Theorie van de geschiedenis
Op basis van 'De constructie van het verleden' door prof. Chris Lorenz en de collegereeks van dr. Chiel van den Akker.
Als eerst volgt een uitgewerkte set aantekeningen van de behandeling van vandaag. Ik verzuim een scan van het origineel op te nemen omdat het van belabberde kwaliteit is. Cursief is latere toevoeging. (Om het cursieve uit de tekst te halen, mocht u dat bloedirritant vinden, kunt u de tekst naar een tekstverwerker verplaatsen en daar de hele tekst eerst cursief te maken en daarna weer te decursiviseren. Dat woord was overigens de enige reden dat ik dit schreef.)
Hoofdstuk 2: Een feit is een weergave van een gebeurtenis. In deze formulering veronderstelt het begrip feit een waarheidsclaim. Feiten zijn afhankelijk van hun context en bestaan in verschillende contexten die elkaar niet noodzakelijk uitsluiten. De Grote Verhalen sluiten elkaar in de regel wel uit. Deze contexten zijn talige kaders van begrippen die betekenis toekennen in de weergave van een gebeurtenis, alias een feit. Gebeurtenissen worden tot feiten 'ver-taald.' Begrippen verwijzen naar aspecten van werkelijkheid. Nooit de werkelijkheid in totaliteit, altijd een greep. Er is geen verschil tussen een feitelijke weergave en een interpretatie van de werkelijkheid.
(Voorbeeld: Lodewijk XIV werd onthoofd met de guillotine. In het begrippenkader van een arts is het feit als volgt: 'Lodewijk overleed doordat zijn hoofd van zijn romp werd gescheiden.' De republikein stelt het feit als volgt: 'Burger Capet is door de beul terechtgesteld.' Voor de royalist is het echter: 'Koning Lodewijk is door het gepeupel vermoord.' Let wel dat mijn eerste weergave van de gebeurtenis evengoed beladen is met context, ondanks mijn poging neutraal te zijn. Ik heb de reden verzwegen, de omstandigheden van de executie, ik noemde expliciet het werktuig, etc.)
Hoofdstuk 3: Er zijn verschillende theorieën voor de betekenis van 'waarheid'.
Ten eerste de Correspondentietheorie. Deze veronderstelt dat een direct verband tussen uitspraak en de werkelijkheid betekent dat de uitspraak waar is. Uitspraken zijn toetsbaar aan de werkelijkheid en geven een realistische stand van zaken weer. Dit is de meest gebruikte betekenis van waarheid in het dagelijks leven. Echter is taal een scheiding tussen de werkelijkheid en uitspraken, omdat alle feiten onderdeel uitmaken van kaders van begrippen, zoals hierboven gesteld. Accurate weergave van de werkelijkheid is onmogelijk en taal is niet de spiegel van de werkelijkheid.
Ten tweede de Coherentietheorie. Een uitspraak is waar wanneer deze in overeenstemming is met een andere uitspraak waarvan de waarheid aangenomen is. Dit geldt bij uitstek voor het gebruiken van bronnen door de historicus. Het kritiekpunt hier is dat de bewijslast voor het waarheidsgehalte alleen vooruitgeschoven wordt en nog niets echt bewijst.
Ten derde de Pragmatische Theorie: 'Wat werkt is waar.' Echter is het bij uitspraken over historische onderwerpen moeilijk te zeggen wat het betekent als iets 'werkt', wat de vraag wel verandert maar niet beantwoordt.
Het begrijpen van een uitspraak is het begrijpen van de waarheidscondities (onder welke omstandigheden is de uitspraak waar) die onderdeel zijn van taal en daardoor door mensen gedeeld worden. Dit is noodzakelijk voor het bepalen van waarheid, om deze reden is waarheid intersubjectief.
Hoofdstuk 4-8: Er zijn 3 wetenschapstradities in de geschiedschrijving: Positivisme, hermeneutiek en narrativisme.
