Goedenavond.
Als ik een dier zou zijn, zou ik een vogel zijn. Ik zou graag een valk zijn, of een uil. Valken zijn leuke beesten, ze hebben flair, wat dus al aangeeft dat ik eigenlijk geen valk kan zijn. Uilen zijn misschien wat vreemd qua uiterlijk, maar ze verdienen mijn voorkeur doordat ze gezien worden als wijze wezens terwijl het eigenlijk gewoon bloeddorstige, onhoorbare roofvogels zijn die zich overdag verstoppen. Maar nee, een uil ben ik ook niet. Dat zijn de vogels die ik zou wíllen zijn als ik een dier was. Nee, ik denk dat ik een gier zou zijn, of een condor. De condor is nog de meest aangename optie, een biologisch zweefvliegtuig uit de Andes, trage hoogvliegers met goede ogen. Gieren zijn kaal, maar over uiterlijk ging het niet bijster veel. Gieren vliegen rond de heldere vlek die de zon is boven de woestijn en wachten tot de reizigers of dieren beneden het loodje leggen om hen vervolgens te kunnen verorberen. Met hun kromme, scherpe snavels kunnen ze zich door de huid van een koe heenwringen om de ingewanden op te eten. Maar tot ze een karkas tot hun beschikking hebben vliegen ze. Traag en hoog. Condors idem dito, alleen geloof ik dat zij geen aaseters zijn. Condors zijn meer als adelaars (een dier dat ik niet zou zijn omdat adelaars zo verheven en koninklijk zijn) of arenden. Ze zweven rond tot ze een konijntje zien, duiken neer en scheuren het beestje aan stukken. Ik kan mezelf daarin vinden. Ik zou alleen het diertje niet opeten. Maar waarom een grote vogel? Even goed zou ik voor een raaf of een kraai kunnen kiezen, die zwarte pestdoktoren die in zwermen naar verse dode ogen zoeken. Ik heb keuze genoeg. Maar ik ga voor de condor.
Vogels zijn slim. Kunnen vliegen is een eeuwig voordeel, iets waar alle landgebonden wezens jaloers op worden op een zeker moment. Atlantis verzonk onder de golven, maar de vogels vlogen gewoon weg. God veroorzaakte een zondvloed, de vogels gingen en masse bovenop de ark zitten. Miljoenen tegelijk, een frappante passage die in de geschriften niet goed terug te vinden is. De ark is nooit gevonden, die ligt nog ergens bedolven onder versteende vogelpoep. Bij een vulkaanuitbarsting dachten de meeste vogels: 'Jullie zoeken het maar uit,' om vervolgens te verkassen. Die vrijheid maakt de vogels zo machtig.
Met fladderende vleugels en het landingsgestel voorop zet een vogel zich neer op een stuk steen, een uitkijkpunt. Egal wat voor een stuk steen het is. Misschien ook wel het hoofd van een standbeeld. Voor de vogel is het een stuk steen waar hij zijn pootjes kwijt kan en hij zijn vleugels even kan laten rusten of zijn behoefte doen. Het standbeeld in kwestie kan gezien worden als een wonderbaarlijk stuk kunst, mensen kunnen er wellicht al hun ziel en zaligheid in hebben gestoken, voorbijgangers kunnen er lof over uitspreken of sprakeloos worden. De vogel gaat op het hoofd van het beeld zitten en schijt. Over duizend jaar is het beeld weg, ofwel kapot, of verborgen, maar de vogel zal er nog zijn. Hij zal zijn gevederde schouders ophalen. Hij zal er zijn nest maken.
'Daar zitten de ieëren,' zei de moeder van mijn grootvader dan. Ze liep een eind het veld in, een heel eind, zover dat je zou denken dat ze de weg kwijt was, maar dan kwam ze toch echt teruglopen met drie eieren in haar hand. Kleine, gespikkelde eieren. Ervoor in de plaats had ze dan drie krielaardappeltjes gelegd, thuis in de schuur alvast keurig bespikkeld. Een kievit legt er altijd vier. De absente bewoner van het nest zou diezelfde dag nog langskomen en niets merken, om later een vierde ei te leggen. Misschien is dit schadelijk voor dit vogelras en is het vandaag de dag verboden, maar toevallig is de moeder van mijn grootvader ook dood. De vogels zijn er nog, maar zij is dood. Met haar sterft een generatie van mensen die wisten hoe dat moest, die de eieren konden vinden door als Romeinse zieners de vluchtpatronen gade te slaan. Met hun dood sterft een bedreiging voor de kievit. Die vogels overleven hen wel, die overleven ons ook. De Perzen kenden adelaars. De condor vliegt al over de Andes sinds de tijd dat de mens nog niet kon lopen. Kraaien of raven vlogen ook al over de mythische strijdperken, net zoals ze zich voeden met de gevallennen van de wereldoorlogen. De mens wil groots zijn, wil trots zijn en wil regeren. De mens wil slagen in zijn leven en daarna ook nog. Maar stuk voor stuk vergaan we tot stof en worden we een vage herinnering op zijn best. De vogels zullen onze ogen uitpikken. Één voor één. Als ik een dier was, zou ik een vogel zijn.
Hugo Maat.
12.9.09
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten