Welja.
Of niet, natuurlijk. Het verschil is zo klein dat het onderscheid triviaal lijkt te zijn geworden. Ik wandel langs de grens van twee staten die een heel klein eiland in tweeën deelt. Om de haverklap mogen er weer nieuwe stempels in mijn paspoort, zo vaak zelfs dat ik het nauwelijks meer merk.
Meer ter zake wil ik een gedachtengang beschrijven waar ik mee zat toen ik vanavond op de fiets terugreed van repetitie met orkest. Het was een drukke repetitie en de mensen waar ik me normaal aan stoor waren nergens te bekennen, dus mijn humeur was op goed peil. Ik moest voor een paar partijen tegelijk invallen en dat was inspannend en redelijk ingewikkeld. De details en de redenen laat ik hier even onbesproken. Daarnaast had ik een stuk getranscribeerd - oorspronkelijk voor een kwintet strijkers - voor piano en viool en ik testte in de pauze van de repetitie even deze zettingen uit met mijn virtuoze muzikale collega, wat aandacht kreeg van omstanders. Toen kreeg ik een tweetal verzoeken om mensen te helpen bij audities, waar ik joviaal op in ging. Kortom: ik stond midden in de aandacht, was iets aan het doen waar ik goed in ben, en kon glimlachjes en knipoogjes uitdelen en oogsten. Misschien dik ik het iets aan, maar het gaat vooral om hoe ik me voelde.
Toen stond ik in de miezerende regen. Ik zong de eerste twee minuten op de fiets nog een liedje - Ain't that a kick in the head, bekend van Dean Martin - maar dat hield snel genoeg op. Ik was uit het licht, de warmte en de aandacht, en was alleen in de kou en het donker. Voor mij voelde het alsof ik een vrolijk gekleurde, warme jas uitdeed en terzijde wierp en juist in de regen zonder jas kwam te staan. Het doek was gevallen, en er was geen publiek meer, dus ik kon mijn lach laten varen en me overgeven aan de duisternis en de koude. Het is eigenlijk altijd zo geweest, dat ik op die fietstocht op onaangename gedachten kwam. Ik heb die route alleen en samen afgelegd, maar eigenlijk ging ik daar in de kou doorheen, en die kou ging ook door mij.
De gedachte is als volgt: omdat ik 'een jas afleg' als ik de vrolijke wereld van muziek en gezelschap verlaat, ben ik meer mezelf als ik me koud en alleen voel. In mijn eentje ben ik mijzelf. En daar ben ik koud, treurig enzovoorts. Dat is mijn ware gezicht, dat zich dan toont. Een andere gedachte - een tegenzang, het tweede motief dat inzet terwijl een tweede stem het thema weer speelt, de fuga van de gedachte, hoger en verder en ingewikkelder - ziet het breder: ik ben identiek aan mijzelf, of ik nou binnen of buiten ben, de glimlach en de frons zijn hetzelfde gezicht. Als ik blijf zingen, fluiten en lachen, kan ik die lach behouden en kan ik misschien die jas aanhouden, de hele weg naar huis. Of ik leer de mineur tolereren als onderdeel van een grotere compositie. Ik kan kiezen voor een positief leven.
Ik word er alleen zo moe van. Het thema keert weer terug, in de bas. Als ik moe ben en al die moeite laat voor wat het is, en er geen zin meer in heb, dan word ik weer dat droeve snoetje. Zodra ik even alleen ben en niet bekeken, zoek ik rust van die glimlach. Wanneer ik te lang moet lachen en bezig moet zijn brand ik door. De waarheid - de naakte waarheid - is dan toch de kou en eenzaamheid.
In de barok-muziek eindigt een stuk nooit in mineur. Wat het voorgaande stuk ook was of doormaakte, het eindigt altijd in een picardische terts - een majeur-akkoord. Maar dat is kunst, dat is fictie. Al mijn fugae blijven in een onbeantwoorde mineur hangen...
... en onder donderend geraas van stalen wielen verdwijnen de laatste harmonieën.
Hugo Maat
8.5.12
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten