(Goedemorgen)
De receptie had een erg rustige ochtend. Het was warm en erg licht, de zon scheen precies door de glazen wanden rond de ingang en liet weinig schaduw over in de hal van het kantoorgebouw. Een bijwerking van de glazen panelen was wel dat al het licht een groenig tintje kreeg. De receptionist, gekleed in een overhemd dat nu een groenig tintje had, hing de telefoon op, zette zijn bril af, wreef in zijn ogen en zette de bril net weer op zijn neus op het moment dat de draaideur in beweging kwam. De nieuwe bezoeker, de receptionist concludeerde in ieder geval dat deze verschijning niet in het gebouw thuishoorde, droeg een leren jack met stompe metalen punten bij de kraag en een paar scheuren bij de mouwen. Onder het openstaande jack waren de woorden 'Rock' en 'Yesterday' in donkerpaars op zijn shirt te lezen en hij droeg een leren handschoen aan zijn rechterhand die de middel- en ringvinger vrijliet. Aan zijn linkerhand droeg hij drie eenvoudige silveren ringen. De rafels aan de onderkant van zijn zwarte broek bedekten gedeeltelijk zijn zware leren laarzen, waarvan de rechter met metalen plaatjes bedekt was. Er zat een scheur, of misschien meer een snee, in zijn broek bij zijn knie. De receptionist wendde zijn blik weer naar de monitor links van hem. De man had zich al dagen niet geschoren, had smalle neusvleugels en warrig haar tot op zijn schouders. Een ringetje stak door zijn linkeroor. Om zijn schouder droeg hij een katoenen tas aan een lang koord en het leek erop dat de tas goed gevuld was.
Een tijd lang liep de man heen en weer door de receptiehal, af en toe aan zijn kin krabbend en door de glazen panelen naar buiten kijkend. De receptionist deed zijn best hem te negeren, maar dat ging wat moeilijker toen de man begon te zingen. 'I got a little rhythm, a rhythm, a rhythm, that pit-a-pats through my... braaiiin...' Hij zong met een lage, bijna grommende stem. Bij sommige woorden gromde hij ook meer dan dat hij zong. 'It's so persistent, the day isn't distant... that it'll drive me insane.' Nadat hij het laatste woord uit had gegromd liep hij op de receptie toe. De receptionist deed nog een laatste poging te doen alsof hij met iets anders bezig was dan het hopen dat de bezoeker weg zou gaan, maar dat faalde naar zijn mening.
'Kan ik u helpen?' vroeg hij.
De man gromde helemaal als hij sprak, zacht maar laag.
'Ja, ik heb een brief hier, voor iemand die hier werkt. Ik kan niet zomaar naar binnen. Kan je hem doorsturen? Hij moet bij de juiste persoon terechtkomen.'
'We hebben een brievenbus,' begon de receptionist, maar de man gromde erdoorheen.
'Deze moet niet zomaar op een stapel, hij moet echt naar iemand hier. Persoonlijk.'
De man ging licht op de balie hangen en haalde een vergeelde envelop uit zijn tas.
'Voor meneer... Huizinga. J,' gromde hij.
De receptionist twijfelde even en vroeg het toen toch.
'Als ik het vragen mag, wat voor een brief is het en waarom moet meneer Huizinga deze per se hebben?'
De man keek hem scherp aan, kwam iets dichterbij.
'Het is een goeie kerel, die Huizinga. Toegewijde, voorbeeldige moderne arbeider. Een voorbeeld.' Hij tikte met de envelop op de balie. 'Dit is een bedankje. Ook een echte familieman, weet je. Zorgt goed voor zijn huis en have. Mooie, brave kinderen. Kerels zoals hij verdienen soms een bedankje, een aanmoediging. Hebben we meer nodig in de wereld.'
Hij gromde eventjes en hoestte toen in zijn gehandschoende hand. De receptionist maakte geen aanstalten de brief aan te nemen. Hij was iets achteruit gegaan.
'Luister,' gromde de man. 'Niets meer dan een aardigheidje. Kunnen we moeilijk op de grote stapel gooien en hopen dat het terechtkomt, heh?' Hij gebaarde rond de hal. 'Voor meneer Huizinga. J. Persoonlijk.' Hij legde de envelop op de balie en liep met een langzame pas naar buiten, zacht zingend.
De receptionist staarde een flinke tijd naar de vreemde envelop. Hij woog het op zijn hand, rook aan het papier, bekeek het gekrabbelde 'J.Huizinga' en overwoog iemand erover te bellen. Hij zocht even op waar meneer Huizinga zat. J. Huizinga zat op de twaalfde verdieping, bij een reclamebureau. Een accountant. Wat zou het uitmaken? De receptionist keek even om zich heen en opende toen vlug de envelop, met gestrekte armen, ver van zich af. De envelop bevatte een brief, met de hand geschreven op dik papier, met blauwe pen. Geen poeder, geen foto's. De aanhef luidde: 'Beste meneer Huizinga, (of Joost, als je dat liever hebt,)' met als afsluiting 'een afficionado.' De receptionist keerde de envelop ondersteboven, bekeek de brief aan alle kanten, scheurde de brief aan de randen om te kijken of het papier niet zo dik was omdat er bijvoorbeeld een extra blad middenin zat, maar vond niets bijzonders. De brief zelf was een felicitatie, voor een leven waar andere mensen plezier aan hadden, voor de inzet van meneer Huizinga (dan wel Joost) om de wereld aangenamer te maken voor anderen en wederom de wens dat er meer mensen zoals hij in de wereld waren, een voorbeeld.
De receptionist versnipperde de brief en envelop en verstopte de resten.
Hugo Maat.
8.9.09
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten