwarte kringen en keek om zich heen. De priesteres sloeg hem gade. De reiziger schopte half met zijn laarzen over de stenen heen, alsof hij zijn voeten veegde.
‘Reiziger?’ vroeg de priesteres. Hij keek op. Op dat moment kwam er net een man de wenteltrap afgelopen. Hij droeg een wit gewaad met meerdere lagen, bestikt met goud en omzoomd met purper. De kanten afzettingen zwierden over de grond en ondanks de enorme omvang van het kledingstuk was zijn dikke buik goed te zien. Twee kleine ogen keken over twee gloeiende wangen door een bril naar de drie gasten.
‘Gegroet,’ zei hij met een redelijk hoge stem. ‘Zuster,’ knikte hij de priesteres toe. ‘Geëerde gasten. Welkom in de Tempel. Wij zijn verheugd u te mogen vergasten.’
‘Dank u,’ zei de priesteres. De reiziger bedankte ook, uitdrukkingsloos.
‘Kom maar mee,’ zei de priester. Hij glimlachte als een klont boter. ‘Na uw reizen in de onbeschaafde buitenwereld zult u vast toe zijn aan een goed maal...’ Hij onderbrak zichzelf even om goed te puffen terwijl hij de eerste stappen op de trap nam. ‘Een goeie plaats om even neer te ploffen, iets te drinken. Goede dingen.’
‘Ik heb een vraag,’ zei de reiziger.
‘Laten we eerst even rust nemen, m’n jongen,’ zei de priester over zijn schouder terwijl de reiziger op de wenteltrap toeliep. ‘Tegen de tijd dat ik hier boven ben moet ik nodig op adem komen.’
‘Precies,’ zei de priesteres, terwijl ze achter de priester aanliep. ‘Laten we eerst hun gastvrijheid eren voordat we ons met dergelijke zaken bezighouden.’ Ze wierp een waarschuwende blik op de reiziger. De reiziger volgde de priesteres, Camille sloot de rij.
‘We krijgen niet vaak zulk bijzonder bezoek. Een bijzonder gezelschap zoals jullie, bedoel ik,’ pufte de priester. De trap was redelijk lang. Het viel in het niet vergeleken met de trap die de reiziger en Camille vanaf het Gasthuis hadden afgelegd, maar de priester had al genoeg moeite met deze.
‘Het is wel typisch dat ík juist op en neer moet,’ zei de priester. ‘Ze hadden ook iemand anders kunnen laten traplopen. Ik word er zo moe van.’
‘Hoeveel priesters zijn er?’ vroeg Camille een paar treden lager.
‘We zijn hier toch echt met honderd man, denk ik. Ik kan er een paar naast zitten. Maar er is ook altijd veel te doen, dus dat is wel nodig.’ Hij lachtte en begon gelijk iets meer te puffen. Halverwege hield hij even in om tegen de muur te zakken en met zijn hand op zijn buik op adem te komen.
‘Het zou allemaal niet geven, maar het is zo’n lange klim, vinden jullie ook niet?’ zei hij.
‘Nou,’ begon Camille.
‘Oh ja, jullie komen helemaal uit de bergen,’ zei de priester. ‘Daar zal het helemaal klimmen zijn. Dan heb ik natuurlijk geen recht om te klagen. Hola, daar gaan we weer!’
Hij hervatte zijn klim. De priesteres begon ook al met meer moeite te lopen en de reiziger stapte eindeloos door. Naarmate ze dichter bij het einde van de trap kwamen werd het warmer.
‘Nou, we zijn er,’ zei de priester, terwijl hij de zaal bovenaan de trappen betrad. Het betrof een ronde kamer met aan de randen vier openingen naar de wenteltrappen naar beneden, vier openingen naar andere wenteltrappen verder naar boven, en vier grote bogen. Door de ene boog was een gelagkamer te zien, vol stevige houten tafels, waar kroezen bier op stonden. Een tiental priesters zat er met elkaar te lachen en te zingen en dobbelstenen rolden over de grond. Door de andere boog waren vuren te zien met ijzeren roosters erop. Op de roosters lagen stukken vlees die gebraden werden. Stevige mannen met schorten voor en lange ijzeren poken draaiden het vlees om. Door de derde boog was een ruimte te zien waar priesters met elkaar aten uit houten nappen met hun handen. Vet droop van hun handen en kinnen. Door de derde boog was een gang te zien met meerdere deuren aan weerszijden.
