Ik weet zeker dat ik het al een keer eerder hier heb vermeld: ik verkies nachtmerries boven mooie dromen. Niet wegens de ervaring zelf, maar wegens het wakker worden. Na een nachtmerrie is wakker worden een opluchting, een einde van de angst voor denkbeeldigs. "Gelukkig, het was maar een droom," zegt men dan. Een goede droom eindigt andersom, met een herinnering aan het feit dat de wereld niet zo mooi is als in dromen. Een mooie droom eindigt in teleurstelling. Na zo'n wensdroom is mijn hele ochtend verpest, zo niet meer. De werkelijkheid is dan een nare plek om te zijn. Misschien draai ik me nog een keer om in de hoop dat ik nog terug mag, maar het mag niet baten. "Wat je droomt gebeurt niet," schijnt mijn oma wel eens te hebben gezegd. Dat was bemoedigend bedoeld, maar voor mij zijn die woorden pijnlijk. Ik droom eigenlijk altijd over leuke dingen.
Een paar dagen terug had ik een droom die me nu nog dwars zit, en dat is een zeldzaam lange tijd. Hij staat me ook helder voor de geest, het merendeel tenminste. In die droom was ik gelukkig. Eerlijk gezegd had ik dat gevoel een beetje opgegeven. Het afgelopen half jaar, als het niet meer is, was ik opgehouden antwoord te geven op de vraag hoe het met me ging. Misschien deed ik het om speciaal te zijn en een protest te voeren, maar misschien wist ik ook het antwoord niet meer. Mijn stopwoordje is 'prima', wat zoveel betekent als 'ik heb geen zin om hierover te praten, maar dat kan ik je niet duidelijk maken zonder dat je erover wilt praten, dus wuif ik het onderwerp weg door te pretenderen een antwoord te hebben.' Nee, ik voelde niet zoveel, en geluk was te abstract en te fictief geworden om me nog te raken. Nu nog steeds, als ik aan het woord 'geluk' denk moet ik eerst door de visie van verschillende filosofen over geluk heen en mijn eigen opgestapelde geraaskal over het onderwerp - tot aan een cryptische korte verhandeling van mijn eigen hand die ik maar ten dele begrijp als ik hem terug lees - voor ik kan zeggen wat het werkelijk is. Om het in mijn huidige terminologie te zeggen, geluk is fictief, iets dat niet met echt gebeurt maar waar ik wel over kan lezen en fantaseren.
Welnu, die droom. Zonder te zeggen wat ze inhield, want ik voel me er niet gemakkelijk bij de details te bespreken, kan ik stellen dat ik daar gelukkig was. Geluk was een directe ervaring, een realiteit. Het was mijn realiteit, ondanks het caveat dat het natuurlijk een droom betreft. Ik kan inmiddels de componenten wel ontleden en de boel onder de loep nemen, en zelfs bedenken waar het vandaan komt en waarom het me raakt, maar dat kon ik op dat moment niet. Sterker nog, ik vermoed dat er een correlatie is tussen die analyse en de kracht van de ervaring; want hoe meer ik puzzel en peins naar aanleiding van mijn rêverie, hoe wranger het contrast tussen droom en werkelijkheid wordt en hoe ellendiger ik me voel. Om maar te zwijgen over het idee dat met deze droom ik een visioen heb gekregen van een heugelijke toestand die ik nooit mee zal maken.
Het idee dat mijn welzijn alleen in dromen en fictie voorkomt heeft me al minstens één keer tot waanzin gedreven. Het is een giftige gedachte, des te gevaarlijk omdat dit zeker geen droom lijkt. Ik heb me zelfs al geknepen.
Hugo Maat
14.5.12
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
1 opmerking:
De preoccupatie met geluk, en vooral de illusie van enige mate van invloed die men op het verkrijgen ervan zou kunnen uitoefenen, is een van de verderfelijkste hersenwormen (wezentjes die zich in de hersenen nestelen en daar door wroeten irritatie veroorzaken) waardoor de mensheid in het ongeluk wordt gestort. Wanneer geluk zou worden beschouwd als wat het is, namelijk een vaak hardnekkige virusinfectie -eveneens van de hersenen- die door diep nadenken op afstand kan worden gehouden, kan een aanzienlijk evenwichtiger levenshouding worden ingenomen.
Een reactie posten