28.5.12

Esnesnon 28-5-12

...

"Jantje, wat wil jij later worden?" - "Piloot, juffrouw."
"Melvin,* wat wil jij later worden?" - Advocaat, want dan verdien je heel veel."
"Liesje, wat wil jij later worden?" - "Prinses, juffrouw!"
"Marcel, wat wil jij later worden?" - "Weet ik niet."
"Hugo, wat wil jij later worden?" - "Niets. Ik wil in een donker hol kruipen en daar doodgaan. U en deze hele wereld hebben mij niets te bieden wat ik wil. Ik verwerp bij deze de vraag, want hij is niet op mij van toepassing."

En dan zit je apart, in gesprek met de ene na de andere halvegare die graag je ouders willen bellen en er zeker van willen zijn dat alles wel goed komt. Alsof ik daar méér zin in had. Ik moet uit redenen van consequentie van opvattingen wel stellen dat, wanneer vergeleken met de wens niets te zijn, in gesprek met bezorgde en verwarde mensen zitten even slecht is als elke andere tijdsbesteding. Het is me een paar keer voorgevallen, en ik kan me in die uitspraak tot op zekere hoogte vinden, ware het niet dat ik mensen die zich zorgen over me maken zonder te begrijpen waar ik het over heb behoorlijk vervelend vind. Dit toont maar weer dat er wel een soort van orde in verwerpelijkheid bestaat tussen verschillende bestedingen van tijd. Indien ik echter mijn toekomst zou moeten kiezen vanuit de overtuiging dat er dingen zijn die ik minder graag doe, dan is inexistentie preferabel. Mortis servitutum antepono, om Cicero te verdraaien.

Ik heb wel eens gesprekken moeten voeren met bezorgde mensen, die in de overtuiging verkeerden dat ik mijzelf iets aan zou doen. Dit was geen opzet van mijn kant. Het meest noemenswaardige voorbeeld was zelfs een geval waarin ik oprecht mijn overpeinzingen met de wereld deelde en daarmee iedereen de stuipen op het lijf joeg. Vervolgens moet ik altijd mensen troosten. Ik moet mensen troosten omdat ze mijn situatie niet aan kunnen en gekke dingen gaan doen als ik ze niet gerust stel. Die visie op de situatie kweekte een sterk neerbuigende houding bij mij, in het geheim althans. Ik vind nog altijd dat de mensen die ondersteboven raakten van wat er in mijn hoofd omging zonder eerst het fijne ervan te onderzoeken, om vervolgens getroost te moeten worden door mij behoorlijk inferieur. Dat mag ik niet denken, natuurlijk, maar 'if that is a sin then let me be damned for it.'

Als ik het toch over verdoemenis heb: één van die gedachten waar mensen bij tijd en wijlen aanstoot aan namen was het idee dat de hel helemaal niet zo kwaad was. Mijn argument, redelijk kort, was dat alles verveelt. Een eeuwigheid bij zinnen is al zo hels als het maar kan door de verveling. Het verschil tussen de hemel en de hel zou bestaan uit de eerste drie jaar of iets dergelijks, gevolgd door een eeuwigheid aan verveling. Ik besloot dat ik in de hemel misdaden zou gaan plegen om de engelen te sarren, en dat ik in de hel verwelkomd zou worden door Satan wegens mijn (in zijn ogen) goede gedrag. Daarmee was de hele boetedoening-ethiek ontmanteld. Ik verklaarde mezelf immoreel en vond dat een prachtig idee. Inmiddels is mijn beeld van de hemel volwassen geworden, en die nieuwe eschatologische visie maakte het idee van sterfelijkheid erg dragelijk. Maar dit terzijde.

Ik stelde mezelf al vroeg de vraag waarom mensen er zo'n groot punt van maakten dat ik onorthodoxe denkbeelden erop nahield. Arrogant als ik was besloot ik dat mijn ideeën een gevaar voor de gevestigde orde waren en dat mensen zich bedreigd voelden door mij, zeker als of zeker omdat er waarheid in mijn ideeën school. Het was hun taak, à la Foucault en zijn makkers, om mij te disciplineren en te normaliseren. Het probleem was natuurlijk dat ik ze afwimpelde met bijzonder weinig moeite, en daar steekt dat idee van inferioriteit weer de kop op, en dat wortel noch stok enig effect hadden op een stoïcijns joch als ik. Nee, ik had een prima tijd als een verdorven en onhoudbaar denker. Ik vond ook een groep mensen die mijn waanzin vermakelijk vonden. Ik begon een blog met het idee van mijzelf als prettig gestoord in het achterhoofd. Niemand die leek te vermoeden dat er ook iets ernstig fout kon gaan.

Niet dat ik iemand de schuld geef. Niet dat het me werkelijk zoveel kan schelen.

Hugo Maat

*: Ik heb een gruwelijke hekel aan de naam Melvin.

25.5.12

Esnesnon 25-5-12

Goedenavond. 

Als kortstondige onderbreking van het gebruikelijke programma van waanzin wil ik even een digressie schrijven. Het gaat over een bezigheid die mij op dagelijkse basis van het malen en dolen afhoudt: het lezen van Caesars 'Commentarii de bello Gallico', oftewel de Commentaren op de Gallische oorlog. Ik heb geenszins voor om dit werk in brede zin te bespreken, hoewel ik onderhand meen dit ten dele te kunnen. In plaats daarvan wil ik het klein, concreet en persoonlijk houden. Ik wil aanduiden wat ik leuk vind aan het lezen van een boek van tweeduizend jaar oud, aan de hand van één zin. Deze bespreking bestaat uit een grammaticale bespreking en vertaling van de zin, gevolgd door mijn eigenlijke uitleg. Misschien is het beter of leuker om de alinea's over de vertaling links te laten liggen. Ik zal proberen de twee onderdelen van elkaar gescheiden te houden.

"Cum finem oppugnandi nox fecisset, Iccius Remus, summa nobilitate et gratia inter suos, qui tum oppido praefuerat, unus ex his, qui legati de pace ad Caesarem venerant, nuntium ad eum mittit: nisi susidium sibi submittatur, sese diutius sustinere non posse." - Caesar, de bello Gallico. II.6.4
Al goed, here we go. De eerste vijf woorden zijn een bijzin, te zien aan de coniunctivus-vorm waarin het werkwoord 'fecisset' staat en het voegwoord 'cum' dat een stuk of tien betekenissen heeft. 'Finem' is een predicaatsaccusativus als je het mij vraagt, wat wil zeggen dat het voor grammaticale doeleinden aan het werkwoord verbonden is. Nox, een nominativus, is het onderwerp. Oppugnandi is een gerundium (omgevormde infinitief, zodat het werkwoord een meewerkend voorwerp kan worden). Geheel vertaald als "Toen de nacht een einde aan de belegering gemaakt had..."
Nu wordt het leuk. Iccius Remus, een naam, staat in de nominativus, de gebruikelijke vorm van het onderwerp. Dit is een deel van de hoofdzin. Volgens de regelen der kunst moet ik gelijk de rest van die zin zoeken, maar ik graaf even in de Latijnse zinsvolgorde verder. 
Volgende deeltje is een stel ablativi die misschien grammaticaal gezien een weggelaten 'esse' verdienen. Het is een bijzin. (Wat is géén bijzin?) Er is vast een term voor de manier waarop de ablativus hier gebruikt wordt, iets als ablativus qualitatis misschien, maar dergelijke termen zijn niet per se nodig. Vertaald als "de meest edele en begenadigde onder hen..." Volgens mij is het technisch gezien 'onder de zijnen' maar dat bekt minder lekker.
'qui - praefuerat': een bijzin met een relativum, namelijk qui. Dit woord verwijst naar de naam die eerder passeerde. Het fungeert in deze bijzin als het onderwerp bij het predicaat praefuerat, een samengesteld werkwoord dat wegens het voorvoegsel 'prae' een dativus als complement nodig heeft, die we vinden in 'oppido.' Geheel vertaald als "die destijds de vesting aanvoerde..."
Nu 'unus - venerant'. Dit zijn twee bijzinnen, de één in de ander, waardoor we op een derde niveau van predicatie onder de hoofdzin zitten. Don't be alarmed, we kunnen theoretisch tien of meer niveau's onder de oorspronkelijke zin komen met dit taaltje. De woorden 'his' en 'qui' zijn een koppel, een 'dezen' 'die' combinatie. Het woord 'legati' is een nominativus die ditmaal niet als onderwerp maar als een verdere definitie van het onderwerp (qui) dient. 'Venerant' is een vervoeging van het beroemde 'veni' uit een andere uitspraak van Caesar. We zien hier trouwens ook de naam van Caesar vervoegd worden om aan te geven dat hij het doel van het voorzetsel 'ad' is. Vertaald als: 'één van hen, die als bemiddelaar voor vrede naar Caesar gekomen waren...'
En de hoofdzin! "(hij) zond een bode naar hem..." Vervolgens ook de inhoud van de boodschap, in de indirecte rede, met een bijzin en een nieuwe hoofdzin. Omdat het indirecte rede is staat het werkwoord van de hoofdzin in de infinitivus. "(de boodschap) dat, indien hij (Caesar) geen versterkingen zendt, zij het niet langer uithouden."
De zin in het Nederlands: "Toen de nacht een einde aan de belegering gemaakt had zond Iccius Remus, de meest edele en begenadigde onder hen, die destijds de vesting aanvoerde, één van hen, die als bemiddelaar voor vrede naar Caesar gekomen waren, een bode naar hem: dat, indien hij geen versterkingen zendt, zij het niet langer uithouden."

Waarom? Zelfs al slaat u het bovenstaande over omdat het volkomen ontoegankelijk is, in ieder geval voor mensen die nooit Latijn gehad hebben, en het zou kunnen dat zelfs met een paar jaar gymnasium dit nog steeds deels wartaal lijkt, dan moet het opvallen dat ik hier behoorlijk veel tijd, aandacht en moeite in heb zitten. Dit was één zin en ik heb het nog met enige achteloze vlugheid behandeld, deels omdat ik het inmiddels met een bepaalde snelheid lees en begrijp. Ik ben overigens ook niet begonnen in boek twee, hoofdstuk zeven, ik ben begonnen bij de eerste bladzijde en ik heb hier inmiddels een paar weken werk in zitten. Er zal dus haast wel een reden zijn voor al deze passie die ik hier aan de dag leg.
Ten eerste vind ik het mooi. Ik geniet ervan om te zien hoe deze taal werkt, hoe de delen naar elkaar verwijzen volgens een netwerk van regeltjes. De aha-erlebnis (daarover hieronder meer) die optreedt zodra alle stukjes op hun plaats vallen en er een logische zin uit komt rollen gaat gepaard met een soort bewondering voor de manier waarop deze andere taal werkt. Immanuel Kant onderscheidt een directe schoonheid en een contemplatieve schoonheid van een kunstwerk. Voor mij is het vertalen van Caesar van het tweede type: de taal als een soort enorm klassiek kunstwerk dat pas echt mooi wordt als je er lang over nadenkt.
Deze zin alleen al: de eigenlijke inhoud is dat een Gallische commandant Caesar om hulp vraagt. In een Nederlandse vertaling ben je door syntaxis gedwongen om die hoofdzin naar voren te halen omdat het geheel anders onbegrijpelijk wordt, maar in het Latijn mag er een oneindige hoeveelheid overige informatie naar de lezer worden geslingerd, omdat de woorden zelf vermelden hoeveel relevantie voor het eigenlijke verhaal ze hebben. Het leest logisch en stijlvol, en een schrijver kan veel beter controle uitoefenen op de snelheid van het verhaal en de manier waarop de zinnen lopen, zonder daarin gehinderd te worden door die regels qua volgorde in het Nederlands. Nee, ik zou eigenlijk wel Latijn willen kunnen en dan uitgebreide volzinnen schrijven. Prachtig.
Ten tweede is het interessant. En dit is van een andere orde dan de esthetische die ik net noemde. Voor mij is het belangrijk dat dingen interessant zijn omdat ik een voortdurende verliezende strijd lever tegen een soort doffe verveling die tot mijn eigen verwoesting leidt. Ik ben heel blij dat ik in Caesar een ongedwongen en aanhoudende interesse heb. De reden hiertoe is dat het een puzzel is die ik kan oplossen, in de eerste plaats omdat er een oplossing bestaat. Ik raak in de war zodra ik ergens zin uit moet maken terwijl het er misschien niet is, geloof ik. Bij het lezen van Latijn is er de vraag 'wat staat er', en die vraag is gecompliceerd, maar alle stukjes van de puzzel zijn te vinden met behulp van wat regels en creativiteit. Het houdt me bezig en ik weet voortdurend waar ik het moet zoeken. En elke zin levert een eureka op, het moment dat ik begrijp wat de beste man nou eigenlijk opgeschreven heeft. 
Tenslotte geeft het me ook een vreemd gevoel van verdienste, wat leidt tot opschepperig vertoon van mijn vaardigheden zoals hierboven, is het leerzaam, is het ondanks mijn trage lezen nog best een spannend boek, en het helpt bij mijn voortdurende elitaire poging om mijzelf van de moderne wereld en mijn eigen generatie te vervreemden. 