‘Bezoek!’ riep de priester die het gezelschap naar boven had geleid. Ze werden met gejuich door een aantal priesters begroet. ‘Welkom,’ zei een monnik met pullen bier in zijn handen. ‘Kom en drink met ons mee.’
‘We worden vereerd met de aanwezigheid van een priesteres!’ zei een ander. ‘Dat is lang geleden!’
De reiziger ging vlak achter de priesteres staan en fluisterde in haar oor.
‘Dit is alleen maar afleiding. Ik moet weten waar de Engel is.’
De priesteres knikte.
‘Dat weet ik,’ fluisterde ze terug. ‘Maar we moeten ze eerst hun zin geven en op hun uitnodiging ingaan. Hou je rustig in de tussentijd.’
De reiziger ging zitten aan één van de tafels in het drinkvertrek en dronk het bier mee. Hij nam geen deel in het feestgedruis en zijn gezicht veranderde niet. Camille ging tegenover hem zitten. Haar gezicht glom en ze keek lachend naar alle vrolijkheid om haar heen. Ook zij kreeg een bierpul, waar ze kleine slokjes uit nam. De priesteres dronk niet maar praatte geanimeerd met een priester over hoe de omgeving erbij lag en hoe de reis was verlopen. Het verbaasde Camille hoe eenvoudig de priesteres in de menigte meedraaide. Ze viel erg op: haar gewaad was relatief er sober en zijzelf was broodmager vergeleken met de priesters. De reiziger dronk alsof het bier water was en gaf geen krimp. Ze keek hem bezorgd aan.
‘Wat is er?’ vroeg ze hem. Hij keek koud. ‘Ik moet weten waar de Engel is,’ zei hij.
Het duurde minstens een uur. De priesteres hoorde verhalen aan van de priesters, ze hadden het over velerlei zaken, maar geen van de gespreksonderwerpen waren verheven. De reiziger ledigde zijn bierpul, kreeg er nog één, dronk die ook leeg, en al die tijd hield hij zich alleen maar rustig, zoals de priesteres hem gezegd had. Af en toe werd hij op zijn rug geslagen, of gewoon vreemd aangekeken, maar hij toonde geen reactie. Camille deelde in zijn stilte. Uiteindelijk vroeg de priesteres aan één van haar gespreksgenoten of ze iets konden bespreken, de ware reden dat ze daar waren gekomen. De priester drong er eerst op aan dat ze nog wat zouden eten en langer zouden blijven, maar de priesters drong zacht maar dwingend aan. De reiziger keek scherp op en maakte aanstalten op te staan. Camille keek op van haar eerste pul, die nog niet leeg was.
‘Serieuze zaken,’ zei de rood aangelopen priester. ‘Voor serieuze zaken moet u denk ik een hogepriester spreken. Wij voeren de minder grootse taken uit. Ik denk dat u voor uw vragen ook boven moet zijn.’
‘Kunt u me even begeleiden en aankondigen?’ vroeg de priesteres. De priester gaf met tegenzin toe aan het verzoek een wenteltrap op te lopen. De reiziger en Camille volgden.
Ze liepen door de hoger gelegen vertrekken, die aan alle wanden voorzien waren van kunstige tapijten en standbeelden of frescos. De lucht was zoet en warm. De priester leidde hen tot een schrijfvertrek en draaide zich toen met een groet om. Hij ging weer naar beneden om het einde van de dag te vieren. Het schrijfvertrek was al even rijk versierd, met rode tapijten op de vloer en kandelaars in alle hoeken. De boekenkasten stonden vol. Achter een brede tafel zat een brede man met een rode halve mantel over zijn wit met gouden gewaad heen. De priesteres en Camille namen plaats op stoelen voor het bureau, de reiziger bleef staan.
‘Zuster,’ zei de hogepriester met een hoofdknik. ‘Welk een genoegen. Kan ik u van dienst zijn?’
‘Ik ben hier niet om zelf vragen te stellen,’ zei de priesteres. ‘Ik wil graag het woord geven aan de reiziger.’
