16.5.12

Esnesnon 16-5-12

Het is maar heel af en toe dat ik mezelf toespreek met een stem die niet de mijne is. Soms duikt een flard van vroeger op, een argument of standpunt dat zo sterk gebonden is aan de persoon die het aan me introduceerde, dat het in die stem moet. Het gaat om originaliteit en effect. Accuratesse is een minder grote zaak, want de exacte woorden hoef ik niet mee te nemen en het zou nog best wel eens kunnen dat ik tot gevolgtrekkingen ben gekomen die de bron van het idee niet zelf aan zou voeren. Het is niet anders dan een truc van het geheugen, een zoveelste vreemde eigenschap van mijn denken. Zo heel nu en dan voer ik een spreker op, alsof de gedachte en de denker één zijn, en alsof ik telepathisch in contact sta met een ander. Ik leg even nadruk op 'alsof,' want ik ben me er zeker van bewust dat ik niet werkelijk telepathisch ben.

De gedachte, en die gedachte is corrosief voor mij, is dat alles fictief is. Het ging oorspronkelijk over romantiek en het idee dat alle liefde zoals we het kennen uit boeken en andere vormen van fictie zou komen. Heel moeilijk te transponeren naar andere aspecten van het bestaan is het niet. Hoe zou ik moeten weten wat normaal is - hoe wordt iets überhaupt normaal - zonder cultuur en zonder de dragers van cultuur? De overstap van fictie naar werkelijkheid gebeurt vaak in de wereld van deze visie, en dit verbaast me. Ik ken zelf dat gebeuren van nabij en hoe langer hoe meer vind ik het vreemd dat het kan. En omdat ik het voorlopig niet zelf uit kan leggen, daar de gedachte nog niet tot wasdom is gekomen, is de voorlopige conclusie dat ik het zelf in ieder geval niet kan.

Na een jaartje of wat op contingentie te hebben gejaagd heeft deze Phaedrus een nieuw spook gevonden, meen ik. Jaag, jaag, denk, denk, en wis alle sporen in de sneeuw zodat ze je niet kunnen vinden.

Hugo Maat

14.5.12

Esnesnon 14-5-12

Ik weet zeker dat ik het al een keer eerder hier heb vermeld: ik verkies nachtmerries boven mooie dromen. Niet wegens de ervaring zelf, maar wegens het wakker worden. Na een nachtmerrie is wakker worden een opluchting, een einde van de angst voor denkbeeldigs. "Gelukkig, het was maar een droom," zegt men dan. Een goede droom eindigt andersom, met een herinnering aan het feit dat de wereld niet zo mooi is als in dromen. Een mooie droom eindigt in teleurstelling. Na zo'n wensdroom is mijn hele ochtend verpest, zo niet meer. De werkelijkheid is dan een nare plek om te zijn. Misschien draai ik me nog een keer om in de hoop dat ik nog terug mag, maar het mag niet baten. "Wat je droomt gebeurt niet," schijnt mijn oma wel eens te hebben gezegd. Dat was bemoedigend bedoeld, maar voor mij zijn die woorden pijnlijk. Ik droom eigenlijk altijd over leuke dingen.

Een paar dagen terug had ik een droom die me nu nog dwars zit, en dat is een zeldzaam lange tijd. Hij staat me ook helder voor de geest, het merendeel tenminste. In die droom was ik gelukkig. Eerlijk gezegd had ik dat gevoel een beetje opgegeven. Het afgelopen half jaar, als het niet meer is, was ik opgehouden antwoord te geven op de vraag hoe het met me ging. Misschien deed ik het om speciaal te zijn en een protest te voeren, maar misschien wist ik ook het antwoord niet meer. Mijn stopwoordje is 'prima', wat zoveel betekent als 'ik heb geen zin om hierover te praten, maar dat kan ik je niet duidelijk maken zonder dat je erover wilt praten, dus wuif ik het onderwerp weg door te pretenderen een antwoord te hebben.' Nee, ik voelde niet zoveel, en geluk was te abstract en te fictief geworden om me nog te raken. Nu nog steeds, als ik aan het woord 'geluk' denk moet ik eerst door de visie van verschillende filosofen over geluk heen en mijn eigen opgestapelde geraaskal over het onderwerp - tot aan een cryptische korte verhandeling van mijn eigen hand die ik maar ten dele begrijp als ik hem terug lees - voor ik kan zeggen wat het werkelijk is. Om het in mijn huidige terminologie te zeggen, geluk is fictief, iets dat niet met echt gebeurt maar waar ik wel over kan lezen en fantaseren.

Welnu, die droom. Zonder te zeggen wat ze inhield, want ik voel me er niet gemakkelijk bij de details te bespreken, kan ik stellen dat ik daar gelukkig was. Geluk was een directe ervaring, een realiteit. Het was mijn realiteit, ondanks het caveat dat het natuurlijk een droom betreft. Ik kan inmiddels de componenten wel ontleden en de boel onder de loep nemen, en zelfs bedenken waar het vandaan komt en waarom het me raakt, maar dat kon ik op dat moment niet. Sterker nog, ik vermoed dat er een correlatie is tussen die analyse en de kracht van de ervaring; want hoe meer ik puzzel en peins naar aanleiding van mijn rêverie, hoe wranger het contrast tussen droom en werkelijkheid wordt en hoe ellendiger ik me voel. Om maar te zwijgen over het idee dat met deze droom ik een visioen heb gekregen van een heugelijke toestand die ik nooit mee zal maken.

Het idee dat mijn welzijn alleen in dromen en fictie voorkomt heeft me al minstens één keer tot waanzin gedreven. Het is een giftige gedachte, des te gevaarlijk omdat dit zeker geen droom lijkt. Ik heb me zelfs al geknepen.

Hugo Maat

13.5.12

Esnesnon 13-5-12

Sublimeren

Ik moet mijn negatieve energie lozen, door de kwalijke emoties om te zetten in iets positiefs. Ik laat de negatieve gevoelens niet toe aan de oppervlakte of in mijn bewustzijn, althans, dat denk ik. Ik ben naar mijn eigen mening nogal een koele kikker. Het advies is om dan die gevoelens om te zetten in iets leuks of nuttigs. Kunst of sport zijn bij uitstek de voorbeelden: kunst is gesublimeerde seksuele drift, sport is gesublimeerde agressie. Althans, dat is Freud. Goed, dat eerste is Freud, hij was niet zo van de sport.

Olanzapine dag 24 (geloof ik)

Vandaag een kortstondige aanval van hoofdpijn: een kloppen aan de zijkant van mijn hoofd, ter hoogte van de slapen maar iets verder richting de oren. Heb het al eerder meegemaakt deze weken, wat me doet vermoeden dat het erbij hoort. Het trok wat aandacht die ik er niet bij wilde hebben, en nu weten twee mensen extra dat ik antipsychotica slik. Breekt ge-wel-dig het ijs op feestjes.

Maar goed, sublimatie. Ik maak muziek - maar dat is op basis van verstand en vaardigheid, niet gevoel. Ik heb wat acteren gedaan - maar dat is controle en pretentie, geen emotie. Ik schrijf gedichten - maar dat is taalbeheersing en gebruik van een repertoire aan poëtische clichés in het donkere gangenstelsel van mijn geheugen. Ik heb een paar tekeningen gemaakt, abstracten - maar dat is imitatie van de stijl van een ander, geen uiting van mijn verborgen gevoelens. Denk ik. Ik heb weleens gehoord dat mensen kunnen schrijven door gewoon de pen op het papier te zetten en het eerste wat in ze opkomt uit de pen te doen vloeien. Dat lukt mij dus nooit. Ik hou altijd mijn kop erbij.

Als een schaker, zei mijn oom. Ik interpreteerde het eerst nog positief, maar daar begin ik nu aan te twijfelen. Bovendien ben ik een hopeloze schaker.

Hugo Maat

10.5.12

Esnesnon 10-5-12

Als iemand doodgaat kan het jaren duren voordat de wereld dit geheel beseft. Brieven van allerhande administraties die nog op hetzelfde adres worden bezorgd, vage kennissen die eigenlijk niet goed ingelicht zijn en op onfortuinlijke wijze de feiten tegenkomen, of zelfs callcenters die vragen of ze ook met iemand kunnen spreken die niet meer aan de telefoon kan komen - ooit. Het is vergelijkbaar met brieven bezorgd op een oud adres na een verhuizing, maar dan iets dramatischer.

Ik vraag me af welke berichten ik in mijn inbox zou krijgen na een eventueel plotseling overlijden, en hoe lang nog. Als niemand mijn identiteit op Facebook uitwist, hoe lang zal ik dan updates krijgen of uitgenodigd worden voor feestjes? Ik heb een paar weken terug mijn telefoon, na ongeveer vier jaar trouwe dienst, uit de handel genomen. Ik weet niet hoeveel berichten en oproepen ik ben misgelopen sindsdien, maar het zijn er ongetwijfeld best wat. Wat mijn telefoon betreft, ben ik dood. Ik ben telefonisch overleden, op zestien april.