Hugo Maat

(Achtergrond bij de weergegeven zin: Caesar heeft een stel Gallische bondgenoten in zijn strijd tegen de zuidelijke Belgen. Ze zitten aan de Aisne in een fort, genaamd Bibrax, en worden plotseling aangevallen en belegerd door de Belgische troepen terwijl Caesar bij een brug standhoudt. Ik heb nog niet verder vertaald op dit moment, dus ik weet niet of de versterkingen op tijd komen en wat het lot van Iccius Remus is.)

23.5.12

Esnesnon 23-5-12

Goed, alles van tafel. Alweer. Tijdelijk. (Ik wil opmerken dat ik net ook een tekening in ontwikkeling van tafel haalde, maar deze vervolgens voorzichtig op de grond plaatste met het idee dat ik deze ook later in goede staat weer op zal pakken.) Ik heb een idee dat ik volgens mij niet vaak, of misschien zelfs helemaal nog niet gehad heb. Ik geloof in ieder geval niet dat ik het hier beschreven heb of niet in zo verregaande mate als ik dat nu wens te doen.

Ik ben misschien wel emotioneel dood. Minder extreem gesteld, ik heb een onderontwikkeld emotioneel leven of ik ben zo gevoelig als een emmer grind. Ik heb vaak of altijd weinig begrip gehad voor bepaalde vlakken van gevoel. Zo beschouw ik sublieme ervaringen als iets dat ik nooit heb en ergo iets dat niet bestaat. Ik ben er ook van beschuldigd dat ik afstandelijk ben. Ik heb wel eens te horen gekregen dat ik mensen het gevoel geef dat ik niets voor ze voel. Niet de meest vrolijke dingen om te horen, en tot dusver heb ik gedacht dat ik gewoon goed was in mijn emoties verbergen of onderdrukken, of een combinatie van beiden. Er zijn meer dan genoeg momenten geweest in mijn leven inmiddels waarbij ik sterk het idee heb dat het de bedoeling was dat ik er een bepaald gevoel bij zou moeten hebben gehad, wat niet het geval was. Het is een sensatie die ik als 'leeg' omschrijf, en het treedt eigenlijk steeds op wanneer een Fictie met een Werkelijkheid met andere inhoud botst. Fictie: bij situatie X hoort een emotie E en daarbij hoort een gedrag G. Feit: situatie X komt voor en gedrag G wordt uitgevoerd zonder dat emotie E optreedt. In plaats van de bedoelde emotie, van woede tot verdriet tot vreugde of een willekeurige combinatie of variatie van bovenstaande en niet genoemde gevoelens komt er alleen een doffe teleurstelling. Ik zie dit gevoel meestal als de gewaarwording dat de wereld niet overeenstemt met de Fictie - eigenlijk de gewaarwording dat het idee een Fictie is.

Ik herinner me een traumatische ervaring, met een fikse dosis levensgevaar, die alleen een dosis adrenaline teweeg bracht. Ik weet dat ik tegen mezelf zei hoe ik hoorde te reageren, hoe ik me hoorde te voelen, en ik kon mijzelf bijna zien zitten, smekend om aandacht, de wereld vertellend hoe ik mij in die situatie hoorde te voelen en gedragen, terwijl niets daarvan als een Werkelijkheid tot me doordrong. Ik herinner me een diploma waar ik redelijk koel onder bleef. Ik herinner me het einde van een relatie waardoor ik wel ging drinken maar me niet rot voelde - alleen leeg. Ik weet nog dat iemand iets deed achter mijn rug om waar ik boos om had moeten worden maar het niet werd. Het staat me nog helder voor de geest dat ik iemand kwaad aandeed en geen schuldgevoel ervoer. En tenslotte loopt mijn geheugen haast over door de eindeloze lijst aan momenten waarop ik dacht dat ik blij hoorde te zijn en me zo poogde te gedragen, in de wetenschap dat doen alsof je blij bent soms een uitstekende manier is om echt blij te zijn. Het knaagde echter, want ik wist - en dit weten is een soort gevoel, een ervaring van Werkelijkheid die anders is dan al die voorgewende gevoelens, alsof Bestaan een eigenschap werd in de Cartesiaanse stijl - ik wist dat het allemaal niet echt was. De leegte was alles dat overbleef nadat ik de valse emoties buiten de deur zette om te zwelgen in die grenzeloos serene totaliteit die ik daarachter aantrof.