De hogepriester keek naar de reiziger, die midden in het vertrek op het rode tapijt stond.
‘Ik moet de Engel vinden,’ zei hij.
-----------------------
69.918 tekens. Ik ben bijna op een derde van de wordcount en in ieder geval over een kwart van mijn verhaal. Veel van mijn buitensporige hoeveelheden energie van vanavond zijn te danken aan de consumptie van meer dan een dagelijkse aanbevolen hoeveelheid voedsel voor een volwassen man in één maaltijd. Daar ga ik pas van stuiteren. As always, thanks for reading.
Hugo Maat.
5.11.09
Dr. Whoohoo's Novel Chapter 4.
Toen Camille door een priesteres gewekt werd zat de reiziger al rechtop op het bankje bij de fontein. Irene was bezig de windsels van de dag ervoor te verwijderen. De wonden waren gesloten en op veel plaatsen verdwenen. Camille ging rechtop zitten, zich schamend dat ze door was geslapen. Ze rekte zich uit. De reiziger tastte naar zijn hoofd en fronste.
‘Ik ben erg snel genezen,’ zei hij.
‘Dat, of je ligt hier erg lang,’ zei de priesteres met een glimlach. ‘Nee, we hebben je gisteren pas verbonden. Je was behoorlijk toegetakeld.’
‘Wat hebben jullie gedaan,’ vroeg hij terwijl hij alle plaatsen afging waar de stenen hem getroffen hadden. ‘Dit is normaal niet zo snel geheeld.’
‘Dat is ons geheim,’ zei de priesteres. ‘We zullen je het antwoord schuldig blijven. Het doet als mysterie niet onder voor de herkomst van die wonden.’
De reiziger ging er niet op in.
‘Ik dank u voor uw hulp,’ zei hij.
De priesteres boog licht. De reiziger ging staan en inspecteerde ook even de geheelde schrammen op zijn armen. Hij wreef in zijn ogen.
‘Ik neem aan dat je hier niet lang blijft,’ zei Irene ineens ernstig.
‘Dat klopt,’ zei de reiziger. ‘Ik moet verder.’
‘Kunnen we jullie nog iets te eten aanbieden voordat jullie vertrekken?’ vroeg ze.
‘Dat is goed. Ook wil ik nog iets vragen.’
‘Dat kan altijd,’ zei de priesteres. ‘Kom, dan krijgen jullie een ontbijt. We zouden jullie niet laten vertrekken zonder eerst goed gegeten te hebben. Dat geldt helemaal voor jou, reiziger. Je bent eigenlijk nog een herstellend patiënt.’
‘Ik ben niet langer gewond,’ zei de reiziger. ‘Ik ben goed in staat verder te gaan, ware het niet dat ik eerst wil weten waar ik uw wederhelft kan vinden.’
‘Pardon?’ vroeg de priesteres zacht terwijl ze gingen zitten. ‘Wat zei je?’
‘U sprak over een wederhelft van deze Tempel, een wederhelft van de priesteressen. Ik wil weten waar ik dat kan vinden.’ De priesteres ging wat rechter zitten.
‘Ik meen dat je de weg moet kunnen vinden met wat wij je verteld hebben,’ begon ze. ‘Het is niet nodig onze wederhelft te bezoeken.’
‘U heeft mij getoond hoe ik de richting moet vinden. Dat is erg belangrijk. Het feit blijft echter dat ik niet weet waar de Engel is. Ik kan nu wel de weg vinden maar ik weet niet waarheen. U zei dat deze wederhelft wel weet waar de Engel is. Die kennis heb ik nodig.’
‘De kennis waar de Engel zich bevindt is een ander antwoord op dezelfde vraag, met dezelfde uitkomst. Het is slechts een andere visie,’ zei de priesteres.
‘Dat mag zo zijn,’ zei de reiziger. ‘Ik zal deze wederhelft bezoeken en achterhalen waar de Engel is. Daarbij weet ik dan ook hoe ik er moet komen. Dat is samen voldoende om mijn reis te volbrengen. Ik heb besloten. Nu wil ik graag van u weten hoe ik uw wederhelft vind.’
Een priesteres was binnen gekomen met eten. Camille mengde zich niet in het gesprek en luisterde terwijl ze at. De reiziger negeerde het bord volkomen.