Positivisme. Gebeurtenissen hebben algemene oorzaken. Dit principe is een bron van algemene wetten. Elke wet functioneert met de juiste omstandigheden (ceteris paribus) en functioneert volgens een 'als ... dan'-structuur. Dit werkt volgens het principe van het syllogisme. Het gebruiken van syllogismen om algemene wetten af te leiden heet het Covering Law Model, ook wel CLM. Het CLM specificeert omstandigheden, verklaart en voorspelt en schept algemeen geldende wetten. Problemen met dit model: Het model kan alleen algemene aspecten benoemen; laat geen ruimte voor complexe oorzaken en is alleen toepasbaar in de situaties zoals ze door de wet omschreven zijn. Veel factoren zijn door voorgaande aspecten onoverzienbaar.
Verdere kritiek op het positivisme: 1: De wetenschapshistorische kritiek (natuurwetenschap, hét voorbeeld van het positivisme voldoet niet altijd aan het CLW door verwijzing naar specifieke planeten); 2: Epistemologische kritiek (kennis is nog altijd feilbaar, syllogismen vereisen aanname van premissen die niet noodzakelijk gegrond zijn.); 3: methodologische kritiek (verklaring betekent nog niet voorspelling; CLM levert geen echte verklaringen; laws of association.) 4: wetenschapsfilosofische kritiek: niet bewijzen maar theorieën zijn de stuwende kracht achter de wetenschap.
Hermeneutiek: steekwoorden: bijzonderheid, spatio-temporele context,
Intentionele verklaringen. Collingwood: Re-enactment of past thought. "All history is the history of thought." Het principe van re-enactment of past thought vormt de onderbouwing van het bestaan van de intentionele verklaring, maar levert geen specifieke methode. Het stelt wel het doel (volgens Collingwood) van de historicus.
Dray: Rationeel verklaringsmodel. (wat is de rationele handeling in deze situatie + situatie doet zich voor = handeling) Kritiek: Er is geen 'Rationaliteit'; mensen handelen niet altijd rationeel.
Von Wright: Teleologisch verklaringsmodel. (wat is de juiste manier om een beoogd doel te bereiken + beoogd doel = handeling) "Waarom steekt dit persoon zijn hand op?" "Met het doel me te groeten." Kritiek: Niet iedere handeling heeft een doel; niet iedere gebeurtenis is het bewuste product van menselijk handelen; intenties maken zich niet altijd kenbaar in handelen.
Algemene kritiek tegen hermeneutiek (tegen het intentionele verklaringsmodel) is het argument van het solipsisme, de opvatting dat gedachten voorbehouden zijn aan de denker en de gedachtewereld door de spatio-temporele context (de afstand in ruimte en tijd). Tegenargumenten: mensen zijn niet uniek in handeling en gedachten (alle emoties, gedachten en uitdrukkingen daarvan zijn cultuur- of natuurbepaald); handelingen zijn uitdrukkingen van motieven (een handeling is een actie plus intentie); gedachten zijn talig (wat ook gedeelde opvatting vereist).
Narrativisme. Tak van hermeneutiek, heeft betrekking op de vorm van het geschiedkundig werk. Samen te vatten in 2 stellingen en twee types van 'narratives' of 'narratio's'.
Narrativisme. Tak van hermeneutiek, heeft betrekking op de vorm van het geschiedkundig werk. Samen te vatten in 2 stellingen en twee types van 'narratives' of 'narratio's'.
Een narrative is:
- (Geschiedenis als) Een volgorde van gebeurtenissen. Dit heet ook wel een diachroon beeld. De weergave hoeft niet chronologisch te zijn; het wordt, sterker nog, ten strengste afgeraden aan de historicus om een chronologische narrative te schrijven.
- (Geschiedenis als) Een beeld of representatie van het verleden. Dit is een synchroon beeld. Er wordt hier geen ontwikkeling maar een gelijktijdig beeld van verschillende aspecten gegeven.
Twee stellingen ten grondslag:
- De plaats die een gebeurtenis inneemt in een verhaal is gelijk aan de betekenis. En andersom. Een gebeurtenis op zich heeft geen betekenis, maar zodra een gebeurtenis in een verhaal wordt geplaatst en het begin, midden of einde van een ontwikkeling wordt krijgt het binnen in het verhaal (dat ook een conceptueel kader vormt) een betekenis.