Wat als ik gewoon emotioneel beperkt ben? Wat als dat de verklaring, het antwoord is? Misschien ben ik een koude, harteloze machine in menselijke vorm. Excuses, ik chargeer. Misschien ben ik kouder dan de meeste mensen, en is dát mijn probleem.
Mijn hoofd tolt. Het zou de medicatie kunnen zijn, maar de timing is prachtig. Ik weet niet wat ik ervan moet vinden - en die ene zin legt volgens mij precies uit hoe koud mijn manier van denken is.

Hugo Maat

19.5.12

Esnesnon 19-5-12

Even iets over mijn grote hobby: muziek maken. In principe staat er gewoon een stel stapels naast en op mijn piano met een flink groot assortiment aan bladmuziek, met ongeveer dagelijks een stuk dat ik nog nooit eerder in mijn leven gezien heb, en ik speel de meeste stukken prima vista (of a vue, beiden aanduidingen voor het spelen van een stuk zonder het eerst geoefend te hebben) of uit de losse pols. Desondanks zijn er wel een paar stukken uit mijn collectie die het verdienen om genoemd te worden.

Ten eerste de stukken waar ik in de komende maand een begeleidende partij in speel. Een paar muzikanten en docenten hebben me gevraagd of ik bij wil springen als begeleidend pianist. Dit is namelijk het seizoen van de voorspeelavonden op de muziekschool. Ik ben te ijdel om die uitnodiging of uitdaging af te slaan. Het betreft de volgende stukken:
De Meditation de Thaïs van Massenet. Dit stuk heb ik inmiddels al een paar keer gespeeld met verschillende violisten. Het is een populair deuntje en een juweeltje, ik heb het bij mijn weten alleen nooit voor publiek echt uit hoeven voeren. Dit is samen met een violiste die het bij een auditie wil gebruiken, ik geloof op 15 juni. Zoek het gerust op want dit is een alleraardigst stuk.
Een Tarantella voor piano en cello van... één of andere Engelsman, ik heb geen zin om het op te zoeken. Suffice to say dat ik nog nooit van de beste man gehoord had en ook niets anders van hem ken dan dit muziekje. De celliste waar ik het mee moet spelen is jong en niet heel erg ervaren, dus ik moet een hoop zeilen bijzetten om rustig en geduldig te ondersteunen. Geduld is uiterst belangrijk en waardevol, ook al is het een tarantella en hoort men hierop te kunnen dansen. Mijn leermeester heeft een interessante mening over cellisten in het algemeen, en die visie wordt nog wel eens bevestigd. Ik weet zo gauw niet voor wanneer dit is, maar ik geloof dat ik hier ook een tijdslimiet van twee weken aan vast zit.
Voor een opdracht voor het vak muziek op school begeleid ik een violist door het eerste deel van Dvorak's sonatina voor piano en viool opus 100. Ik mag Dvorak wel, die 'kan een verdraaid leuk deuntje componeren.' Dit is een stuk dat voor mij nog een beetje uitdagend is. Dinsdag oefen ik deze voor het eerst. Ik geloof dat deze mijn favoriet is.
Tenslotte, ik meen voor dezelfde voorspeelavond als die tarantella, speel ik de pianopartij bij Haydn's vioolconcert in G-groot, tweede deel. Dit vioolconcert kreeg ik nog geen uur geleden opgegeven, ik heb de pianopartij even van het scherm van mijn laptop gespeeld. Het lijkt goed te doen, en ik ben wel van de Haydn de laatste tijd.