‘Onze wederhelft ziet de wereld anders,’ zei Irene. Ze beet op haar lippen. ‘Het is moeilijk hen te raadplegen.’ De reiziger knikte maar bleef kijken. ‘Ik zal je vergezellen naar hen toe.’
‘Dank u,’ zei de reiziger. ‘Hoe komen we daar?’
‘Er loopt een pad uit de bergen, een pad dat uitkomt op een rivier in de vallei beneden. Als je dan de rivier volgt kom je uit bij de plaats waar ze wonen.’
‘Wie zijn die mensen dan?’ vroeg Camille.
‘Zij zoeken hetzelfde als wij,’ zei de priesteres. ‘Ook zij dienen het Goddelijke, of wenden het tenminste voor. We verschillen alleen van mening over de wijze waarop dit zou moeten gebeuren. Zij zijn de priesters. Hun huis noemen zij eveneens de Tempel, hoewel,’ de blik van de priesteres werd koud. ‘Hoewel die plaats zijn naam niet waardig is. Evenmin verdienen zei het werkelijk priesters te worden genoemd. Wij leven in stilte en rust, dicht bij het Goddelijke. Zij daarentegen hebben gekozen bij de gewone mensen te leven, om als gewone mensen te leven. Erger nog. Ze hebben hun pseudo-Tempel tenmidden van de woningen van het volk geplaatst. Zij leven op een plaats die zij de stad noemen.’
‘Maar zij weten wel waar de Engel is,’ zei Camille.
‘Dat klopt. In de Tempel hebben we nooit veel waarde gehecht aan die kennis en dat is ook nooit overgeleverd. De ware kennis is altijd toegankelijk in het Goddelijke, dus wij hebben geen behoefte gezien dergelijke feiten op schrift te stellen.’
‘Het is opgeschreven?’ vroeg de reiziger.
‘Ja,’ zei Irene. ‘De priesters hebben hun kennis en hun denken toevertrouwd aan het perkament, al eeuwen. Hun kennis ligt daar opgeslagen, veilig voor de vergankelijkheid van de mens. Ze vertrouwen op het perkament, alsof dat onvergankelijk is. Ze zijn echter hun blik verloren op hetgene dat werkelijk onvergankelijk is en als enige bron van kennis zou moeten dienen. Ik blijf erbij dat het weinig goeds zal doen om hen te bezoeken, reiziger, maar als dat jouw keuze is zal ik je daarheen vergezellen.’
‘Het is mijn besluit,’ zei de reiziger.
‘Is het niet erg als u de Tempel verlaat?’ vroeg Camille.
De priesteres schonk haar een glimlach. ‘Mijn zusters zullen tijdelijk mijn taken overnemen. Het is belangrijker, meen ik, dat ik met jullie help onderweg.’
De reiziger was begonnen met eten. ‘Als ik klaar ben zal ik vertrekken,’ zei hij.
Onderweg naar de andere uitgang van de Tempel passeerden de reiziger en Camille een aantal vertrekken die ze nog niet hadden gezien, waaronder een achthoekige kamer die zich precies in het midden van de koepel bevond en helemaal leeg was, afgezien van het felle licht dat op de muren weerkaatste. Ze kwamen bij een versierde houten deur, die uitkwam op een lange rechte stenen trap naar beneden. Twee andere priesteressen deden Irene uitgeleide. Ze bogen voor elkaar en de priesteressen gaven Irene twee tassen met voedsel, die de priesteres weer doorgaf aan Camille en de reiziger.
‘Hier,’ zei ze. ‘Jullie zijn een stuk jonger en fitter dan ik, dus ik denk dat het beter is als jullie dit dragen.’ De reiziger nam de tas aan zonder iets te zeggen en bond hem op zijn rug.
‘Ik wens jullie een voorspoedige reis,’ zei een van de priesteressen. ‘Wees voorzichtig.’
‘Bedankt,’ zei Camille. ‘Misschien tot ziens!’
Irene glimlachte en de reiziger begon de trap af te lopen. De anderen volgden hem snel.
Aan het einde van de trap begon een smal pad dat van de witte berghelling af liep, af en toe onderbroken door een stuk houten trap waar het pad te moeilijk begaanbaar was geworden. Soms was een deel van het pad begeleid door een houten railing aan de rand van zeer steile hellingen.