- De structuur van een verhaal is niet in het verleden aanwezig. Hangt samen met het bovenstaande. Verhalen bestaan niet in de werkelijkheid. Een historicus (of romancier) maakt een keuze uit alle gebeurtenissen in het verleden om daar een verhaal van te maken.
Postmodernisme.
2 kenmerken: Het verdwijnen van centra voor legitimatie van kennis (ook wel het einde van de Grote Verhalen); het schrijven van de geschiedenis van de marginalen (niet langer de welvarende blanke man, maar ook de koloniaal, de vrouw, de arme mensen als onderwerp).
Verwante namen: Derrida (deconstructivisme, probeer uit te vinden wat een tekst niet zegt en val de tekst hierop aan), Foucault (niet aan bod), Hayden White (ook niet echt besproken), Ankersmit (geschiedenis niet langer beoordelen op representatie van de waarheid maar aan de hand van objectieve criteria zoals originaliteit en rijkwijdte, geschiedenis als literaire vorm).
(Vanaf dit punt heb ik geen notities van donderdag 16-12-10 over.)
Hoofdstuk 9-11: Oorzakelijke verklaringen in de geschiedenis.
In de geschiedwetenschap maakt men gebruik van niet-wetmatige, oorzakelijke verklaringen. Ze zijn niet-wetmatig omdat de historicus zich bezighoudt met specifieke gebeurtenissen, in plaats van met typen gebeurtenissen, met het bijzondere in plaats van met het algemene. De historicus gelooft echter wel in causaliteit, maar hoeft in de historische verklaring geen gebruik te maken van wetten. Eerder genoemde verklaringsmodellen zijn het Covering Law Model en het intentionele verklaringsmodel. Hierna volgen nog het singulier causaal verband; de INUS-verklaring; de abnormalistische verklaring; en het vergelijkende verklaringsmodel.
Inleiding op causaliteitsmodellen: Als één oorzaak één gevolg heeft is de oorzaak voldoende en noodzakelijk. Als één oorzaak meerdere gevolgen kan hebben is die oorzaak noodzakelijk voor de gevolgen, maar niet voldoende. Als één gevolg meerdere oorzaken kan hebben zijn deze oorzaken wel voldoende maar niet noodzakelijk. Ik wou dat ik het kon tekenen.
-Het singulier causaal verband. Dit verklaringsmodel heeft één oorzaak en één gevolg, maar leidt geen wetten af. Het is toegespitst op een afzonderlijk geval (singulier). De noodzakelijkheid van de oorzaak wordt bewezen door facticiteit toe te passen: als afwezigheid van de oorzaak tot afwezigheid van het gevolg leidt is de oorzaak noodzakelijk.
-De INUS-verklaring. Dit model dient voor complexe oorzaken. Afzonderlijke verklaringen zijn in dit model niet voldoende (Insufficient) maar nooit overbodig (Non-redundant). Het is een verzameling van verklaringen die samen weliswaar niet noodzakelijk (Unnecessary) maar ook voldoende (Sufficient) is. Dat wil zeggen dat er alternatieve verzamelingen verklaringen kunnen worden aangevoerd die ook voldoende zijn voor het gevolg, door het weglaten en/of toevoegen van verklaringen of het verschuiven van nadruk. Verklaringen zijn altijd een combinatie van factoren, en de historicus doet bij zijn verklaring een greep uit de totaliteit van oorzaken. Ook intentionele verklaringen kunnen deel uitmaken van een geheel van oorzaken.
-Het abnormalistische model. Indien de 'normale' verklaring voor een gebeurtenis niet opgaat kan het abnormalistische model worden gebruikt, waarin een afwijking in de 'normale' stand van zaken gebruikt wordt als verklaring. N.B.: het model verklaart niet wat 'normaal' eigenlijk is.