Tot zover begeleiding. Verder is er ook nog muziek die ik uitsluitend met mezelf en voor mezelf speel. Dit is omdat de muziek de waanzin remt en me bezig houdt. Ik ben de laatste weken toch wel op minstens een uur speeltijd per dag aanbeland, als het sommige dagen niet meer is. Eerder deze maand zat ik nog tot over mijn oren in het werk van Bach, de grote meester van de barok, maar inmiddels ben ik overgestapt naar het werk van de klassieke componisten, Mozart en Haydn. Ik heb twee boeken van Mozart geleend, een derde gevonden in een mand met vergeten pianoboeken en daar ook een boek met Haydn pianosonates gevonden. Vooral de laatste ben ik erg van gecharmeerd, en ik heb hem al bijna uit. Dat wil zoveel zeggen als dat ik negen van de tien sonata's al meerdere malen gespeeld heb en de meesten ook fatsoenlijk uit kan voeren. Het laatste stuk staat vandaag op mijn verlanglijstje.
Leuk om te vermelden is één van Mozart-boeken, een boek met Klaviervariationen. Dat komt erop neer dat Wolfie een deuntje overneemt, een menuet of een volksdeuntje of een wijsje uit een opera, en vervolgens het stuk herhaaldelijk herschrijft, soms zo vaak als twaalf keer, elke keer op een andere wijze. Het is heerlijk creatief en charmant in hoe klassiek het is. Mijn ex zou het 'meisjesmuziek' noemen. Ik had al eerder stukken gespeeld met variaties, en het is altijd leuk om doorheen te werken en te kijken wat ze elke keer voor nieuws verzinnen. Nu niet op mijn lijst met actieve stukken is de 17 Variations Serieuses van Mendelssohn, wat een absoluut briljant stukje werk is.
Als ik het klassieke veld afgerond heb ben ik van plan verder te gaan richting de Romantiek, met eerst een grote lading werken van Beethoven, gevolgd door een zoveelste herontdekking van Chopin, Liszt, inderdaad ook Mendelssohn, en uiteindelijk in de toekomst Rachmaninov, Debussy en meer van dat soort.

En dan heb ik het nog niet eens over de musicals en jazz die hier opgetast liggen. Nee, ik blijf bezig.

Hugo Maat

16.5.12

Esnesnon 16-5-12

Het is maar heel af en toe dat ik mezelf toespreek met een stem die niet de mijne is. Soms duikt een flard van vroeger op, een argument of standpunt dat zo sterk gebonden is aan de persoon die het aan me introduceerde, dat het in die stem moet. Het gaat om originaliteit en effect. Accuratesse is een minder grote zaak, want de exacte woorden hoef ik niet mee te nemen en het zou nog best wel eens kunnen dat ik tot gevolgtrekkingen ben gekomen die de bron van het idee niet zelf aan zou voeren. Het is niet anders dan een truc van het geheugen, een zoveelste vreemde eigenschap van mijn denken. Zo heel nu en dan voer ik een spreker op, alsof de gedachte en de denker één zijn, en alsof ik telepathisch in contact sta met een ander. Ik leg even nadruk op 'alsof,' want ik ben me er zeker van bewust dat ik niet werkelijk telepathisch ben.

De gedachte, en die gedachte is corrosief voor mij, is dat alles fictief is. Het ging oorspronkelijk over romantiek en het idee dat alle liefde zoals we het kennen uit boeken en andere vormen van fictie zou komen. Heel moeilijk te transponeren naar andere aspecten van het bestaan is het niet. Hoe zou ik moeten weten wat normaal is - hoe wordt iets überhaupt normaal - zonder cultuur en zonder de dragers van cultuur? De overstap van fictie naar werkelijkheid gebeurt vaak in de wereld van deze visie, en dit verbaast me. Ik ken zelf dat gebeuren van nabij en hoe langer hoe meer vind ik het vreemd dat het kan. En omdat ik het voorlopig niet zelf uit kan leggen, daar de gedachte nog niet tot wasdom is gekomen, is de voorlopige conclusie dat ik het zelf in ieder geval niet kan.

Na een jaartje of wat op contingentie te hebben gejaagd heeft deze Phaedrus een nieuw spook gevonden, meen ik. Jaag, jaag, denk, denk, en wis alle sporen in de sneeuw zodat ze je niet kunnen vinden.

Hugo Maat