‘Dit is aangelegd om het voor bezoekers eenvoudiger te maken om bij de Tempel te komen,’ vertelde de priesteres. ‘Zonder deze trappen is de helling nagenoeg onbegaanbaar.’
‘Zijn er vaak bezoekers?’ vroeg Camille.
‘Nee,’ antwoordde de priesteres. ‘We leven in rust. Het gebeurt soms dat mensen uit de vallei op zoek gaan naar de wijsheid van de Tempel, maar veelal houden zij zich bezig met andere zaken. Het is een zeldzaam voorrecht om je leven te kunnen wijden aan wijsheid en de Goddelijkheid.’
De reiziger sprak niet onder het lopen. Hij liep vooraan en vorderde sneller dan de anderen, die zich af en toe haastten om hem niet kwijt te raken. Ze vroegen hem niet om langzamer te lopen of om even te wachten. Af en toe keek Camille achterom om hoog op de berghelling de witte en zwarte torens van de Tempel te kunnen zien, steeds kleiner in de verte, tot een bocht in het pad en de gestage daling die ze maakten de torens uit het zicht lieten verwijnen. Voor hen begon zich in de verte al meer van de vallei te tonen.
‘Dat is de rivier,’ zei Irene, wijzend op een zilveren lint in het landschap.
‘Hoe ver is het lopen vanaf daar?’
‘We kunnen daar in de buurt wel een boot vinden, de mensen die aan de rivier wonen gaan soms op en neer naar de stad.’
‘Dat zal niet nodig zijn,’ zei de reiziger. ‘We kunnen het makkelijk te voet.’
‘Dan zijn we vele dagen onderweg,’ bracht de priesteres tegen hem in. ‘Het is veel gemakkelijker de boot te nemen en sneller ook.’
‘We reizen te voet,’ zei de reiziger, zonder om te kijken. ‘Voordat de nacht valt zullen we de stad bereiken. Volg me.’
Als reactie op zijn woorden begon Camille iets sneller te lopen en bleef ze vlak achter de reiziger. De priesteres twijfelde even maar zette toen ook een snellere pas in.
‘Als Michael voorop loopt maakt het niet uit hoe ver we reizen,’ zei Camille tegen de priesteres hoewel de reiziger dichtbij genoeg was om het te horen. ‘Dat merkte ik ook toen we naar de Tempel gingen. Ik weet niet hoe het komt.’
‘Hij is de reiziger,’ zei Irene. ‘Ik denk dat het één van de machten is die de roep aan hem heeft toegekend. We zullen zien hoever we het vandaag halen.’
‘We zullen voor de nacht in de stad zijn,’ zei de reiziger alleen.
Het pad liep vanuit de bergen een stuk grasland in, sporadisch bebost. Hier en daar waren nog heuvels en rotspartijen, maar het land was duidelijk een stuk lager. De rivier was dichtbij. De lucht was blauw en op een paar dunne wolken na helemaal leeg. Het pad was een zandpad geworden.
‘Kijk,’ zei Camille met een lach na een tijdje. ‘We zijn niet alleen.’ Ze wees op twee geitjes die op het gras stonden. Er klonk meer geblaat in de verte.
‘Dan zal er ook wel een herder zijn ergens. Zeker weten of we niet even naar een boot zullen vragen?’ zei de priesteres tegen de reiziger.
‘We gaan te voet,’ zei hij. ‘Dat is alles wat we nodig hebben.’
‘Bent u moe?’ vroeg Camille. De priesteres schudde haar hoofd.
‘Dat is het niet,’ zei ze. ‘Ik kan heus nog wel lopen. Ik weet alleen niet of ik dat nog veel langer kan.’
‘Ik vertrouw op Michael. Als hij zegt dat we voor de avond bij de stad zijn dan is dat zo.’
‘Je bent al bijna zo vastberaden als de reiziger,’ zei Irene. De reiziger zei niets.
Ze kwamen bij de rivier. Het pad was hier verder uitgesleten door karresporen en liep langs de lengte van de rivier, geflankeerd door populieren. Camille trok in haar hoofd een denkbeeldige lijn langs de toppen van de ruisende populieren en langs de kanten van de weg. In haar hoofd volgde ze het perspectief van het verzicht voor zich.