-Het vergelijkende verklaringsmodel. (Favoriet van Ch. Lorenz, door hem ook wel comparativisme genoemd.) Vergelijking kan plaatsvinden tussen gebieden of tussen fenomenen (in gebieden). In dit model worden alle (benadering) factoren met betrekking tot de te onderzoeken gebieden of fenomenen van de verschillende kanten naast elkaar gezet om te kijken op welk punt de factoren overeenkomen en verschillen. Bij de verschillende factoren wordt onderzocht of ze verklarende waarde hebben.
(Kritiek op dit model: zijn gebeurtenissen en landen wel met elkaar te vergelijken in de geschiedenis? Op welke basis wordt bepaald wat de geldigheid van niet overeenkomende factoren zijn?)
Hoofdstuk 12: Geschiedenis en de sociale wetenschappen
De geschiedenis was in de jaren '50 en '60 sterk op politieke geschiedenis gericht. In de jaren '70 en '80 werd de geschiedwetenschap onder invloed van de sociale wetenschappen 'verwetenschappelijkt' en werd vooral de sociale wetenschap populair. In de jaren '90 werd cultuurgeschiedenis de standaard.
Alle drie stromingen passen bij een bepaalde stijl van geschiedwetenschap, te weten de hermeneutiek, het positivisme en het narrativisme.
'Verwetenschappelijking', ofwel de invloed van de sociale wetenschappen op de geschiedschrijving, heeft de volgende invloeden gehad: stellingen en hypotheses zijn verduidelijkt; er wordt gebruik gemaakt van kwantificeerbare data; er worden socio-economische verklaringsmodellen gebruikt; meer nadruk op structuren dan op personen in verklaringen; en er wordt weer een scheiding tussen verklaren en beschrijven gemaakt.
'Verwetenschappelijking', ofwel de invloed van de sociale wetenschappen op de geschiedschrijving, heeft de volgende invloeden gehad: stellingen en hypotheses zijn verduidelijkt; er wordt gebruik gemaakt van kwantificeerbare data; er worden socio-economische verklaringsmodellen gebruikt; meer nadruk op structuren dan op personen in verklaringen; en er wordt weer een scheiding tussen verklaren en beschrijven gemaakt.
Kritiek op de invloed van de sociale wetenschappen in de geschiedenis: kwantificeerbare data levert alleen gemiddeldes en types op, geen informatie over specifieke of unieke gebeurtenissen of personen. (volgens een aantal opvattingen het hele punt van geschiedenis)
Individualisme - collectivisme/holisme
Deze twee opvattingen doen zich voor bij twee kwesties: de ontologie (leer van het zijn) en methodologie. Dat levert de volgende vier standpunten op:
De opvattingen van Droysen, Ankersmit, Gadamer, Derrida en Popper. (Deze vijf zijn voorbij gekomen in de colleges, maar worden hier in de stijl van het boek van Lorenz beschreven. Het is mogelijk dat niet alle informatie hier even hard nodig is.)
-Droysen (narrativist): De structuur van een verhaal is niet aanwezig in het verleden en de historicus selecteert altijd feiten vanuit een bepaalde vraag: narratives zijn dus geen spiegel van het verleden maar van de gedachteconstructies van de auteur over het verleden. Er is een onverbrekelijke verbinding tussen de onderzoeksfase en de compositiefase van een historische narrative. Niet alle geschiedschrijving is narratief: in het geval van een incomplete overlevering of de onmogelijkheid om gebeurtenissen te herleiden op bewuste handelingen van historische personen kan er geen verhalende geschiedenis worden geschreven.
-Ankersmit (narrativist, postmodernist): Een verhaal is een metafoor en verschilt daardoor in stijl van de onderzoeksfase (die geschreven is in termen van feiten in plaats van metaforen). Het verhaal refereert niet aan het verleden maar is zelf-referentieel. Het neemt door de metafoor de plaats in van de werkelijkheid en biedt een suggestie voor een visie op het verleden.