En zoals het (in mijn visie) hoort, voelt dat als niets. Ik weet niet of de leegte die ik ervaar een gevoel is, of dat het een gevolg is van mijn fictie die op diezelfde plaats een emotie verwacht: gemis, spijt, opluchting. Ik ken de gewaarwording van leegte, en ik reken het tot mijn eigen emotionele spectrum. Ik herinner me een leegte op station Utrecht Centraal, die in mijn herinnering tot een snijdende kou en een duizelingwekkende afgrond verworden is. Ik herinner me een leegte die mijn gehele lichaamsgewicht naar mijn onderbenen verplaatste tot op het punt dat ik wankelde, op een stille ochtend op de universiteit. Ik weet nog hoe het voelde om vakantie te krijgen en naar huis te wandelen met de leegte in mijn hart. Voel ik nou daadwerkelijk een leegte die er ook daadwerkelijk is, of ben ik van mening dat ik iets zou moeten voelen - om dat vervolgens te missen?

Eén ding weet ik wel. Het is een gevoel van dood.

Hugo Maat

8.5.12

Esnesnon 8-5-12

Welja.

Of niet, natuurlijk. Het verschil is zo klein dat het onderscheid triviaal lijkt te zijn geworden. Ik wandel langs de grens van twee staten die een heel klein eiland in tweeën deelt. Om de haverklap mogen er weer nieuwe stempels in mijn paspoort, zo vaak zelfs dat ik het nauwelijks meer merk.

Meer ter zake wil ik een gedachtengang beschrijven waar ik mee zat toen ik vanavond op de fiets terugreed van repetitie met orkest. Het was een drukke repetitie en de mensen waar ik me normaal aan stoor waren nergens te bekennen, dus mijn humeur was op goed peil. Ik moest voor een paar partijen tegelijk invallen en dat was inspannend en redelijk ingewikkeld. De details en de redenen laat ik hier even onbesproken. Daarnaast had ik een stuk getranscribeerd - oorspronkelijk voor een kwintet strijkers - voor piano en viool en ik testte in de pauze van de repetitie even deze zettingen uit met mijn virtuoze muzikale collega, wat aandacht kreeg van omstanders. Toen kreeg ik een tweetal verzoeken om mensen te helpen bij audities, waar ik joviaal op in ging. Kortom: ik stond midden in de aandacht, was iets aan het doen waar ik goed in ben, en kon glimlachjes en knipoogjes uitdelen en oogsten. Misschien dik ik het iets aan, maar het gaat vooral om hoe ik me voelde.

Toen stond ik in de miezerende regen. Ik zong de eerste twee minuten op de fiets nog een liedje - Ain't that a kick in the head, bekend van Dean Martin - maar dat hield snel genoeg op. Ik was uit het licht, de warmte en de aandacht, en was alleen in de kou en het donker. Voor mij voelde het alsof ik een vrolijk gekleurde, warme jas uitdeed en terzijde wierp en juist in de regen zonder jas kwam te staan. Het doek was gevallen, en er was geen publiek meer, dus ik kon mijn lach laten varen en me overgeven aan de duisternis en de koude. Het is eigenlijk altijd zo geweest, dat ik op die fietstocht op onaangename gedachten kwam. Ik heb die route alleen en samen afgelegd, maar eigenlijk ging ik daar in de kou doorheen, en die kou ging ook door mij.

De gedachte is als volgt: omdat ik 'een jas afleg' als ik de vrolijke wereld van muziek en gezelschap verlaat, ben ik meer mezelf als ik me koud en alleen voel. In mijn eentje ben ik mijzelf. En daar ben ik koud, treurig enzovoorts. Dat is mijn ware gezicht, dat zich dan toont. Een andere gedachte - een tegenzang, het tweede motief dat inzet terwijl een tweede stem het thema weer speelt, de fuga van de gedachte, hoger en verder en ingewikkelder - ziet het breder: ik ben identiek aan mijzelf, of ik nou binnen of buiten ben, de glimlach en de frons zijn hetzelfde gezicht. Als ik blijf zingen, fluiten en lachen, kan ik die lach behouden en kan ik misschien die jas aanhouden, de hele weg naar huis. Of ik leer de mineur tolereren als onderdeel van een grotere compositie. Ik kan kiezen voor een positief leven.

Ik word er alleen zo moe van. Het thema keert weer terug, in de bas. Als ik moe ben en al die moeite laat voor wat het is, en er geen zin meer in heb, dan word ik weer dat droeve snoetje. Zodra ik even alleen ben en niet bekeken, zoek ik rust van die glimlach. Wanneer ik te lang moet lachen en bezig moet zijn brand ik door. De waarheid - de naakte waarheid - is dan toch de kou en eenzaamheid.

In de barok-muziek eindigt een stuk nooit in mineur. Wat het voorgaande stuk ook was of doormaakte, het eindigt altijd in een picardische terts - een majeur-akkoord. Maar dat is kunst, dat is fictie. Al mijn fugae blijven in een onbeantwoorde mineur hangen...

... en onder donderend geraas van stalen wielen verdwijnen de laatste harmonieën.

Hugo Maat