‘Zullen we even pauze houden en iets eten?’ vroeg de priesteres.
‘Waarom?’ vroeg de reiziger. Hij hield voor het eerst sinds hij van de trap bij de Tempel af was begonnen te lopen de pas in.
‘We zijn al een flinke tijd onderweg,’ zei ze. ‘We moeten wel zo haast iets eten.’
‘Heeft u honger?’ vroeg de reiziger.
‘Nou, nee,’ antwoordde ze. ‘Maar laten we toch wat eten.’
‘Ik weet niet of we wel echt zo lang onderweg zijn,’ zei Camille.
‘Maar we zijn al zo ver gekomen,’ zei de priesteres. ‘We hebben al veel gelopen.’
‘De reis is nog niet afgelopen,’ zei de reiziger. ‘Ik moet voor het einde van de dag in de stad zijn. We zullen verder gaan en eten wanneer dat nodig is.’
‘Ik geloof niet dat we echt lang onderweg zijn,’ zei Camille terwijl de reiziger de pas weer inzette en zij volgde. ‘Ik zou niet weten hoe laat het is of hoe laat we vertrokken.’
De priesteres zweeg terwijl ze meeliep. Ze kwamen af en toe langs een hutje langs het pad, en soms kwam er een bootje langs, gezeild of gewoon rustig meedrijvend met de stroming. De priesteres zag het aan maar zei niets. Iedereen die ze tegenkwamen groette het gezelschap beleefd, vooral de in het wit geklede dame, een zeldzame verschijning buiten de Tempel. De stukken land aan beide zijdes van de rivier werden steeds minder heuvelachtig en ook minder bebost. In plaats van kuddes geiten en schapen waren er nu steeds vaker akkerlanden te zien.
‘Een stad moet eten,’ zei de priesteres tegen Camille. ‘Deze mensen staan een deel af wat ze van het land halen aan de priesters, en houden net genoeg over om van te leven.’
‘Waarom zouden ze dat doen?’ vroeg Camille terwijl ze naar de boeren keek die argwanend opkeken naar het voorbijlopende drietal.
‘De priesters worden gehoorzaamd omdat de mensen hier denken dat ze dat moeten. Als de priesters om eten vragen geven deze boeren gehoor. Niet dat het allemaal verkeerd is, een deel van het opgehaalde eten wordt aan de andere mensen in de stad gegeven. Het meeste gaat echter naar de priesters zelf.’
Camille was even stil. ‘Maar waar halen u en de andere priesteressen het eten dan vandaan, daar boven in de tempel?’ vroeg ze toen.
‘Dat is een deel van de gratie en overvloed die de Goddelijkheid ons biedt,’ zei de priesteres. ‘Wij kunnen vertrouwen op dergelijke vrijgevigheid. De priesters kunnen dat ook, maar geven de voorkeur aan het zich toeëigenen van wat de arbeid hier opbrengt. Dat is één van de redenen dat we niet goed met elkaar overweg kunnen, onze orde en de hunne.’
‘Zijn jullie altijd al apart geweest?’ vroeg Camille. De priesteres schudde haar hoofd. ‘Ooit zijn we als gelijken als dienaren van de Goddelijkheid begonnen. Die tijd is nu voorbij, we verschillen teveel van elkaar. Mijn bezoek aan hun Tempel zal het eerste contact tussen de priesteressen en priesters zijn in jaren. Ik weet niet wat we kunnen verwachten.’
‘Maakt u zich zorgen?’ vroeg Camille.
‘Niet echt,’ antwoordde ze. ‘We respecteren elkaar nog wel. Ik weet alleen niet hoe hoffelijk we onthaald worden en of ze wel gehoor zullen geven aan de reiziger.’
‘Ik moet weten waar de Engel is,’ is het enige wat de reiziger zei. ‘Daar zullen we het antwoord vinden.’ Hij wees vooruit, naar de stad die op hen wachtte.
Na even een dagje rust te hebben genomen van het schrijven ga ik vandaag weer even fanatiek eraan. Ik zit erover te denken om vandaag even drie dagen quotum in één dag te pakken. Mogelijk staat hoofdstuk vijf voor het avondeten online. Ik geniet van het schrijven.
Hugo Maat.