-Gadamer: Interpreteren is een wijze van zijn (interpretatie wordt continu door de mens toegepast, alles is interpretatie). De spatio-temporele context is onoverbrugbaar omdat de onderzoeker altijd zijn eigen wordingsgeschiedenis heeft. De interpretatie van historische bronnen (re-enactment of past thought is geen optie) werkt als een gesprek waarbij de onderzoeker zijn vooroordelen op de tekst projecteert (anticiperen op zin). Resultaat is het scheppen van een nieuw werk, een interpretatie die optioneel maar niet dwingend is. Ook wel 'horizonversmelting'.
-Derrida (postmodernist): Uitvinder van het deconstructivisme. Interpretatie hoort niet als een gesprek maar als een aanval te gebeuren waarin de onderzoeker de tekst 'afbreekt' tot de elementen die eraan ten grondslag liggen. De interpretator moet hierbij naar de verborgen informatie zoeken.
-Popper: Het klassieke positivisme functioneert niet goed door het inductieprobleem. Popper introduceerde het principe van falsificatie. Een theorie is op zijn meest 'nog niet ontkracht' maar daarmee niet 'waar'.
Hugo Maat
Individualisme - collectivisme/holisme
Deze twee opvattingen doen zich voor bij twee kwesties: de ontologie (leer van het zijn) en methodologie. Dat levert de volgende vier standpunten op:
- Ontologisch individualisme: Er zijn individuen
- Ontologisch collectivisme: Er zijn instituten
- Methodologisch individualisme: Alle sociale fenomenen zijn te herleiden tot individuen
- Methodologisch collectivisme: Alle sociale fenomenen zijn te herleiden tot instituten
De opvattingen van Droysen, Ankersmit, Gadamer, Derrida en Popper. (Deze vijf zijn voorbij gekomen in de colleges, maar worden hier in de stijl van het boek van Lorenz beschreven. Het is mogelijk dat niet alle informatie hier even hard nodig is.)
-Droysen (narrativist): De structuur van een verhaal is niet aanwezig in het verleden en de historicus selecteert altijd feiten vanuit een bepaalde vraag: narratives zijn dus geen spiegel van het verleden maar van de gedachteconstructies van de auteur over het verleden. Er is een onverbrekelijke verbinding tussen de onderzoeksfase en de compositiefase van een historische narrative. Niet alle geschiedschrijving is narratief: in het geval van een incomplete overlevering of de onmogelijkheid om gebeurtenissen te herleiden op bewuste handelingen van historische personen kan er geen verhalende geschiedenis worden geschreven.
-Ankersmit (narrativist, postmodernist): Een verhaal is een metafoor en verschilt daardoor in stijl van de onderzoeksfase (die geschreven is in termen van feiten in plaats van metaforen). Het verhaal refereert niet aan het verleden maar is zelf-referentieel. Het neemt door de metafoor de plaats in van de werkelijkheid en biedt een suggestie voor een visie op het verleden.
-Gadamer: Interpreteren is een wijze van zijn (interpretatie wordt continu door de mens toegepast, alles is interpretatie). De spatio-temporele context is onoverbrugbaar omdat de onderzoeker altijd zijn eigen wordingsgeschiedenis heeft. De interpretatie van historische bronnen (re-enactment of past thought is geen optie) werkt als een gesprek waarbij de onderzoeker zijn vooroordelen op de tekst projecteert (anticiperen op zin). Resultaat is het scheppen van een nieuw werk, een interpretatie die optioneel maar niet dwingend is. Ook wel 'horizonversmelting'.
-Derrida (postmodernist): Uitvinder van het deconstructivisme. Interpretatie hoort niet als een gesprek maar als een aanval te gebeuren waarin de onderzoeker de tekst 'afbreekt' tot de elementen die eraan ten grondslag liggen. De interpretator moet hierbij naar de verborgen informatie zoeken.
-Popper: Het klassieke positivisme functioneert niet goed door het inductieprobleem. Popper introduceerde het principe van falsificatie. Een theorie is op zijn meest 'nog niet ontkracht' maar daarmee niet 'waar'.
Hugo Maat
2 opmerkingen:
Ik houd van je.
En ik ook!
Een reactie posten